Hulpcentrum 100/112

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
De Hulpcentra 100/112 sturen de brandweer en de medische diensten aan.

De Hulpcentra 100/112 zijn in België de noodcentrales oftewel meldkamers die de noodoproepen naar de alarmnummers 100 en 112 voor de brandweer en de medische hulpdiensten aannemen. Er is een Hulpcentrum 100/112 voor elke provincie en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (op Waals-Brabant na). De Hulpcentra 100/112 maken als de zogenaamde 'eenvormige oproepcentra' deel uit van de keten van de Dringende Geneeskundige Hulpverlening, naast de interventiediensten (ambulances, MUG-teams en PIT's) en de spoedgevallendiensten van ziekenhuizen. De Hulpcentra 100/112 worden ook wel als HC-100/112 (of een variant daarvan) afgekort. Noodoproepen voor de politie naar het noodnummer 101 worden niet in de Hulpcentra 100/112 maar in de Communicatie- en Informatiecentra (CIC's) van de politie aangenomen.

Geschiedenis[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Geschiedenis van de Dringende Geneeskundige Hulpverlening voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Het Verenigd Koninkrijk voerde in 1937 in Londen voor het eerst een alarmnummer in (namelijk 999) na een brand waarbij 5 vrouwen om het leven kwamen. Een nationaal noodnummer voor dringende medische hulpverlening werd in België geïntroduceerd in 1958 door de Hasseltse politicus Paul Meyers na in 1958 moeilijk dringende hulp bij een verkeersongeval te hebben gekregen. Men koos voor het nummer 900 dat gratis diende te zijn en ook vanuit openbare telefooncellen gebeld zou kunnen worden. Er werd een Hulpcentrum 900 opgericht voor telkens één of meerdere telefoonzones. Men koos ervoor de (toen 16) Hulpcentra 900 bij de al bestaande meldkamers van de brandweer onder te brengen omdat dit de enige dienst was die hiervoor een permanentie kon verzekeren. In 1959 werd het eerste Hulpcentrum 900 in Antwerpen geïnstalleerd en in 1963 trad het Hulpcentrum 900 van Kortrijk als laatste in werking. België was hiermee het eerste land met een nationaal dekkend noodnummer. Omdat de Hulpcentra 900 bij de brandweer waren geïnstalleerd begon de bevolking na verloop van tijd het noodnummer 900 ook voor brandweeroproepen te gebruiken, hoewel dit niet de oorspronkelijke bedoeling was.

Begin de jaren 80 werd de verouderde apparatuur in de Hulpcentra 900 vervangen door geïntegreerde meldtafels, die ook pagers konden activeren. In 1987 werd het nummer 900 vervangen door 100, omdat het nummer 900 langer duurde om te draaien met de draaischijf dan het nummer 100. Eind jaren 90 werden de 16 Hulpcentra 100/112 gereduceerd tot 10; één per provincie en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (behalve Waals-Brabant). Besluit 91/396/EEG van de Raad van de Europese Unie van 29 juli 1991 bepaalde dat 112 het Europese noodnummer was dat in elke lidstaat moest kunnen gebeld worden. In België koos men om het nummer gelijk te stellen met het noodnummer 100; beide nummers verbinden de beller met een Hulpcentrum 100/112. Richtlijn 2002/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 7 maart 2002 stelde de invoering van het nummer 112 verplicht. 112 werd opnieuw sneller gevormd dan het nummer 100. Zowel op een draaischijf als ook op een numeriek toetsenbord. Plus feit dat bijvoorbeeld 111 moeilijker was ten tijde van stres (men zou een cijfer teveel kunnen intoetsen). In 2005 is besloten het nummer 112 uit te bouwen tot het centrale alarmnummer voor alle noodoproepen. De Hulpcentra 100/112 en de Communicatie- en Informatiecentra zouden samengevoegd worden tot geïntegreerde 112-centra en het nummer 112 zal in de toekomst de nummers 100 en 101 vervangen.

Werking[bewerken]

Noodoproepen[bewerken]

Verbinding[bewerken]

Wanneer iemand het noodnummer 100 of 112 belt, wordt hij doorverbonden met het Hulpcentrum 100/112 van de provincie waarin hij zich bevindt. Iedere provincie en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest heeft zijn eigen Hulpcentrum 100/112 dat bij elke provincie gelegen is in de provinciehoofdstad. Als enige uitzondering heeft Waals-Brabant sinds de opdeling van de oude provincie Brabant in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, Vlaams-Brabant en Waals-Brabant nog steeds geen eigen Hulpcentrum 100/112. De noodoproepen uit Waals-Brabant worden aangenomen door de Hulpcentra 100/112 uit de naburige provincies. Met welk Hulpcentrum 100/112 de beller doorverbonden wordt hangt af van de plaats van de gsm-mast of de telefoonzone van waaruit de beller belt. Zo is het mogelijk dat een beller in het grensgebied van een provincie met het Hulpcentrum 100/112 van een andere provincie wordt doorverbonden.

Bij het bellen naar het Hulpcentrum 100/112 kan het tot 15 seconden duren eer men de beltoon hoort. Indien een noodoproep niet binnen een aantal seconden wordt aangenomen, krijgt de beller een bandopname te horen die duidelijk maakt dat de beller verbonden is met de noodcentrale en die de beller vraagt nog even te wachten en niet in te haken. Het bellen van de noodnummers is gratis en kan via een vaste telefoonverbinding, een mobiele telefoon (met geldige simkaart) of een openbare telefooncel. De noodnummers zijn 24 uur op 24 uur bereikbaar. Oproepen naar de noodnummers worden opgenomen en kunnen herbeluisterd worden, bijvoorbeeld wanneer de operator niet alle informatie in één keer heeft kunnen verwerken. In de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie is bepaald dat deze opnames tot een jaar lang bewaard mogen worden. Als men de noodcentrales zonder geldige reden opbelt, kunnen de operatoren in de noodcentrales de oproepen van mensen die echt in nood zijn niet aannemen. Deze mensen moeten dus langer wachten op een antwoord en dus ook op de hulpdiensten. Het misbruik maken van noodnummers is daarom strafbaar.

Toegankelijkheid[bewerken]

Doven, slechthorenden of mensen met een spraakstoornis kunnen zich laten registreren waarna zij twee nummers ontvangen waar zij een noodfax naartoe kunnen sturen. Sinds 15 februari 2015 kunnen zij zich ook registreren via de website van het noodnummer 112 om twee nummers (één voor brandweer- en medische hulp, één voor politiehulp) te ontvangen waar zij een nood-sms naartoe kunnen sturen; dit in plaats van een gesproken oproep. In een latere fase zou voorzien worden dat ook de nummers 100, 101 en 112 via sms bereikbaar worden. Sms-berichten kunnen net als spraakoproepen tot een jaar bewaard worden. Omdat grote evenementen zoals festivals vaak geen duidelijk adres hebben werden in mei 2016 RVP-borden ('rendez-vous points') ingevoerd. Deze borden zijn rood met witte tekens en hebben een unieke code waardoor de operator onmiddellijk weet waar de beller zich bevindt. Het is de bedoeling dat de beller bij het bord de hulpdiensten dan opwacht.

Telefooncentrales[bewerken]

Sinds december 2015 nemen worden de oproepen naar de Hulpcentra 100/112 in Antwerpen, Hasselt en Aarlen gerouteerd via twee nationale telefooncentrales in datacenters van Proximus in Evere en Mechelen. Als de ene uitvalt kan de andere zo als back-up dienen. Deze Hulpcentra 100/112 werkten tot dan, zoals alle andere nog steeds, met een eigen telefooncentrale. De bedoeling is om alle Hulpcentra 100/112 op deze telefooncentrales aan te sluiten en zo in één netwerk te laten werken waarbij oproepen gemakkelijk naar andere Hulpcentra 100/112 kunnen doorgestuurd worden (bij bijvoorbeeld overbelasting) en ze allemaal van gemeenschappelijke databanken kunnen gebruik maken. Deze overschakelingen worden wel enkel doorgevoerd voor de Hulpcentra die met de CAD-software (Computer Aided Dispatching) van CityGIS werken. De Hulpcentra 100/112 van Brussel, Luik en Henegouwen zullen in de nabije toekomst op de nationale telefooncentrales aangesloten worden.

Operatoren[bewerken]

Behandeling oproep[bewerken]

Een operator (officieel genaamd 'aangestelde') van het Hulpcentrum 100/112 neemt de noodoproep aan volgens bepaalde procedures. De Hulpcentra 100/112 streven ernaar van elke oproep binnen 10 seconden aan te nemen. De belangrijkste informatie de de operator probeert te verkrijgen is wat er precies aan de hand is, de plaats van de noodsituatie en hoeveel mensen er gewond of in gevaar zijn. De operator kan ook al eerste hulpinstructies geven in afwachting van de hulpdiensten. De operatoren kunnen bij medische oproepen hiervoor de Belgische Handleiding voor Medische Regulatie (BHMR) gebruiken. 'Medische regulatie' verwijst naar het geheel van protocollen hoe de oproepen voor medische hulp moeten worden behandeld. Zo wordt bijvoorbeeld het 'Phone CPR-protocol' toegepast bij noodoproepen voor een hartstilstand waarbij de operator de beller uitlegt hoe hij moet reanimeren. Eind 2015 werd ook de eerste versie van de Belgische Handleiding voor Brandweerregulatie uitgebracht die de operatoren kan helpen met het behandelen van de noodoproepen voor brandweerhulp. Wanneer iemand belt vanaf een vaste telefoonlijn verschijnt het adres van de verbinding automatisch op het scherm. Bij een oproep met een mobiele telefoon wordt geprobeerd de locatie vast te stellen aan de hand van de gsm-masten in de buurt van de oproeper. In steden is dit tot enkele honderden meters nauwkeurig; in landelijke gebieden tot drie kilometer. De operatoren hebben een specifieke opleiding gevolgd en moeten minstens de taal spreken van de provincie waarin ze werken. In de nabije toekomst moeten in elk Hulpcentrum 100/112 alle noodoproepen in het Nederlands, Frans, Engels en Duits kunnen beantwoord worden. Er zijn in België in totaal ongeveer 700 operatoren werkzaam (burgerpersoneel; politieagenten niet meegerekend).

Alarmering hulpdiensten[bewerken]

Het Hulpcentrum 100/112 kan ook een MUG-helikopter ter plaatse sturen.

Het Hulpcentrum 100/112 alarmeert vervolgens, afhankelijk van de aard van de noodsituatie, de dichtstbijzijnde ambulance, MUG, PIT of brandweerploeg (aan de hand van het SAH-principe; 'Snelst Adequate Hulp') door middel van een elektronisch bericht. Tot de brandweerhervorming in 2007 werd niet altijd de dichtstbijzijnde dienst opgeroepen; het Hulpcentrum 100/112 alarmeerde dan de territoriaal bevoegde brandweer in plaats van de dichtstbijzijnde. Bij de alarmering wordt gebruik gemaakt van CAD-software die de operator ondersteunt bij het behandelen van de oproepen, het registreren van de gegevens en het alarmeren en uitsturen van de hulpdiensten. De Hulpcentra 100/112 van Vlaams-Brabant, Oost-Vlaanderen, West-Vlaanderen en Namen maken gebruik van de CAD-software van ASTRID. Dit is dezelfde CAD-software waarmee alle Communicatie- en Informatiecentra (CIC's) van de politie werken. De overige Hulpcentra 100/112 maken gebruik van de CityGIS-software. Het Hulpcentrum 100/112 daarnaast ook de bevoegdheid een arts op te vorderen. De arts of hulpdiensten die door het Hulpcentrum 100/112 opgeroepen worden moeten de hulpopdracht uitvoeren; zij kunnen op enkele uitzonderingen na niet weigeren van ter plaatse te gaan. Indien bijstand van andere diensten nodig is, kan het Hulpcentrum 100/112 deze ook contacteren (bijvoorbeeld het provinciale Communicatie- en Informatiecentrum van de politie indien politiehulp nodig is, de betrokken vervoersmaatschappij bij ongevallen in het openbaar vervoer, de distributienetbeheerder bij ongevallen met nutsvoorzieningen of de Civiele Bescherming indien gespecialiseerde of grootschalige hulp nodig is).

Aanduiding ziekenhuis[bewerken]

Indien een patiënt door de hulpdiensten naar een ziekenhuis wordt overgebracht, duidt het Hulpcentrum 100/112 aan naar welke spoedgevallendienst de patiënt moet worden gebracht (de patiënt heeft dus geen keuzevrijheid). De wet- en regelgeving bepaalt dat patiënten enkel naar een ziekenhuis met een erkende spoedgevallendienst (functie "gespecialiseerde spoedgevallenzorg") mogen gebracht worden. In regel duidt het Hulpcentrum 100/112 de dichtstbijzijnde spoedgevallendienst aan; hierop bestaan echter enkele uitzonderingen. Zo kan een MUG-arts bepalen dat een patiënt bepaalde gespecialiseerde zorgen nodig heeft die niet in het dichtstbijzijnde ziekenhuis kunnen worden geleverd, en dus naar een ander gespecialiseerd ziekenhuis moet worden overgebracht. In het kader van het medisch rampenplan kan ook bepaald worden dat patiënten naar een ander verdergelegen ziekenhuis moeten worden afgevoerd om zo alle patiënten te spreiden. Het Hulpcentrum 100/112 verwittigt een spoedgevallendienst vooraf wanneer de hulpdiensten ernaar onderweg zijn met een patiënt. Spoedgevallendiensten zijn wettelijk verplicht de patiënten op te vangen die er door de hulpdiensten heen zijn gevoerd. De overdracht van de patiënt aan de spoedgevallendienst beëindigt de opdracht van de Dringende Geneeskundige Hulpverlening.

Rampenplan[bewerken]

Het Hulpcentrum 100/112 is bij grote incidenten als enige formeel bevoegd het Medisch Interventieplan (MIP) af te kondigen. Enkele mensen zoals de Federale Gezondheidsinspecteur (FGI) of de eerste MUG-arts ter plaatse zijn tevens bevoegd om te vragen het MIP af te kondigen. Bij de afkondiging van het MIP stelt het Hulpcentrum 100/112 onder andere de Snel Inzetbare Middelen van het Rode Kruis en de Directeur Medische Hulpverlening (Dir-Med) op de hoogte en zendt het de benodigde hulpdiensten ter plaatse. Er zijn drie niveaus qua alarmering: MIP, Uitgebreid MIP en Maxi MIP. Elk hebben hun eigen criteria voor afkondiging en vereisen dat een bepaald minimum aan actoren en middelen gealarmeerd wordt. Naast de alarmering staat het Hulpcentrum 100/112 ook in voor de communicatie tussen de ingezette middelen. Ook alarmeert het de betrokken ziekenhuizen zodat deze intern de nodige voorbereidingen kunnen treffen. Om een optimale communicatie te verzekeren, kan een operator van het Hulpcentrum 100/112 als Coördinator Liaison HC 100/112 ter plaatse ter beschikking worden gesteld van de Dir-Med.

Radiocommunicatie[bewerken]

Alle ambulances, MUG's en PIT's beschikken over radiocommunicatiemiddelen voor het ASTRID-netwerk om met de Hulpcentra 100/112 te kunnen communiceren. Het ASTRID-netwerk is gebaseerd op de TETRA-standaard. Naast de Hulpcentra 100/112 en de medische hulpdiensten zijn ook de politie, de brandweer, de Civiele Bescherming, het Belgisch leger en enkele andere diensten op het ASTRID-netwerk aangesloten.

Beheer[bewerken]

Alle Hulpcentra 100/112 beschikken over een medisch directeur, een adjuct-medisch directeur en een verpleegkundige-regulator die het personeel bijstaat. De directeurs werken samen met die van andere Hulpcentra 100/112. De Federale Gezondheidsinspecteur (FGI) controleert de werking van de Hulpcentra 100/112. Het beheer van de Hulpcentra 100/112 valt onder het Agentschap 112 van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken. Het Agentschap 112 is in 2004 opgericht om de overgang naar de geïntegreerde 112-centra te faciliteren en deze te beheren. Daarnaast heet de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid inbreng over de medische aspecten van de Hulpcentra 100/112. Elk Hulpcentrum 100/112 is verder ook vertegenwoordigd in de Provinciale Commissie voor Dringende Geneeskundige Hulpverlening (PCDGH) van zijn provincie. De PCDGH's houden toezicht op de werking van de Hulpcentra 100/112. Op federaal niveau zijn de Hulpcentra 100/112 vertegenwoordigd in de Nationale Raad voor Dringende Geneeskundige Hulpverlening.

100, 101 of 112?[bewerken]

Soms kan het verwarrend zijn welk noodnummer men nu moet bellen in een noodsituatie. De nummers 100, 101 en 112 zijn momenteel namelijk alle drie in omloop in België. In België dient men het nummer 100 of 112 te bellen voor de brandweer of medische hulp. Men wordt dan verbonden met een Hulpcentrum 100/112. Voor politiehulp dient men het nummer 101 te bellen, dat de beller doorverbindt met een Communicatie- en Informatiecentrum van de politie. Het bellen van het nummer 100 of 112 wanneer men de politie nodig heeft of het bellen van het nummer 101 wanneer men de brandweer of medische hulp nodig heeft kan tot vertragingen in de hulpverlening leiden, aangezien de oproep zal moeten doorgeschakeld worden naar de andere centrale.

Het noodnummer 112 is het Europese noodnummer dat in elk land van de Europese Unie (en enkele andere landen waaronder IJsland, Noorwegen, Zwitserland, Rusland, Turkije en Israël) werkt. Voor de rest van Europa wordt daarom 112 door de overheid aanbevolen als het te bellen nummer voor alle noodsituaties. Volgens de Eurobarometer van 2013 over het Europese noodnummer 112 wist 49% van alle Belgen dat ze 112 in België kunnen gebruiken en wist 48% dat ze 112 overal in Europa kunnen gebruiken.[1] Eind 2015 wist 71% van alle Belgen dat ze 112 in België kunnen gebruiken en 65% wist dat ze 112 overal in Europa kunnen gebruiken.[2]

In juni 2016 lanceerde minister van Binnenlandse Zaken Jan Jambon de 112 Kidscampagne om het noodnummer 112 aan kinderen aan te leren. De campagne kwam er nadat de zesjarige Shayan uit Spa een 112 Award kreeg voor 'outstanding citizen' van de European Emergency Number Association (EENA) omdat hij in 2015 zijn moeder redde door 112 te bellen nadat zij bewusteloos was gevallen.[3]

Statistieken[bewerken]

In 2015 ontvingen alle Hulpcentra 100/112 ongeveer 2 757 700 noodoproepen oftewel gemiddeld 7 555 per dag. Het totale aantal was dus gedaald ten opzichte van 2014 waarin er in totaal ongeveer 3 013 600 oproepen binnenkwamen. Er komen ongeveer viermaal meer oproepen binnen voor medische hulp dan voor de brandweer. Meer dan 70% van de noodoproepen wordt met een mobiele telefoon gedaan.

In 2013 bleek uit cijfers van toenmalig minister van Binnenlandse Zaken Joëlle Milquet dat in 2011 28% van alle noodoproepen naar de Hulpcentra 100/112 die met de CityGIS-software werkten valse oproepen (die minder dan 30 seconden duurden) waren. Het ging om 589 420 oproepen. Valse oproepen zijn accidentele oproepen, zoals wanneer de toetsen per ongeluk geactiveerd werden in iemands broekzak ('broekzakbellers'), maar ook bijvoorbeeld kwaadwillige oproepen, zoals mensen die voor de grap naar de noodnummers bellen. In 2009 werden er 378 262 dergelijke oproepen geregistreerd; daarmee steeg het aantal valse oproepen met meer dan de helft op twee jaar tijd.[4] Om het aantal valse oproepen terug te dringen, lanceerden de Federale Overheidsdiensten Binnenlandse Zaken en Volksgezondheid samen met de politie in 2012 een informatiecampagne over het juiste gebruik van noodnummers: “Noodoproepen: geen gezever”. In 2014 was het aandeel onnodige oproepen gestegen tot 43% maar in 2015 daalde het aandeel wel weer; het bedroeg dan 37%.[5]

Problemen[bewerken]

Plaatsbepaling[bewerken]

Tot 2012 kon de locatie van iemand die belde met een mobiele telefoon niet vastgesteld worden. Bij een vaste telefoonverbinding verscheen het adres wel al automatisch op het scherm. Nochtans was de technologie er al maar door juridische conflicten over wie de kostprijs moest dragen kwam er niets van. Eind 2011 besloot ASTRID daarom voor eigen rekening om de Communicatie- en Informatiecentra en de Hulpcentra 100/112 van de technologie te voorzien. Nadat begin 2012 de Communicatie- en Informatiecentra met de technologie waren uitgerust werd de plaatsherkenning uitgebreid naar de Hulpcentra 100/112.[6]

Bestaffing[bewerken]

Al een aantal jaren hebben de Hulpcentra 100/112 niet altijd voldoende personeel om alle noodoproepen te beantwoorden. Bij gebeurtenissen zoals overstromingen krijgen de Hulpcentra 100/112 ook vaak een overvloed aan oproepen waardoor ze die niet allemaal kunnen behandelen. In september 2013 staakte het personeel van het Hulpcentrum 100/112 van Oost-Vlaanderen om de chronische onderbemanning aan te klagen. Agenten van de federale politie namen toen in hun plaats de noodoproepen aan.[7] Minister van Binnenlandse Zaken Jambon stelde eind 2015 het idee voor om een keuzemenu in te voeren voor de noodnummers om niet-dringende oproepen af te remmen. Dat idee kwam echter onder vuur te liggen van experts omdat het te omslachtig zou zijn. Er zou ook werk gemaakt worden van doorschakelsystemen waarbij overbelaste Hulpcentra 100/112 oproepen naar andere Hulpcentra 100/112 zouden kunnen doorsturen.

Op 6 juni 2016 is in Melsele de 46-jarige Pascal Wauters overleden nadat hij tot drie keer toe het noodnummer 112 probeerde te bereiken. Alle drie oproeppogingen bleven onbeantwoord doordat het Oost-Vlaamse Hulpcentrum 100/112 in Gent overbelast was met oproepen over wateroverlast; op drie uur tijd kreeg het 500 oproepen binnen. De politie vond op 15 juni het lichaam van de man nadat familieleden ongerust werden omdat ze niets meer van hem hoorden. Het parket van Dendermonde opende een strafonderzoek naar de zaak.[8] Begin augustus 2016 sloegen de vakbonden van het personeel in de Hulpcentra 100/112 alarm omtrent de onderbemanning van de Hulpcentra 100/112. Er werd melding gemaakt van honderden oproepen die niet beantwoord konden worden. Ook werd de situatie geschetst van een avond waarop er maar één operator was voor alle noodoproepen in het Hulpcentrum 100/112 van Vlaams-Brabant. De vakbonden eisten meer personeel.[9]

ASTRID-software[bewerken]

Naast de problemen omtrent de bestaffing bestaat er ook kritiek op de ASTRID-software waar enkele Hulpcentra 100/112 al mee werken. Zo zou volgens nationaal voorzitter van politievakbond NSPV Gert Cockx bij het Pukkelpopdrama in 2011 de ASTRID-software in het Communicatie- en Informatiecentrum van Limburg gecrasht zijn door het grote aantal noodoproepen, waardoor de operatoren een tijd lang geen oproepen meer konden behandelen. De woordvoerder van ASTRID sprak dat echter tegen.[10] Ook zou de ASTRID-software niet altijd de dichtstbijgelegen hulpdiensten selecteren omdat de kaarten die het gebruikt, en dan vooral die van de snelheidsbeperkingen, niet altijd correct zouden zijn.[11]

Toekomst[bewerken]

Geïntegreerde 112-centra[bewerken]

In de toekomst worden alle Hulpcentra 100/112 samengevoegd met de Communicatie- en Informatiecentra van de politie tot geïntegreerde 112-centra die de noodoproepen voor alle hulpdiensten (politie, brandweer en medische hulp) behandelen. In de praktijk worden de Hulpcentra 100/112 gefederaliseerd (het beheer komt ten laste van de federale overheid daar waar vroeger de gemeenten verantwoordelijk waren voor het beheer; en de operatoren krijgen een federaal personeelsstatuut), op dezelfde plaats gehuisvest als de Communicatie- en Informatiecentra en schakelen ze om naar de CAD-software van ASTRID waarmee alle Communicatie- en Informatiecentra al werken. Binnen de FOD Binnenlandse Zaken houdt het 'projectteam 112' zich bezig met het uitvoeren van de migratie. De eerste migraties startten in 2006. Anno 2013 hadden alle personeelsleden al een federaal statuut gekregen en was deze migratie voltrokken in de provincies Vlaams-Brabant, Oost-Vlaanderen, West-Vlaanderen en Namen. Eind 2013 besloot toenmalig minister van Binnenlandse Zaken Joëlle Milquet echter het 'project 112' in de koelkast te steken. De nog niet gemigreerde Hulpcentra 100/112 blijven voorlopig met de CityGIS-software werken.[12]

Eenmaal de migratie is voltooid, gebeurt de verwerking van de oproepen anders. Er werken dan namelijk twee soorten operatoren: neutrale 'calltakers' die de oproepen aannemen en de gegevens registreren en 'dispatchers' die ofwel voor de politie ofwel voor de brandweer en medische diensten de eenheden alarmeren en contact met hun blijven onderhouden tijdens de interventie. Dit is nodig omdat het personeel bij de Communicatie- en Informatiecentra politieagenten zijn en er anders problemen zouden ontstaan omtrent het medisch beroepsgeheim.[13]

Nummer 1733[bewerken]

Om de nummers 100 en 112 te ontlasten van niet-spoedeisende medische oproepen en onnodige bezoeken aan de spoedgevallendiensten van ziekenhuizen te verminderen werd het nummer 1733 in 2008 voorgesteld door toenmalig minister van Volksgezondheid Laurette Onkelinx. Het nummer 1733 voor niet-dringende medische hulp is net als het noodnummer 112 voorzien in een Europese richtlijn. Het is de bedoeling dat in de toekomst de Hulpcentra 100/112 ook de oproepen naar het nummer 1733 aannemen, een triage uitvoeren op basis van de BHMR en de patiënt ofwel doorverwijzen naar de consultatie van zijn huisarts, ofwel vragen naar een huisartsenwachtpost of spoedgevallendienst te gaan, ofwel de huisarts van wacht of de hulpdiensten ter plaatse sturen. Anno 2016 is het nummer al werkzaam in enkele regio's; daar verbindt het de patiënt door met ofwel een arts van wacht ofwel het Hulpcentrum 100/112.[14]

eCall[bewerken]

eCall is een Europees systeem in personenwagens dat wanneer het een ongeval detecteert de hulpdiensten automatisch kan alarmeren, zelfs als bestuurders en passagiers bewusteloos zijn. De Europese wetgeving verplicht de invoering van eCall voor nieuwe voertuigen vanaf 2017. België trad op 14 januari 2013 toe tot het Harmonised eCall European Pilotproject (HeERO) waarbinnen verschillende Europese lidstaten zich voorbereiden op de invoering van het Europese systeem. In België wordt een concept onderzocht waarbij er een voorafgaande filtering van de eCalls plaatsvindt om te vermijden dat de Hulpcentra 100/112 overbelast zouden worden door nodeloze oproepen. Zolang er geen pan-Europese standaard voor eCalls is bepaald en voorafgaande filtering niet kan gebeuren, krijgen private dienstverleners in België voorlopig geen toegang tot de Hulpcentra 100/112.

Andere communicatiemethoden[bewerken]

In de toekomst zouden de nummers 100, 101 en 112 bereikbaar worden via sms voor onder andere doven. In het najaar van 2016 zou ook een smartphoneapplicatie 'App112' uitgetest worden waarmee mensen direct met de Hulpcentra 100/112 zouden kunnen communiceren.[15]

Wetgeving[bewerken]

Tot 2011 werd de werking van de Hulpcentra 100/112 geregeld door de wet van 8 juli 1964 betreffende de dringende geneeskundige hulpverlening (wet DGH) en zijn uitvoeringsbesluiten.[16] De wet van 29 april 2011 houdende oprichting van de 112-centra en het agentschap 112 (wet 112) en de uitvoeringsbesluiten van die wet hieven de bepalingen uit de wet DGH op en regelen voortaan de werking van de Hulpcentra 100/112, de toekomstige geïntegreerde 112-centra en het Agenstchap 112.[17] Verder bevat ook de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie en de uitvoeringsbesluiten van die wet een aantal bepalingen rond het technisch beheer van de noodoproepen naar de Hulpcentra 100/112.[18] De wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid en de uitvoeringsbesluiten ervan regelen ook een aantal aspecten van de Hulpcentra 100/112 met betrekking tot de alarmering van de brandweerdiensten en de rampenplannen.[19] Ten slotte regelt de wet van 8 juni 1998 betreffende de radiocommunicatie van de hulp- en veiligheidsdiensten de oprichting van het ASTRID-netwerk.[20]

Trivia[bewerken]

  • Gedurende maart en april 2016 was de zevendelige televisiereeks De noodcentrale te zien op Eén, waarin het werk van de Hulpcentra 100/112 en de Communicatie- en Informatiecentra van de politie in beeld werd gebracht.

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]