Naar inhoud springen

Hellenisme

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Hellenisering)
Het Macedonische Rijk bij de dood van Alexander de Grote (323 vChr.)

Het hellenisme (Oudgrieks: Ἑλληνισμός, Latijn: hellenismos) is het verspreiden van de Griekse cultuur.

De hellenistische periode in engere zin, is het tijdperk na de bloeiperiode van het klassieke Griekenland. De hellenistische periode begint met de veroveringen door Alexander de Grote, en eindigt met de Romeinse verovering van Griekenland en het oude Nabije Oosten (334–30 vChr.).[1]

Hellenistische wereld

[bewerken | brontekst bewerken]

De hellenistische wereld besloeg het grondgebied van het Macedonische rijk, dat bestond uit stamland Macedonië, het Griekse vasteland, het voormalige Perzische rijk, Egypte en het noordwesten van India, en de Griekse opvolgersstaten daarvan. In dit gebied kwam een grootschalige handel en culturele uitwisseling op gang.

In ruimere, minder gebruikelijke zin verwijst "hellenisme" tevens naar de eerdere verbreiding van de Griekse cultuur buiten Griekenland, als gevolg van de stichting van Griekse koloniesteden aan de Zwarte Zee, op Sicilië en in Zuid-Italië (Magna Graecia), die buiten de directe macht van de grote staten vielen; en naar de culturele aanpassing aan de Griekse cultuur - of hellenisering - van het Romeinse rijk, vanaf de 7e eeuw vChr. tot de eerste eeuwen nChr.[1]

Hellenisering Nabije Oosten

[bewerken | brontekst bewerken]

Het leger van Alexander de Grote nam de Griekse cultuur met zich mee naar het oosten. Dit proces van culturele aanpassing aan het hellenisme, ook wel hellenisering genoemd, was vooral van invloed op de oriëntaalse gebieden, in het oude Nabije Oosten. Op zijn beurt had de oriëntaalse cultuur invloed op deze oud-Griekse cultuur. Deze mengcultuur bracht de hellenistische kunst voort. De hellenisering van de bevolking van het Nabije Oosten zorgde ervoor dat de stedelijke bevolking in Syrië en Klein-Azië nog tot ver in de middeleeuwen een vorm van Grieks spraken, het Koinè (κοινός, Koinos, "algemeen").

Ἑλληνιστής Hellenistes, betekende in het oude Griekenland 'iemand die Grieks spreekt'. Het woord hellenismós betekende 'imitatie van het Griekse'.[2] De Duitse historicus Johann Gustav Droysen (1808–1884) gebruikte in 1836 Hellenismus als aanduiding van een tijdperk[1]. De Nederlandse vertaling luidt 'hellenisme'.

'Hellenismós' is geënt op Hellas, oorspronkelijk de naam voor een deel van Thessalië in het oude Griekenland, bij uitbreiding gebruikt voor Midden-Griekenland en vervolgens geheel Griekenland. Met hellenisering wordt culturele 'vergrieksing' bedoeld. De Hellenen, de oude Grieken, stamden volgens de Griekse mythologie van Hellen, Ἕλλην af, zoon van Deucalion, Δευκαλίων en Pyrrha, Πύῤῥα.

Alexander de Grote

[bewerken | brontekst bewerken]
De diadochenrijken in 300 v.Chr. na de Slag bij Ipsos.

De twintigjarige Alexander de Grote (r. 336–323 v.Chr.) volgde zijn vader Philippus II van Macedonië op. Hij onderdrukte enkele Griekse opstanden, en stelde Thebe als afschrikwekkend voorbeeld, door het met de grond gelijk te maken. Daarbij spaarde hij het huis van de dichter Pindarus, die hij erg waardeerde. Door zijn tochten naar Egypte, Voor-Azië en Perzië maakte hij in korte tijd van Macedonië een wereldrijk: het Macedonische rijk.

Opvolgingsstrijd na dood Alexander; drie diadochenrijken

[bewerken | brontekst bewerken]

Op tweeëndertigjarige leeftijd stierf Alexander in Babylon een plotselinge dood. Veldheren en stadhouders vochten met elkaar over de opvolging, een strijd die vijftig jaren duurde. Toen kwam er wat rust; het uitgestrekte wereldrijk was uiteengevallen in drie grote rijken van "de diadochen" ("opvolgers" van Alexander):

Daarnaast ontstond in Klein-Azië een aantal kleinere "hellenistische" vorstendommen waarvan Pérgamon de grootste rol heeft gespeeld. Griekenland zelf behoorde aan Macedonië; de pogingen zich vrij te maken mislukten door onderlinge verdeeldheid. Thracië, dat onder Lysimachos (r. 305–281 v.Chr.) een zelfstandig koninkrijk was, twee decennia West- en Noord-Klein-Azië overheerste en kortstondig ook Macedonië, werd er na diens dood weer door geannexeerd.

Opkomst Romeinse rijk, einde hellenistische periode

[bewerken | brontekst bewerken]

Als eindpunt van de hellenistische periode wordt de Romeinse verovering genomen, waaronder de annexatie van het Griekse schiereiland en de verovering van Egypte (30 v.Chr.).[1]

Doorwerking hellenisme in Romeinse en Byzantijnse rijk

[bewerken | brontekst bewerken]

Cultureel had het hellenisme zijn doorwerking tot in de Romeinse keizertijd, de late oudheid en het Byzantijnse rijk. Via deze weg heeft het hellenisme ook een grote betekenis gehad voor de westerse beschaving. Het Grieks bleef, ook na de verovering door het latijnstalige Rome, in de oostelijke helft van het Romeinse Rijk de overheersende taal. Ofschoon de zelfstandige politiek van de hellenistische koninkrijken hiermee ten einde was, was ondertussen het hellenisme de overheersende cultuur onder de besturende elite van het Romeinse rijk geworden. Men kan stellen dat de Romeinen de Grieken politiek overwonnen, terwijl tegelijkertijd de Grieken, via het hellenisme, de Romeinen cultureel overwonnen.

Culturele missie Alexander

[bewerken | brontekst bewerken]

De vroege dood van Alexander de Grote belette het ontstaan van een hecht wereldrijk, maar zijn optreden had grote gevolgen voor de beschaving: hij opende de wereld voor de Griekse of Helleense cultuur, en verzekerde daardoor het voortbestaan van deze cultuur. Hij wilde de Helleense beschaving, vermengd met oosterse beschavingselementen, zien uitgroeien tot een internationale, hellenistische cultuur. Alexander, die de Griekse én oosterse cultuur bewonderde, streefde naar een samenwerking der volken. Daartoe stichtte hij steden met een gemengde, multi-culturele bevolking; de voertaal in de hogere kringen van de hellenistische staten was het Grieks. Verscheidene hellenistische staten beleefden een tijdlang een hoge geestelijke bloei. Veel Grieken trokken als handelaar, kunstenaar, dichter of geleerde naar de verschillende hellenistische hoofdsteden.

Hellenistisch Alexandrië overvleugelt Helleens Athene

[bewerken | brontekst bewerken]

Na de Slag bij Chaeronea, waar het vrije Hellas geen stand had weten te houden, verplaatste het zwaartepunt van de Griekse cultuur zich binnen enkele decennia van Athene naar de door Alexander gestichte stad Alexandrië, het nieuwe middelpunt van de toen beschaafde wereld. De multiculturele stad groeide uit tot een verzamelplaats van kunstenaars en geleerden en bezat het beroemde Mouseion, de grootste bibliotheek en studiecentrum van de oudheid. Ook al lag het culturele zwaartepunt nu in Alexandrië en andere hellenistische hoofdsteden, voor de beoefening van de wijsbegeerte bleef Athene hét centrum. In het Romeinse wereldrijk werd het hellenisme een hoofdbestanddeel van de Romeinse cultuur. Men hoorde pas bij de Romeinse elite, en toonde zich beschaafd, als men een grote kennis van de Griekse beschaving had, en naast Latijn ook Grieks sprak.

Hellenistische invloed en kenmerken

[bewerken | brontekst bewerken]

Hellenistische invloeden strekten zich uit tot handel en verkeer, literatuur, wetenschap, filosofie en de kunst, waaronder bouwkunst en beeldhouwkunst. Kenmerken van het hellenisme waren, naast syncretisme, de internationalisering van handel en verkeer, systematisering in de stedenbouw, realisme in de beeldende kunsten, veel expressie, veel beweging via diagonale lijnen, en individualisme dat zich uitte in een toename van de portretkunst. De hellenistische wereldbeschouwing wordt meer gekenmerkt door antropocentrisme dan door theocentrisme.

Wetenschappers en filosofen

[bewerken | brontekst bewerken]

Grote namen en instituten uit het hellenisme zijn de wetenschappers Eratosthenes, Archimedes, Aristarchus van Samothrace, Aristarchus van Samos en Euclides, filosofische scholen als die van de epicuristen, de stoïcijnen en de neoplatonici, en de grote en belangrijke bibliotheken van Alexandrië en Pergamum.

Kunst en architectuur

[bewerken | brontekst bewerken]
Zie Hellenistische kunst voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Het hellenisme veranderde het raamwerk voor de Griekse kunst en architectuur. Alexander de Grote en zijn hellenistische opvolgers stichtten een groot aantal nieuwe steden die, voor hun te bouwen tempels, gymnasia, theaters en pleinen, rijke ontwikkelingsmogelijkheden boden aan architecten en ambachtslieden. De residenties werden tot centra van hofkunst, in het middelpunt waarvan de heerser zelf stond. Pergamon is een treffend voorbeeld van zo'n residentiestad. Maar ook de stedelijke hogere klassen streefden naar roem bij het nageslacht, en lieten hun werken door erestandbeelden documenteren.

De hellenistische kunstperiode verschilde van zijn voorgangers vooral door de intensieve confrontatie met de Oriënt en de barbaren. Er ontstonden hybride kunstvormen van Griekse en oriëntaalse kunst, zoals in het oosten van het huidige Iran. Tezelfdertijd vertoonde de beeldhouwkunst een versterkt streven naar realisme, met inbegrip van (soms groteske) afbeeldingen van de in de klassieke kunstperiode verwaarloosde lagere sociale klassen. Belangrijke hellenistische kunstkenmerken zijn expressionistische stijlelementen en pathetische motieven, zoals in de De dronken oude vrouw en de Barberinische Faun, beide in de Glyptotheek in München, én het uitbeelden van de personages in de ruimte. Daarnaast ondersteunde de hellenistisch kunst de zelfrepresentatie van de heersers: met de afbeelding van goddelijke attributen, werden de prominente positie en het triomfalisme van de vorst benadrukt.

Hoogtepunten uit de hellenistische kunst zijn achtereenvolgens: de Galliër-anathemen van Attalos I, die bewaard zijn gebleven dankzij Romeinse kopieën (bekend zijn vooral de stervende Galliër en de Galliër die zijn vrouw doodt), het Pergamon-altaar in Berlijn, de Nikè van Samothrake, de Aphrodite van Milos (of Melus, ook Venus van Milo, beide in het Louvre) en de Laocoön-groep in Rome. Burckhardt bedacht voor de emotionele stijl van deze beelden de term Pergamenische barok.

De hellenistische literatuur heeft enkele opmerkelijke werken voortgebracht. In het bijzonder de geschriften van Kallimachos, de belangrijkste Alexandrijnse dichter, en zijn leerlingen, waaronder Apollonius van Rhodos moeten worden genoemd. Apollonius' beroemdste werk was de (Ἀργοναυτικά Argonautica) over de Argonauten. In de hellenistische tijd ontstond ook de geromantiseerde Alexanderroman, die tot in de moderne tijd een grote populariteit genoot. In de middeleeuwen was dit, na de bijbel, zelfs het meest verspreide boektype. Alexanderromans werden van Europa tot in Zuidoost-Azië gelezen. Ook werken van historici over Alexander de Grote en zijn daden waren zeer geliefd.

De hellenistische literaire genres waren die van het eerder ontwikkelde drama, de elegie, het epigram, het epos, hymnen en lyriek. Alleen de roman, in de vorm van avonturen- en liefdesromans, het eerste literaire genre dat in proza werd geschreven, wordt als een oorspronkelijke, hellenistische ontwikkeling gezien. De publicatie van deze romans wijst op een lezerspubliek, en op het ontstaan van een boekcultuur in de hellenistische steden, naast de luistercultuur die de publieke opvoeringen van oudere literaire genres kenmerkte.

Dit hellenistische transformatieproces in de literatuur werd bevorderd door een nieuwe vorm van openbare beschaving, zoals belichaamd door openbare scholen en vooral door het uitgebreide bibliotheekwezen. Deze bibliotheken maakten het wetenschappers en literatoren voor het eerst mogelijk om zich op grote schaal op reeds eerder geanalyseerd materiaal te verlaten, en hun relatie daartoe te bepalen.

Wetenschap en onderzoek

[bewerken | brontekst bewerken]

In de Diadochentijd namen wetenschap en technologie een hoge vlucht. Hier wist men nog tot in de moderne tijd van te profiteren. Alexander de Grote werd op zijn grote veroveringstocht al vergezeld door landmeters. Hun metingen waren van grote waarde voor de geografie. Tijdens het hellenisme werd een aantal van de belangrijkste filosofische stromingen gevormd, met name de stoa, het epicurisme en de Peripatetische School. Ook de wiskunde, kunst en geneeskunde konden zich in deze productieve tijd verder ontwikkelen.

Vanaf de Diadochentijd werd Alexandrië, met zijn Mouseion en de bijbehorende bibliotheek van Alexandrië, waar de patronage-politiek van de Ptolemaeën een belangrijke rol speelde,[3] het centrum van de Griekse geleerdheid. Het in het paleisgebied van de stad gelegen Mouseioncomplex laat zich nog het best met een moderne universiteit vergelijken. Met zijn collegezaal, de tot gesprekken uitnodigende wandelgangen en de gemeenschappelijke eetzaal van de plaatselijke filologen, vormde het een wetenschappelijk en cultureel centrum. Onder leiding van een hogepriester verdiepte men zich, naast de filosofie, in de natuurwetenschappen en de geneeskunde. Hier kwam de geografische wiskunde tot volle ontwikkeling, en werden er belangrijke bijdragen aan de filosofie en astronomie geleverd. De artsen in Alexandrië, met name Herophilos en Erasistratos, waagden zich als eersten aan een uitgebreide studie van de menselijke anatomie. Bij deze studies voerden zij secties uit op de lijken van terechtgestelde misdadigers. Ook de beroemde Eratosthenes werkte hier. De wetenschappers, literatoren en kunstenaars die in het Mouseion actief waren, konden tot op grote hoogte zelf bepalen waar zij zich mee bezig wilden houden. Zo ontstond een internationale gemeenschap van geleerden, die al snel de aandacht van de satirici op zich wist te vestigen. In Athenaeus 22 D worden zij met vogels vergeleken, die zich in de kooi van het Mouseion volvraten en de koning met hun gekibbel amuseerden.

De tot het Mouseion behorende bibliotheek bestond uit zo'n 700.000 papyrusrollen. Vooral Ptolemaeus II Philadelphus, de zoon en opvolger van Ptolemaeus, zette zich in voor de uitbreiding van de bibliotheek. Hij liet de geschriften van de Grieken, Chaldeeën, Egyptenaren, Romeinen en Joden verzamelen, verwierf de bibliotheek van de aan het begin van de Diadochentijd gestorven Aristoteles en kocht vooral in Athene en op Rhodos veel boeken. Kallimachos stelde de eerste bibliotheekcatalogus op. De eerste hoofdbibliothecaris was Zenodotus van Efeze. De grote bibliotheek van Alexandrië wakkerde de ambitie aan van de heerser van Pergamon (aan de westkust van het huidige Turkije), dat zich net van het Seleucidische rijk had losgemaakt. Ook Pergamon begon boeken te verzamelen en te kopiëren. Pergamon omzeilde het door Ptolemaeus II van Egypte opgelegde exportverbod voor papyrus, door het net ontwikkelde perkament te gaan gebruiken. Later schonk Marcus Antonius aan Cleopatra VII, de laatste Ptolemaeïsche heerseres, 200.000 rollen uit de bibliotheek van Pergamon.

Het astronomische werk van Eudoxus van Cnidus (gestorven 352 v.Chr.) werd in de 3e eeuw voor Christus verder ontwikkeld door Aristarchos (gestorven 230 v.Chr.) en Eratosthenes (gestorven 202 v.Chr.). Aristarchos legde het fundament voor het heliocentrische wereldbeeld en beweerde in zijn werken dat de aarde om zijn as draaide (omwenteling van de aarde). Eratosthenes wist de omtrek van de aarde met grote nauwkeurigheid te berekenen en schiep het systeem van meridianen. Al in de tijd van Alexander zeilde Pytheas tot in de Noordzee en ontdekte hij het tegenwoordige Verenigd Koninkrijk. Ptolemaeus II Philadelphus, de zoon van de Ptolemaeus, zond gezanten naar India en stuurde ontdekkingsreizigers naar de binnenlanden van Afrika. Ook in de technologie werd veel vooruitgang geboekt. Mede daardoor konden Archimedes en Hero van Alexandrië enkele decennia later hun belangrijke uitvindingen doen. Al in de diadochentijd liet Demetrios Poliorketes een als Helepolis (ἑλέπολις) bekendstaande, enorme belegeringstoren construeren, waarmee hij Rhodos aanviel.

Terwijl Alexandrië door de Ptolemaeën systematisch werd uitgebouwd tot het culturele centrum van de hellenistische wereld, werden de andere steden niet verwaarloosd. Vooral het Griekse moederland werd door de Diadochen steeds meer met schenkingen in allerlei vorm bedacht. Seleucus gaf de door de Perzische koning der koningen Xerxes 200 jaar eerder uit Athene geroofde bibliotheek van Pisistratus weer terug. Om de Griekse openbare meningsvorming in hun voordeel te benutten, ondersteunden de Diadochen de verschillende steden (poleis) financieel door de bouw van diverse bouwwerken, zoals het Olympieion in Athene. Deze culturele en financiële ondersteuning van de Griekse steden, stond in contrast met hun tegelijkertijd toenemende politieke machteloosheid. Hun autonomie beperkte zich steeds meer tot interne stedelijke zaken. Buitenlandse politiek, defensie en belastingen werden volledig, centralistisch, door de Diadochenheersers bepaald. Desondanks werden de Griekse steden behoedzaam behandeld. Zo konden cultuur en wetenschap zich in deze steden zodanig ontwikkelen, dat ze het hellenisme als het ware tot de "moderne tijd" van de klassieke oudheid maakten.

Zie de categorie Hellenistic age van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.