Guldensporenslag

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Slag bij Kortrijk (Guldensporenslag)
Onderdeel van de Vlaamse Opstand
Houtsnijwerk op paneel van de Kist van Oxford of Chest of Courtrai. Vlaamse troepen tijdens de Guldensporenslag. In het midden staan mannen met hun goedendag
Guldensporenslag (België (hoofdbetekenis))
Guldensporenslag
Datum 11 juli 1302
Locatie Groeningekouter te Kortrijk
Resultaat Vlaamse overwinning
Strijdende partijen
Blason comte-des-Flandres.svg Vlaamse steden
Blason Namur.png Graafschap Namen
France moderne.svg Franse koning Vlaamse Patriciërs
Leiders en commandanten
Blason comte-des-Flandres.svg Willem van Gulik (Brugge)
Blason Namur.png Gwijde van Namen (Brugse Vrije)
Blason ville be Gand (Flandre-Orientale).svg Jan Borluut (Gent)
Wapen-Renesse.jpg Jan III van Renesse (Ieper)
Wapen van Atrecht Graafschap.JPG Robert II van Artois
Pas de Calais Arms.svg Jacob van Châtillon
Blason ville fr Nesle (Somme).svg Rudolf van Nesle
Troepensterkte
9500 (waarvan 9000 voetvolk) 8000 (waarvan 2000 ridders te paard)
Verliezen
enkele honderden twee- tot drieduizend
Vlaamse Opstand (1297-1305)

Bulskamp · 1e Rijsel · Brugse Metten · Guldensporenslag · 2e Rijsel · Arke · Zierikzee · Pevelenberg · 3e Rijsel

Vlaamse voetsoldaten doen de Franse cavalerie in chaos wijken. Miniatuur uit de Grandes Chroniques de France, ca. 1390-1401.

De Slag bij Kortrijk, beter bekend als de Guldensporenslag, vond plaats op het Groeningheslagveld (een kouter te Kortrijk in de huidige wijk Sint-Jan) op 11 juli 1302 tussen milities uit het graafschap Vlaanderen (dit betrof het gebied rond het huidige Frans-Vlaanderen, Oost-Vlaanderen, West-Vlaanderen en Zeeuws-Vlaanderen) en het leger van de koning van Frankrijk, Filips IV van Frankrijk. De slag was in militair opzicht opmerkelijk, omdat piekeniers en boogschutters in staat bleken een ridderleger te weerstaan. Dit betekende nog niet het einde van deze ridderlegers, zoals onder meer bleek bij Kassel (1328) en Westrozebeke (1382).

In historiografisch opzicht is de slag van belang door de rol die deze vanaf de negentiende eeuw speelde in de Belgische bewustwording en de groei van de Vlaamse Beweging die daarop volgde. Hierbij raakten de feodale, sociale en economische motieven op de achtergrond en kreeg het conflict een nationalistisch karakter. Een belangrijke bijdrage tot de collectieve bewustwording van deze gebeurtenis in Vlaanderen werd ook geleverd door Hendrik Consciences roman De leeuw van Vlaanderen (1838), die een geromantiseerd beeld van deze strijd schetst. Dit werk was een vorm van Belgicistische literatuur die verscheen om de nieuwe Belgische staat historisch te ondersteunen.[bron?]

Oorzaak en aanleiding[bewerken | brontekst bewerken]

Zie Vlaamse Opstand (1297-1305) voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Zoals meerdere graven en hertogen had de graaf van Vlaanderen al lang een betrekkelijk onafhankelijk status binnen het Franse koninkrijk: het was weliswaar hiërarchisch afhankelijk van Frankrijk, maar voer sinds graaf Boudewijn II (sinds einde 9e eeuw) een onafhankelijke koers. Economisch was het immers veel meer afhankelijk van de handel met Engeland, voornamelijk door de wolhandel voor de lakenindustrie. Het feodale systeem werd echter ondermijnd door de opkomst van de steden, in Vlaanderen vanaf de 12e eeuw van de drie grote Vlaamse steden Brugge, Gent en Ieper en hun verworven stadsrechten en het Franse koningshuis was sinds Filips II van Frankrijk op het einde van de 12e eeuw ook begonnen aan herwinnen en centralisatie en versterking van de macht over het koninklijk.

Sinds 1294 was koning Filips IV van Frankrijk van het huis Capet in oorlog met koning Eduard I van Engeland van het Frans adellijk huis Plantagenet over controle over gebieden in het hertogdom Aquitanië, een ander deel van het Franse koninkrijk. De Vlaamse steden kozen de kant van koning van Engeland. De graaf van Vlaanderen Gwijde van Dampierre schaarde zich aan hun kant. In 1294 kwam Gwijde met Eduard overeen zijn dochter Filippina aan Eduard uit te huwelijken. Gwijde en Filippina werden gevangengenomen door Filips. Gwijde kwam vrij in 1297 en zegde zijn leenheerschap bij de koning op (door het verdrag uit 7 januari 1297 met Eduard). Frankrijk viel daarop Vlaanderen binnen. Een voor een vielen de Vlaamse steden in Franse handen. Eduard I van Engeland zond hulptroepen, maar trok zich in maart 1298 uit Vlaanderen terug nadat hij, ondanks het verdrag met de graaf, opnieuw vrede had gesloten met de Franse koning.

Het kleine Vlaamse leger vormde geen partij voor de Fransen en op 6 januari 1300 werd een wapenstilstand ondertekend. Frankrijk had zijn gezag over Vlaanderen hersteld en zette een aantal belangrijke ridders gevangen, onder wie de graaf Gwijde van Dampierre en zijn zonen, Robrecht III van Vlaanderen en Willem van Dendermonde. Een Franse landvoogd, Jacob van Châtillon, werd aangesteld.

In mei 1301 hield de Franse koning Filips IV een Blijde Intrede in de Vlaamse steden. Een deel van de hoge belastingen werd afgeschaft. De afschaffing was echter vooral in het voordeel van de patriciërs (vooral Fransgezinde leliaards) en niet zozeer van de ambachten en volksklasse, de liebaards, later ook klauwaerts genoemd, aanhangers van de graaf.

Een populaire wever uit Brugge, Pieter de Coninck, probeerde voor de zaak van de ambachtslieden op te komen. Als gevaarlijke opjutter werd hij door het Brugse stadsbestuur in 1301 gevangengezet en later verbannen.

Warm onthaal van Willem van Gulik in Brugge

In maart 1302 kwamen de liebaards van Gent in opstand na het opnieuw verhogen van de belastingen. Als gevolg daarvan werden de Fransgezinde leliaards uit de stad gezet. Ook in Brugge grepen de liebaards opnieuw de macht. De landvoogd organiseerde zijn leger in Kortrijk om Gent en Brugge weer in zijn greep te krijgen. Uit vrees voor represailles gaf het Gentse stadsbestuur toe en zegde het toe zich verder afzijdig te houden. Toen het kleine leger van de landvoogd echter Brugge bezette, werd het in de nacht van 18 mei 1302 door de liebaards massaal afgeslacht in de Brugse Metten. De landvoogd Jacob van Châtillon zelf kon maar op het nippertje ontsnappen.

Het werd toen duidelijk voor alle aanhangers van de graaf dat een gewapend optreden van Frankrijk onvermijdelijk was geworden. Willem van Gulik en Gwijde van Namen, een kleinzoon, resp. een zoon van Gwijde van Dampierre, organiseerden het verzet. Het leger bestond vooral uit boeren, ambachtslieden en poorters, samen met enkele stedelijke milities en ridders. De opstand werd vooral door het stadsbestuur van Brugge gefinancierd. De leliaards werden uit de meeste Vlaamse steden verjaagd. Arnold V van Loon, leenman van Gwijde voor Agimont, graaf van Loon, verkoos een ommetje te maken langs hertog Jan II van Brabant en was samen met de opgeroepen troepenmacht van het graafschap Loon niet aanwezig. Enkel Willem en Jan Van Pietersheim, leenmannen van de graaf van Loon, namen als huurlingen deel aan de Guldensporenslag[1].

Verloop[bewerken | brontekst bewerken]

De opstellingen in de Guldensporenslag
14e-eeuws miniatuur uit de Grandes Chroniques de France
14e-eeuwse prent uit het boek Nuova Cronica
Tekening van James Ensor uit 1895

Het Franse leger trok rond juni 1302 naar het graafschap Vlaanderen om de slachting in Brugge te wreken en Vlaanderen weer onder Franse controle te brengen. Het Franse leger bestond uit

Onder de cavalerie bevonden zich 250 Brabantse ruiters, onder de kruisboogschutters en voetsoldaten vochten honderden Italiaanse en Spaanse rekruten.[2] Het stond onder de leiding van Robert II van Artesië (Artois). Dit leger was in aantal ongeveer even groot als de Vlaamse strijdmacht, maar kwalitatief was het veel sterker door het aantal gepantserde ruiters. Op 8 juli kwamen ze aan in Kortrijk.[3]

Het Vlaamse leger bestond uit troepen uit

In totaal waren er zo'n 9000 man (in elk geval tussen 8500 en 11000, daarvan 2/3 uit Brugge) waarvan vermoedelijk slechts 350 ridders te paard. Er waren ook Brabantse troepen[bron?], Duitse ridders[bron?], troepen uit Zeeland en troepen uit graafschap Namen aanwezig die aan Vlaamse zijde meevochten.

Het enige stuk Groeningebeek dat nog rest in Kortrijk, op privéterrein (2005)
Resten van een goedendag (onder) en van een vermoedelijk langere piek (boven) in het museum Kortrijk 1302

Het Vlaamse leger stelde zich op in een uitgerekte U-vorm achter de Grote Beek en de Groeningebeek, met aan zijn rechterkant de stad Kortrijk en achter zich de Leie, die daar een bocht maakte. Er werden drie vleugels opgesteld: de linkerflank, de "Oost-Vlamingen", (onder leiding van Gwijde van Namen), de rechterflank, de Bruggelingen,en in het midden, bij de samenvloeiing van de Grote Beek en Groeningebeek (vlak bij de huidige Sint-Janskerk), de andere "West-Vlamingen". Het leger van Ieper (ongeveer 500 man) bewaakte de burcht van Kortrijk, waar zich nog een klein garnizoen met 334 Franse soldaten bevond. Het Zeeuwse reserveleger van Jan van Renesse werd achter de drie linies opgesteld. Dat moest in eerste instantie ervoor zorgen dat niemand week of wegvluchtte, en hen desnoods doden.[3] Het bevel van de Vlaamse legerleiding luidde "Dood de vijanden. Sla vooral naar de paarden".[4][5] "Vlaanderen ende Leu" is onze strijdkreet.[6]

Hoewel er 350 Vlaamse ruiters waren, waarvan een aantal geleverd werd door Jan I van Namen, zoon van Gwijde van Dampierre, en enkele ingehuurde ridders uit de Maaskant en de Rijnstreek, vochten alle Vlaamse strijders te voet. Zelfs Willem van Gulik en Gwijde van Namen stegen van hun paard af, namen een goedendag en een piek en stelden zich op tussen hun krijgers. Alleen Jan van Renesse overschouwde vanop zijn paard het strijdgewoel vanuit de achterhoede.[3]

Veel Vlaamse krijgers zonnen op wraak: boeren die zwaar geleden hadden onder de plundertochten van het Franse leger in 1297-1300; ridders, in het bijzonder Gwijde van Namen, met gevangen familieleden; Willem van Gulik wiens oudere broer gesneuveld was in 1297 nabij Veurne bij gevechten tussen het Engelse leger en de Fransen onder leiding van Robert van Artesië.

Robert van Artesië moest deze omgeving goed kennen, want hij was opgevoed in Kortrijk door zijn tante Beatrijs, de weduwe van Willem II van Vlaanderen, de oudere broer van Gwijde van Dampierre. Ook Rudolf van Nesle had hem gemaand tot voorzichtigheid en aangeraden de Vlamingen uit hun gunstige positie te lokken.[bron?] Jean de Burlats, de aanvoerder van de Franse kruisboogschutters, stelde voor de hele dag de Vlaamse stellingen te bestoken. Ook Godevaart van Brabant, die zich onderscheidde in de Slag bij Woeringen in 1288, sloot zich aan bij deze mening en stelde dat de Vlamingen vermoeid en ontmoedigd zouden geraken. Robert van Artesië, met zijn reputatie van geduchte aanvoerder, was het daarmee niet eens en stelde dat zijn leger de tegenstand gerust aankon, waarbij een beetje weerstand pas een uitdaging vormde.[bron?]

Robert van Artesië liet daarop zijn troepen oprukken van de Pottelberg naar de Grote Beek en de Groeningebeek.[7] Tegenover de Bruggelingen langs de Grote Beek stelden zich riddereenheden (bataelge) op, waaronder het Brabantse, en de kruisboogschutters van Jean de Burlats. De troepen van Rudolf van Nesle en Mathieu de Trie stonden tegenover de eenheden van het Brugse Vrije en andere West-Vlamingen. De eenheden uit hertogdom Normandië, Picardië, graafschap Henegouwen, onder leiding van Jacob van Châtillon, Lorreinen (Lotharingen) en graafschap Champagne stonden langs de Groeningebeek, onder rechtstreeks bevel van Robert van Artois. Hij hield zijn eigen troepen in reserve achter de eenheden uit Lorreinen.[3]

Rond de middag van 11 juli begon de strijd. Eerst werden er van beide zijden pijlen afgeschoten. De Vlaamse boogschutters raakten al snel door hun voorraad pijlen heen. Het omvangrijke Franse voetvolk (de bidauts) rukte op en stak de beide beken over en wierpen stenen en speren op de Vlaamse voorlinie. Deze werden opgevangen door de grote schilden en brachten geen ernstige verliezen aan bij de Vlamingen. Hierop rukten de Vlamingen op en dreigden het Franse voetvolk in de beek te drijven. Omdat dit de aanval van de ruiterij zou bemoeilijken, gaf Robert van Artois het bevel tot terugtrekking van het voetvolk en de trompetten bliezen ten aanval. Onmiddellijk vielen de Franse ridders aan. Maar een deel van het voetvolk had het bevel niet gehoord. De mythe dat de Franse ridders hun eigen voetvolk hebben vertrapt, blijkt overdreven. De meesten hebben kunnen uitwijken naar de flanken.[bron?]

De linkervleugel, onder leiding van Rudolf van Nesle, snelde naar de Grote Beek, maar moest daar afremmen om over de drie meter brede beek te geraken. Nadat de meeste paarden de overkant hadden bereikt, was de aanloop te kort om een bres in de Vlaamse linies te kunnen maken.

Een charge van een dergelijke ridderschaar was een indrukwekkend schouwspel. Maar het is vooral een psychologische proef met de bedoeling de tegenstander op de vlucht te doen slaan. Maar ditmaal weken de Vlamingen niet. Een vernieuwing voor die tijd was dat veel voetvolk in deze slag uitgerust was met goedendags. Ze stonden in gesloten gelederen met naast zich telkens een man met een lans of een piek. De piek werd in de grond geplant en schuin naar voor gericht om de aanstormende paarden ten val te brengen. De goedendags sloegen dan toe om de paarden en de ridders te doden.

Het voetvolk behield zijn gesloten slagorde en ving met succes de ruiterij op. Er werd geslagen en gehakt op de paarden en de ruiters. Godevaart van Brabant probeerde een doorbraak te forceren, maar kwam ten val en sneuvelde. Nesle, de aanvoerder van de linkervleugel, werd eveneens gedood in deze eerste aanval. Nog veel andere Franse ruiters en edelknapen sneuvelden bij deze eerste aanval. Aan Vlaamse zijde werd de aanvoerder Willem van Gulik zwaar verwond door een pijl doorheen zijn maliënkolder en werd weggeleid uit de eerste linies. De aanval van de linkervleugel was tot staan gebracht. De Franse ruiters op hun stilstaand paard konden zich met hun zwaard niet verdedigen tegen het Vlaams voetvolk met hun lange pieken. Ze werden de een na de ander afgemaakt.

Het centrum van de Vlamingen, iets verder gelegen van de beken, kwam wel in problemen: de Franse ruiterij had daar een langere aanloop en brak hier en daar door de Vlaamse linies. Een aantal Vlamingen sloeg op de vlucht waarop de toestand kritiek werd. De kans bestond dan dat het Franse leger door de Vlaamse linies zou breken en dan andere Vlaamse troepen in de flank en in de rug zouden aanvallen. Het reserveleger van Jan van Renesse kwam hierop te hulp. Over de hele linie werd er op korte afstand strijd geleverd. De ruiterij was daardoor weinig slagkrachtig en werd afgeslacht. De troepen van Renesse stopten niet alleen de aanval, maar deden de Fransen wijken. De strijd werd in het voordeel van de Vlamingen beslecht nadat de Franse opperbevelhebber Robert II van Artois sneuvelde toen hij met zijn reservetroepen, bestaande uit drie batailles, te hulp snelde. Hij werd door Willem van Saeftinghe, een lekenbroeder uit de abdij Ter Doest in Lissewege, van zijn strijdros geslagen en daarna door de Vlamingen met een goedendag gedood.[8]

Aan de rechterzijde speelde zich eenzelfde scenario af. De Franse ruiters met de graven van Eu en van Aumale, Mathieu de Trie en Jacob van Châtillon konden wat dieper doordringen, maar hun aanval werd toch afgeslagen. De Franse ruiters werden ook hier een voor een afgemaakt met de goedendags. Waarschijnlijk kwam Châtillon hier om het leven, maar geen enkele kroniekschrijver vond het de moeite waard dit te vermelden. Aan Vlaamse zijde onderscheidden zich, volgens Velthem, Boudewijn van Popperode, de burggraaf van Aalst, en de Zeeuws-Vlaming Willem van Boenhem.[6]

Het Franse garnizoen van Kortrijk, onder leiding van de burggraaf van Lens, probeerde nog een uitval met een aantal ridders, maar die werd door het leger van Ieper opgevangen en ze werden terug in het kasteel gedreven.

Het Franse voetvolk en de overgebleven ridders werden teruggedreven naar de beken. De ruiters stonden zo dicht op elkaar dat de achterste rijen in de beken werden gedreven door hun eigen mensen. Ten slotte probeerden ze te vluchten. Veel ridders te paard bleven door hun zware wapenrusting steken in de beken en werden er afgemaakt. De Vlamingen weigerden hun overgave te aanvaarden, tegen de gebruiken van de tijd in. Het werd een slachting: naast Robert van Artois en Pierre Flote, raadgever van de Franse koning, sneuvelden zeven van de acht Franse aanvoerders.

Vooraf was onder de Vlamingen afgesproken geen gevangenen te maken en ook geen oorlogsbuit te verzamelen. Dit was voor deze tijd een uitzonderlijke instelling. Volgens de regels van de toenmalige oorlogsvoering werd een ridder, die van zijn paard geslagen was, gevangengenomen maar niet gedood. Gevangen ridders brachten immers heel wat losgeld op. Toen de Fransen zagen dat hun ridders werden afgeslacht, sloegen zij op de vlucht. Slechts op het einde werden enkele Franse ridders, onder wie Raoul de Grantcourt, gevangengenomen uit respect voor zijn dapperheid, en in bescherming genomen door een Vlaamse ridder. Hij werd door Willem van Gulik overgedragen aan de Gentenaar Jan Borluut, die dan het losgeld kon innen.

De laatste Franse reservetroepen, onder leiding van de graaf van Saint-Pol, de graaf van Boulogne en Louis van Clermont konden de beken niet meer oversteken omdat de Vlamingen er alweer klaar stonden in gesloten gelederen. Maar ze vielen niet meer aan. De Bruggelingen zagen dit, staken de Grote Beek over en vielen de Franse ruiters aan. Sommigen, onder leiding van Jean le Brun de Brunembert verdedigden zich maar werden afgemaakt. De rest sloeg op de vlucht. Velen werd de pas afgesneden en zij werden gedood. Anderen, zoals de leliaard Willem van Mosscher, werden tot aan hun kamp aan de Pottelberg achtervolgd en afgemaakt. Sommige Brabantse ridders die onder de Godevaart aan de zijde van de Fransen hadden meegevochten, probeerden nog hun leven te redden door te roepen "Vlaanderen ende Leu", maar Gwijde van Namen beval ze allen te doden. Hun lijken werden verminkt.

De overgebleven Fransen vluchtten nu in paniek. Velthem beschreef dat ze gevolgd werden tot tien kilometer van het slagveld. Ze werden opgejaagd tot Dottenijs, Zwevegem en Sint-Denijs met nog talrijke doden, zowel voetvolk als ruiters, tot gevolg. De poorten van Doornik werden gesloten, zodat de Fransen er geen toevlucht konden zoeken. Graaf Guy de Saint-Pol moest in de nabijgelegen Sint-Niklaasabdij overnachten.

Overnachting op het slagveld[bewerken | brontekst bewerken]

In die tijd gold diegene die op het slagveld overnachtte, als de winnaar. De Abdij van Ename leverde broden voor de hongerige strijders. De volgende dag werd het verbod de lijken te plunderen opgeheven. De Vlamingen vonden op het slagveld – volgens de versie van Hendrik Conscience – minstens vijfhonderd vergulde sporen, vandaar de (moderne) naam van de slag. Alleen adellijke ridders konden zich de aankoop van vergulde sporen veroorloven. Andere ruiters droegen gewone ijzeren of verzilverde sporen. Dat er tot in 1382 een 500 paar gulden sporen in de Onze-Lieve-Vrouwekerk in Kortrijk hangen, samen met de buitgemaakte banieren en wimpels, zoals de chroniqueur Jean Froissart[9] beweert, wordt sinds 2002 tegengesproken door archeoloog Philippe Despriet. Hij concludeert dat kronieken, archieven en bodemvondsten de aanwezigheid van de riddersporen in en om het slagveld bevestigen. Maar, 'werden ze als oorlogstrofee nadien in een Kortrijkse kerk gehangen, dan zal hun aanwezigheid daar alvast van korte duur geweest zijn, gezien de herhaalde Franse militaire bezettingen van kerk en kasteel vanaf 1304. Het verhaal van de 'gulden' sporen werd aan het eind van de 14e eeuw in de kringen van het Franse koningshuis en zijn bondgenoten nieuw leven ingeblazen om een grove schending tegen de mensheid (brand en verwoesting van de stad op 18 december 1383) bij de publieke opinie goed te praten. Hierop inspelend liet het Onze Lieve Vrouwekapittel in haar kerk tientallen sporen ophangen, waardoor de legende in het collectieve geheugen bekend bleef.'[10] De sporen werden in die zin al lang voor de Slag bij Westrozebeke in 1382 tentoongesteld in de kathedraal van Saint-Denis.

Het naakte lijk van Robert van Artesië bleef drie dagen op het slagveld liggen. Het lijk werd gevonden door een minderbroeder uit Atrecht, die het begroef in het nabije klooster van Groeninge. Hij had dertig verwondingen vastgesteld aan het lijk. Zelfs de tong was uit de mond gesneden. Met Kerstmis 1304 werd Robert van Artois plechtig begraven in de cisterciënzerabdij van Maubuisson door zijn dochter Mahaut.[11]

Gesneuvelden aan Franse zijde[bewerken | brontekst bewerken]

De Franse adel verloor een zestigtal baronnen en heren, honderden ridders en meer dan duizend schildknapen. Ook de Franse tros viel in Vlaamse handen.

Primaire bronnen[bewerken | brontekst bewerken]

De veldslag heeft zeer veel aandacht gekregen van 14e-eeuwse kroniekschrijvers.[12] Er zijn ten minste vijftien eigentijdse kronieken bekend die hem beschrijven, al was vermoedelijk geen van de auteurs ooggetuige. Henri Pirenne merkte als eerste op dat er belangrijke verschillen zijn naargelang een Fransman of Vlaming de pen vasthield: de eersten beklemtoonden dat de ruiters geen snelheid konden ontwikkelen door het terrein, terwijl de tweeden de vaardigheid en moed van het Vlaamse voetvolk naar voren haalden.[13] Daarnaast bestaan er ook een viertal externe bronnen van betekenis: de Steirische Reimchronik (d), Johannes van Winterthur (d), Willem Procurator en Giovanni Villani. De Florentijn beschreef de veldslag rond 1340 in zijn Historie Fiorentine. Hij was aanwezig in Vlaanderen als agent van het machtig huis der Peruzzi's in Florence, waarschijnlijk om de boeten te innen, opgelegd door het Verdrag van Athis-sur-Orge in 1305. Hij heeft misprijzen voor de Vlaamse ambachtslieden. Hij noemt ze 'konijnen gevuld met boter' (Conigli pieni di burro), het laagste gespuis dat slechts denkt aan eten en drinken. Maar hij heeft evenmin goede woorden voor Filips de Schone of de Dampierres. Hij noemt deze veldslag een "onmogelijke gebeurtenis" (= een straf van God).[14]

Een goede bron aan Franse zijde is Guillaume Guiart, die meevocht in de Slag bij Pevelenberg en de oudste vermelding van de goedendag gaf. Voorts is er onder meer de Chronique artésienne (ca. 1304), de Chronique rimée van Geoffroi de Paris (ca. 1314-1317) en wat later de Chronicon van Gilles Li Muisit uit Doornik.

Een uitvoerige beschrijving van de gebeurtenissen in ongeveer 1200 Middelnederlandse verzen werd vanaf 1315 gegeven door de Brabantse geestelijke Lodewijk van Velthem in het vierde boek van het vijfde deel van de Spiegel Historiael. Dit werk werd eind dertiende eeuw begonnen door de Damse dichter Jacob van Maerlant, bijgestaan door de lokale klerk Filip Utenbroeke.[15] Aan de hand van computationele stylometrie (de studie van linguïstische stijl in tekst, waardoor men het auteurschap kan toewijzen bij betwiste teksten) wordt betwijfeld of hij de oorspronkelijke auteur is van deze teksten over de Guldensporenslag. Het is goed mogelijk dat hij een eerdere bron heeft gebruikt en bewerkt zonder de auteur te vernoemen. In die tijden werd geen belang gehecht aan auteursrecht of plagiaat. Lodewijk van Velthem wijst er trouwens op dat voor het vierde boek ook ooggetuigenverklaringen werden gebruikt. Dit draagt bij tot de authenticiteit van zijn verslag. Anderzijds werden er in Frankrijk verschillende teksten geschreven waarin er werd gereageerd op de "leugens" in de Vlaamse teksten om aldus hun nederlaag wat te verbloemen.[16]

Een andere eigentijdse bron, geschreven in de periode tussen 1308 en 1311, zijn de Annales Gandenses van een anonieme auteur die zich een "Gentse minderbroeder" noemt. Deze annalen behandelen met een grote zin voor nauwkeurigheid de periode 1297-1310, met hierin belangrijke gebeurtenissen zoals de Brugse Metten (18 mei 1302), de Guldensporenslag (11 juli 1302), de Slag bij Pevelenberg (18 augustus 1304) en de Slag bij Zierikzee (10-11 augustus 1304). Er zijn van de Annalen vier kopieën bekend. Deze minderbroeder was waarschijnlijk een rechtstreekse getuige van deze gebeurtenissen omdat minderbroeders vaak aanwezig waren op het slagveld.[17][18]

Jacobus Meyerus schreef voor zijn Historiae een levendig, volgens de humanistische conventies gesteld verslag van de 'Slag bij Kortrijk' uit 1302.[19][20]

Oorsprong van de naam "Guldensporenslag"[bewerken | brontekst bewerken]

Tijdgenoten hadden het over de slag bij Kortrijk (la journée de Courtrai) of de slag van Groeninge. Meerdere kronieken vermeldden de dood van talrijke 'vergulde sporen' (als synoniem van ridders). Jean Froissart was omstreeks 1390 de eerste die vertelde over de aanwezigheid van 500 vergulde sporen in de Onze-Lieve-Vrouwekerk.[21] Pas eind 17e eeuw raakten de sporen geassocieerd met de naam van de slag.[22] Dit gebeurde in Les Délices des Pays-Bas (1697).[23] Een vertaling uit 1785 gaf dit als de "Slag der vergulde Sporen". Vanaf dan kwam deze benaming courant voor. De definitieve doorbraak kwam er in 1838 door Hendrik Conscience, wiens boek De Leeuw van Vlaanderen als ondertitel "De Slag der Gulden Sporen" droeg. Hierna vond de benaming "Guldensporenslag" algemeen ingang.

Betekenis[bewerken | brontekst bewerken]

  • Militair-strategisch belang:

Zeven dagen later werd paus Bonifatius VIII 's nachts te Rome gewekt om hem mee te delen dat voor de eerste maal in de geschiedenis een leger van bijna uitsluitend voetvolk een leger van ridders had verslagen. Deze overwinning op het sterkste ridderleger van Europa door voetvolk betekende het begin van het einde voor ridders als militaire kaste.[24] Dit had ook sociale effecten in heel Europa. In de 13de en 14de eeuw werden meerdere conflicten tussen adel en opkomende burgerijen uitgevochten. Een eerder wapenfeit, hoewel op kleinere schaal, vond plaats in Noord-Nederland als de Slag bij Ane in 1227, waarin Drentse boeren het leger van de bisschop van Utrecht versloegen. Later in die eeuw volgden de overwinningen van het infanterieleger van het Zwitserse Eedgenootschap in 1291, op het Habsburgse ridderleger. In 1297 versloegen Schotten onder William Wallace een Engels ridderleger bij Stirling, en in 1314 onder Robert Bruce bij Bannockburn. In 1345 versloegen Friese boeren een Hollands-Henegouws ridderleger onder graaf Willem IV dat met een invasie Friesland wilde bezetten, in de Slag bij Warns, eigenlijk bij Stavoren. In 1346, in de Slag bij Crécy werd een Frans ridderleger opnieuw gedecimeerd, ditmaal door het vernuftig inzetten van Engelse boogschutters.

  • Leenroerig belang voor het graafschap Vlaanderen:

Vlaanderen herwon zijn zelfstandigheid van vroeger. Dagen na de slag vielen de kastelen van Kortrijk en Kassel en de steden Dowaai, Kassel, Rijsel en Termonde in handen van de Vlamingen,[25] Vlaanderen won met aanzienlijke verliezen de Slag bij Arke in 1303, werd in 1304 bij de Slag bij Zierikzee verslagen door de Frans-Hollandse vloot en nadat de Slag bij Pevelenberg onbeslist was geëindigd, werd Vlaanderen tijdens de onderhandelingen tot zware toegevingen gedwongen (het Verdrag van Athis-sur-Orge). De graaf van Vlaanderen bleef onafhankelijker dan de andere Franse leenmannen, maar de Franse koning verstevigde zijn gezag en de graaf boette een deel van oude verworvenheden in en er werd een zware financiële boete opgelegd aan de inwoners van het graafschap. Vlaanderen bleef zich verzetten in de 14e eeuw onder andere met de Opstand van Kust-Vlaanderen (1323-1328) beëindigd met de verloren Slag bij Kassel en de Gentse opstand van (1337-1349) tegen het koninklijk en maar ook tegen het grafelijk gezag.

Het is pas tijdens de Bourgondische overheersing (1384 tot 1482) en de Honderdjarige Oorlog (1337 tot 1453) tussen de Engelse en Franse koninkrijken dat het graafschap Vlaanderen uit het Frans koninklijk leenverband werd gelicht, wat een definitief formeel beslag vond tijdens Habsburgse Nederlanden onder keizer Karel V in 1529 met de Damesvrede van Kamerijk.

  • Politiek belang:

De overwinning op de edelen droeg bij aan de groeiende macht van de burgerij. Gilden eisten, en kregen, het stadsbestuur in handen. In Utrecht gebeurde dat op 8 mei 1304. (Er bestonden veel contacten tussen Vlaanderen en Utrecht.)

  • Cultureel belang:

Vanaf de 19e eeuw ontstaat een zeker cultureel belang rondom de veldslag. Het jaarlijks opnieuw vieren van deze veldslag verspreidde zich vanuit het oorspronkelijke "Vlaanderen" (De Vlaanders) naar de rest van het huidige Vlaanderen (met Antwerpen, Vlaams-Brabant en Limburg) die historisch gezien een kleinere rol of geen speelden in de slag. Het conflict was veel complexer dan enkel de Vlamingen tegen de Fransen zoals vaak gedacht wordt. De viering van de Vlaamse Feestdag veranderde verschillende malen van betekenis: zo was het vroeger het feest waarop men de overwinning op Frankrijk vierde, maar profileert zich nu meer als een soort van eendrachtsfeest tussen alle Vlamingen.

De Leeuw van Vlaanderen[bewerken | brontekst bewerken]

In 1838 schreef Hendrik Conscience de roman De Leeuw van Vlaanderen. Dit boek leverde een belangrijke bijdrage tot de grotere bekendheid van de Guldensporenslag bij het grote publiek. Nochtans schetst het werk een zeer geromantiseerd beeld van de strijd en inmiddels zijn via historisch onderzoek bepaalde elementen uit het boek foutief gebleken. Zo wordt het belang en de aanwezigheid van Jan Breydel uitvergroot terwijl de èchte architect van de overwinning, Jan van Renesse, amper aan bod komt. Alhoewel de Vlaamse Beweging de roman vaak als een symbool voor de Vlaamse ontvoogdingsstrijd gebruikt schreef Conscience het boek destijds in feite om het Belgisch patriottisme aan te wakkeren. In het bekende 'Voorwoord' van het boek vraagt Conscience respect voor de Nederlandse taal en voor de Vlamingen binnen de Belgische staat, 'die men niet tot Walen mag maken.' Hoewel Conscience als Belgische patriot zelf had meegestreden voor de onafhankelijkheid van België (zie ook zijn boek 'De Omwenteling van 1830'), nam hij dus geen blad voor de mond om de achterstelling van de Vlamingen aan te klagen.

Vlaamse feestdag[bewerken | brontekst bewerken]

Voorpagina Vlaams dagblad "Het Algemeen Nieuws" 11 juli 1942.
Kortrijk, Groeningemonument (1906, beeldhouwer Godfried Devreese)
Kortrijk, Groeningepoort

Tot op vandaag geldt in vele Vlaams-nationalistische kringen de Guldensporenslag als symbool voor de taalstrijd tussen Vlamingen en Franstaligen. De Vlaamse Gemeenschap heeft in 1973 11 juli als officiële Feestdag van Vlaanderen uitgeroepen.

Affiche Herdenkingsfeest 1929 in Tienen van het Willemsfonds

Nochtans stonden in 1302 de troepen van het Franstalige graafschap Namen, nu in Wallonië gelegen, aan de Vlaamse kant. Omgekeerd vocht een groep Brabantse ridders aan Franse kant. Hoewel hertog Jan II van Brabant zich afzijdig hield, leidde zijn oom Godevaart een Brabants contingent van een 250 ruiters, dat het negende bataelge vormde in het Franse leger.[26] Aan de overzijde kunnen slechts enkelingen worden genoemd, zoals de ridders Goswin IV van Goetsenhoven en Jan I van Cuijk. Van een taalkwestie was in die tijd nog geen sprake. Het was zoals reeds vermeld een feodaal geschil. In het graafschap Namen was het huis Dampierre, Jan I van Namen, zoon van Gwijde aan de macht. De machtsstrijd met het huis Avesnes, dat heerste over Henegouwen en Holland, begon bij de erfopvolging van Margaretha II van Vlaanderen, moeder van Gwijde van Dampierre én Jan van Avesnes, zoon uit het eerste huwelijk van Margaretha met Burchard van Avesnes. De allianties en rivaliteit van toen zijn dus helemaal niet te vergelijken met die van vandaag. Maar het enigszins aangepaste verhaal paste in de negentiende-eeuwse romantiek van een jong land op zoek naar helden in een lang en glorieus verleden.

De feestelijkheden ter gelegenheid van de 600e verjaardag van de slag in 1902 waren zowel een landelijke als Vlaamse aangelegenheid. 467 groepen uit alle hoeken van België namen deel aan het evenement. In het België van toen, dat nog op zoek was naar een eigen nationale geschiedenis, werd de slag ook gezien als een teken van het 'eeuwenoude' streven naar onafhankelijkheid van een land, dat pas in 1830 begon te bestaan.

Het Groeningemonument van de hand van de beeldhouwer Godfried Devreese, dat oorspronkelijk in 1902 zou ingehuldigd worden, was pas vier jaar later klaar en werd op 5 augustus 1906 plechtig onthuld. In 1902 was er alleen een proefbeeld te zien. De Groeningepoort werd in 1908 in Ardense steen opgetrokken en draagt als opschrift '1302 – Groeningheveld'.

Pas na de Tweede Wereldoorlog kreeg de datum gaandeweg een exclusief Vlaamse betekenis. De animositeit nam toe in het begin van de jaren zestig, toen de taalgrens vastgelegd werd. Van 1960 tot 1962 werd er in Kortrijk elk jaar een taal stoet georganiseerd.[27] Op 30 september 2020 werd bij het aantreden van regering De Croo I in het regeerakkoord opgenomen dat de Vlaamse feestdag voortaan een officiële betaalde feestdag is, ditmaal voor alle Vlamingen.

Zie ook[bewerken | brontekst bewerken]

Literatuur[bewerken | brontekst bewerken]

  • Henri Moke, Mémoire sur la bataille de Courtrai, dite aussi de Groeninghe et des éperons (= Mémoires de l'Académie royale des sciences, des lettres et des beaux-arts de Belgique, nr. 26), 1851
  • Frantz Funck-Brentano, "Mémoire sur la Bataille de Courtrai (1302, 11 juillet) et les chroniqueurs qui en ont traite pour servir à l'historiographie du règne de Philippe le Bel", in: Mémoires de l'Académie des inscriptions et belles-lettres, savants étrangers, vol. X-1, 1893, p. 234-326. DOI:10.3406/mesav.1893.1074
  • Victor Fris, De slag bij Kortrijk, 1902
  • Jan Frans Verbruggen, De slag der Gulden Sporen. Bijdrage tot de geschiedenis van Vlaanderens vrijheidsoorlog, 1297-1305, 1952, 340 p.
  • Johan Tollebeek en Tom Verschaffel, "Guldensporenslag", in: Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging, vol. II, 1998, p. 1382-1386
  • Véronique Lambert, "De Guldensporenslag van fait-divers tot ankerpunt van de Vlaamse identiteit (1302-1838). De natievormende functionaliteit van historiografische mythen", in: Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden, 2000, nr. 3 p. 365-391. DOI:10.18352/bmgn-lchr.5285
  • Jan Frans Verbruggen en Rolf Falter, 1302. Opstand in Vlaanderen, 2001. ISBN 9020944126
  • Raoul Van Caenegem (ed.), 1302. Feiten en mythen van de Guldensporenslag, 2002. ISBN 9061535166
  • Paul Trio e.a. (eds.), Omtrent 1302, 2002. ISBN 9058672085
  • Martin de Bruijn en Charlotte Broer, Volc te voet. Gevolgen van de Guldensporenslag voor de opkomst van de burgerij in de Noordelijke Nederlanden (= Volkscultuur, nr. 14), 2002. ISBN 9071840530
  • G.H. Nörtemann, Im Spiegelkabinett der Historie. Der Mythos der Schlacht von Kortrijk und die Erfindung Flanderens im 19. Jahrhundert, 2002. ISBN 3832500812
  • Claire Billen e.a., 1302 herbekeken. Verslagboek van het colloquium 'Franstalige historici over de Guldensporenslag', 2003. ISBN 9075368178
  • P.C.M. Hoppenbrouwers, "1302-2002. De Guldensporenslag en zijn nagalm in de moderne tijd", in: Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden, 2004, p. 153-173. DOI:10.18352/bmgn-lchr.6016
  • Xavier Hélary, Courtrai. 11 juillet 1302, 2012. ISBN 2847347313
Zie de categorie Battle of the Golden Spurs van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.