Dringende Geneeskundige Hulpverlening

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

De Dringende Geneeskundige Hulpverlening (DGH) (in het Frans: Aide Médicale Urgente oftewel AMU) is het systeem in België dat georganiseerd is om aan alle zieken en gewonden die dringende medische hulp nodig hebben permanent een snelle verzorging te verzekeren. De Dringende Geneeskundige Hulpverlening steunt hiervoor op drie grote pijlers: de Hulpcentra 100/112, de interventiediensten (ambulances, PIT-teams en MUG-teams) en de spoedgevallendiensten van ziekenhuizen die als een keten functioneren: de DGH-keten. Er wordt ook wel naar de Dringende Geneeskundige Hulpverlening verwezen als de "dienst 112" of (in de volksmond) "de honderd" vanwege het oude noodnummer 100.

De Dringende Geneeskundige Hulpverlening mag niet verward worden met Dringende Medische Hulp (DMH); de financiële tussenkomst voor medische verzorging waar mensen die illegaal in België verblijven recht op hebben.

Geschiedenis[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Geschiedenis van de Dringende Geneeskundige Hulpverlening voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Eerste stappen[bewerken]

De eerste mijlpaal in de Dringende Geneeskundige Hulpverlening was de oprichting van het Internationale Rode Kruis in 1863 en de oprichting van de Belgische afdeling van het Rode Kruis in 1864. Tijdens de Eerste Wereldoorlog kwam vervolgens de term 'ambulance' in gebruik voor de voertuigen die gewonden van het slagveld afvoerden. Tijdens het interbellum, onder andere door de opkomende motorisering, begon ook het burgerlijk ziekenvervoer. Na de Tweede Wereldoorlog te hebben doorgemaakt bleef veel militair materieel achter in België waaronder een aantal militaire ambulances. Een deel hiervan kwam in het burgerlijk ziekenvervoer terecht. In het kader van het naoorlogse schadeherstel droeg Duitsland ook een aantal ambulances over aan België. Tot in de jaren 50 echter bleef de dringende medische hulp vooral in handen van de huisarts, die indien nodig patiënten zelf naar een ziekenhuis voerde.

Jaren 50[bewerken]

In de jaren 50 ontstond een echt begin van georganiseerde hulpverlening. Een aantal ziekenhuizen gelieerd aan Commissies voor Openbare Onderstand (COO's) en ziekenfondsen organiseerden zelf ziekenvervoer. Door het toenemende autoverkeer nam ook het aantal verkeersongevallen gestaag toe. Verder deed ook een epidemie van polio de ronde in die tijd, met een besmettingspiek rond 1955–1956. Omdat een besmetting met polio een dringende ziekenhuisopname vereiste werd een nationaal netwerk van ziekenvervoer opgezet. België werd verdeeld in een dertigtal sectoren met elk hun eigen ambulance. Deze ambulances werden oogluikend ook gebruikt voor het dringend vervoer van verkeersslachtoffers. Onder druk om de hulp aan ongevalsslachtofers te verbeteren kwam in 1958 een wet die de dringende medische hulp toewees aan de Commissies voor Openbare onderstand. Niet alle COO's konden deze taak echter aan.

In 1958 nog werden daarom gestart met de uitbouw van een nationaal systeem van hulpverlening. Voor heel België werd het noodnummer '900' ingevoerd voor dringende medische hulp. Er werden zestien Hulpcentra 900 opgericht die voor één of meerdere telefoonzones de noodoproepen naar dit nummer aannamen en een ambulance ter plaatse stuurden. In 1959 werd het eerste Hulpcentrum 900 operationeel en in 1963 het laatste. Het Ministerie van Volksgezondheid werkte aan het netwerk van ambulances om deze oproepen te beantwoorden. Alle polioambulances en reserveambulances van de Civiele Bescherming werden in het 900-netwerk opgenomen. Het Ministerie kocht ook zelf ambulances aan die het in bruikleen overdroeg aan verschillende ambulancediensten over het land.

Jaren 60[bewerken]

In de jaren 60 vonden heel wat ontwikkelingen plaats in de Dringende Geneeskundige Hulpverlening. Zo waren er verschillende experimenten met helikoptervervoer, die echter zonder gevolg werden stopgezet. Op 8 juli 1964 kwam er een nieuwe wet die de dringende hulpverlening afstemde op het nieuwe 900-systeem. Rond 1965–1966 werd een radionetwerk ontwikkeld voor de ambulancediensten en deed een nieuw type ambulance, de 'reanimatiewagen', zijn intrede. Deze ambulances konden meer patiënten en medisch materieel vervoeren en moesten de kwaliteit van de hulpverlening verhogen. Voor deze reanimatiewagens werd samengewerkt met ziekenhuizen om geschoold medisch personeel ter beschikking te hebben. Als antwoord op de brand in de Innovation in Brussel in 1967 werd de werking van de brandweerdiensten vastgelegd. Afhankelijk van hun categorie moesten brandweerdiensten een aantal ambulances uitbaten. Het Ministerie van Volksgezondheid leverde bijkomende inspanningen om aan de grotere vraag naar ambulances te kunnen voldoen. Eind jaren 60 waren er zo 492 ambulances ingeschakeld in het 900-netwerk en waren er 189 ziekenhuizen erkend om in het kader van de Dringende Geneeskundige Hulpverlening patiënten op te nemen.

Jaren 70[bewerken]

Er vonden interessante evoluties plaats begin jaren 70 in zowel in Brussel, waar alle aparte brandweerkorpsen werden samengevoegd in één korps voor de Agglomeratie Brussel, als in Brugge, waar dr. Paul Lust van het Sint-Jansziekenhuis een voortrekkersrol speelde met de oprichting van het Instituut voor Medische Dringende Hulpverlening (IMDH) en de organisatie van een apart medisch interventievoertuig (een MUG-voorloper). Ook kwamen er begin jaren 70 'snelle hulpwagens' bij de brandweer met hydraulisch reddingsmaterieel om de hulp aan beknelde ongevalsslachtoffers te verbeteren. In 1973 kwam er inzake helikoptervervoer een nieuwe proef met helikopters van de Rijkswacht. Uiteindelijk kwam er een officiële regeling rond de Helihulp/Heli-Secours waarbij de Civiele Bescherming één helikopter zou uitbaten. Deze Helihulp ondervond toch nog steeds een aantal problemen.

In 1973 werden verder de bestaande reanimatiewagens geïnventariseerd, waarbij duidelijk werd dat de reanimatiewagens nog steeds tekortschoten qua beschikbaarheid. Het Ministerie van Volksgezondheid introduceerde een aantal nieuwe reanimatiewagens. Daarnaast begon duidelijk te worden dat het belangrijker was gespecialiseerde hulp zo snel mogelijk bij de patiënt te krijgen dan de patiënt in het ziekenhuis. De reanimatiewagens moesten vanuit de brandweer medisch personeel ophalen bij het ziekenhuis om dan naar de patiënt te rijden, waarbij kostbare tijd verloren ging. Om de aanrijtijden te verbeteren introduceerde het Ministerie enkele interventiewagens die bij ziekenhuizen zelf gestationeerd waren en gespecialiseerde hulp rechtstreeks ter plaatse brachten. Dit was het prille begin van de Mobiele Urgentiegroepen (MUG's).

Er werden ook veranderingen doorgevoerd aan het uiterlijk van de ambulances. Het Rode Kruissymbool verdween en om de zichtbaarheid te verbeteren kwamen er in 1975 ambulances met een fluorode band op de zijflanken en achterkant. Het concept zelf; dat ambulances twee liggende patiënten en eventueel één zittende patiënt gelijktijdig konden vervoeren bleef wel gehandhaafd. Vanaf 1976 werden tevens verbeteringen ingevoerd aan de ambulances van Volkswagen, zoals nieuwe brancards met een openklappend onderstel. De inrichting van deze ambulances zou voortaan ook in België gebeuren. Ten slotte werd in 1978 verplicht dat alle ambulanciers over een 900-badge moesten beschikken. Daarvoor moesten ze onder andere minstens twintig lesuren opleiding volgen. Hiermee kwamen de eerste verplichte opleidingsvereisten voor ambulanciers. Wel stond deze opleiding nog achter op die in andere West-Europese landen.

Jaren 80[bewerken]

Tegen de jaren 80 was het noodnummer 900 welbekend en werkte de Dringende Geneeskundige Hulpverlening vlot. Toch kwamen er nog tal van vernieuwingen. Zo werd in de Hulpcentra 900 de oude apparatuur vervangen door nieuwe meldtafels. Er kwamen ook beter zichtbare uniforms voor ambulanciers. Omdat het Ministerie van Volksgezondheid door toedoen van een economische crisis moest besparen werden er ook uiterlijke veranderingen aan de ambulances doorgevoerd. Het concept van de ambulances was echter stilaan verouderd. In plaats van 'zo snel mogelijk naar het ziekenhuis' was de focus al verschoven naar 'de patiënt stabiliseren ter plaatse' maar de klassieke ambulances waren hieraan niet aangepast. Ze waren te klein om medische handelingen in uit te voeren. Daarom deden nieuwe ambulances met een verhoogd dak hun intrede. Deze kregen de naam 'micro-rea' alhoewel het geen reanimatiewagens waren. In 1986 werd tevens de Helihulp stopgezet. Enkele initiatiefnemers waren in 1985 met een andere helikopterdienst begonnen, maar deze werd ook uiteindelijk geweerd uit de Dringende Geneeskundige Hulpverlening. Daarnaast richtten andere ziekenhuizen in navolging van de eerste MUG's hun eigen medische interventieteams op.

Tijdens de jaren 80 vonden ook een aantal grote rampen plaats die een impact hadden op de Dringende Geneeskundige Hulpverlening. Zo vond er in april 1982 een explosie plaats in Schaarbeek waarbij een twintigtal slachtoffers met ernstige brandwonden vielen. De ziekenhuizen konden deze toevloed van zwaargewonde slachtoffers niet aan, waarop het Militair Hospitaal Koningin Astrid zijn hulp aanbood. Na deze samenwerking werden er ook afspraken gemaakt rond een permanente deelname van het ziekenhuis aan de Dringende Geneeskundige Hulpverlening. Op 29 mei 1985 vond het Heizeldrama plaats bij de finalewedstrijd voor de Europacup I waarbij door massapaniek 29 doden en honderden gewonden vielen. Begin dat jaar was het eerste officiële rampenplan voor Brussel tot stand gekomen, waardoor snel vele hulpverleners ter plaatse waren. Toch waren er nog gebreken in de hulpverlening, waaronder in de communicatie tussen hulpverleners. Naar aanleiding van het Heizeldrama werden rampenplannen nationaal ingevoerd en werd het Hoger Instituut voor de Noodplanning gesticht. Op 6 maart 1987 ten slotte kapseizde de Britse veerboot de Herald of Free Enterprise waarbij vele slachtoffers in het ijskoude zeewater terechtkwamen. De provinciegouverneur kondigde het toen nieuwe rampenplan af en dankzij de inspanningen van de hulpdiensten bleef het aantal doden beperkt tot 193 van de 600 opvarenden. Toch kwamen opnieuw communicatieproblemen naar voren, waardoor radioamateurs een speciaal netwerk opzetten voor de hulpdiensten. Naar aanleding van zowel het Heizeldrama als de ramp met de Herald of Free Enterprise werd er gekeken hoe de communicatie tussen de verschillende hulpdiensten kon verbeterd worden, wat later resulteerde in de oprichting van het A.S.T.R.I.D.-netwerk.

Regionaal kon de organisatie van de Dringende Geneeskundige Hulpverlening sterk verschillen. Vaak waren meerdere diensten (brandweer, ziekenhuizen, privébedrijven, ...) actief in het dringend ziekenvervoer. In Antwerpen was er zo SIWHA, Ambuce en Ambulite. In het gebied rond Luik en Luxemburg waren ook meerdere privébedrijven actief. In Waals-Brabant werd ACS Rescue System opgericht, dat buiten dringend ziekenvervoer ook preventie en opleidingen verzorgde en over speciale interventievoertuigen beschikte. Aan de Kust werd aan Oostende een eigen Hulpcentrum 900 geweigerd en kwam in 1979 de Intercommunale Kustreddingsdienst West-Vlaanderen (IKWV) tot stand.

Eind oktober 1987 veranderde de Regie voor Telegraaf en Telefoon (RTT; tegenwoordig Proximus) de noodnummers 900 (brandweer en medische hulp), 901 (rijkswacht) en 906 (gemeentepolitie) in 100 (brandweer en medische hulp) en 101 (zowel voor de rijkswacht als voor de gemeentepolitie).

Jaren 90[bewerken]

-

Aanslagen Parijs en Brussel[bewerken]

Nieuwe voertuigmarkeringen binnen de DGH (verplicht voor alle voertuigen vanaf 2021).
Nieuwe Mobile Intensive Care Unit van het UZA met Battenburgpatroon (2018).

Naar aanleiding van de terreuraanslagen op 13 november 2015 in Parijs en op 22 maart 2016 in Brussel voerde de federale overheid een analyse uit van het functioneren van de hulpdiensten tijdens aanslagen. Het belangrijkste aandachtspunt dat naar voren kwam was de herkenbaarheid van de medische hulpverleners en hun voertuigen, zodat men makkelijk zou herkennen welke hulpverleners bevoegd zijn om dringende hulp te verlenen. Er werd een protocolakkoord afgesloten tussen de federale overheid en de deelstaten op de Interministeriële Conferentie Volksgezondheid om dezelfde uiterlijke kenmerken voor voertuigen en dezelfde uniforms voor medische hulpverleners toe te passen. Het koninklijk besluit met de nieuwe uiterlijke kenmerken voor voertuigen binnen de DGH werd op 12 november 2017 gepubliceerd.[1][2]

Concreet krijgen ambulances voor niet-dringend vervoer een witte basiskleur, terwijl voertuigen binnen de DGH hun gele basiskleur behouden. Beide types voertuigen worden voorzien van retroreflecterende signalisatie, waaronder contourmarkeringen, een groen-geel Battenburgpatroon op de zijkanten en een oranje-geel visgraatpatroon op de achterkant (gelijkaardig aan Engelse ambulances). Daarmee zou de traditionele rode streep op de zijkanten en achterkant van DGH-voertuigen verdwijnen, na tientallen jaren in voege te zijn geweest. Prioritaire signalen (blauwe knipperlichten en sirene) worden voorbehouden aan voertuigen binnen de DGH en ambulances voor niet-dringend vervoer die soms ook dringende opdrachten uitvoeren. Deze laatsten mogen de prioritaire signalen enkel gebruiken na goedkeuring door het bevoegde Hulpcentrum 100/112 of de medische dispatching, en moeten dezelfde uitrusting en bemanning hebben als ambulances binnen de DGH. Ambulances enkel voor niet-dringend vervoer mogen geen blauwe lichten of sirene hebben. Elk voertuig wordt ook voorzien van een uniek identificatienummer, dat ook op het dak wordt aangebracht. Ook de interventiekledij voor de medische hulpverleners wordt gestandaardiseerd. Alle hulpverleners krijgen eenzelfde geel-blauw uniform, met verschillende kleuren voor de Star of Life afhankelijk van hun functie: rood voor artsen, groen voor verpleegkundigen, blauw voor hulpverlener-ambulanciers en zilver voor ambulanciers.[3][4]

De federale regering trekt 3,8 miljoen euro uit voor de aanpassingswerken die nodig zullen zijn aan de hulpverleningsvoertuigen binnen de DGH. De nieuwe uiterlijke kenmerken zijn verplicht voor nieuwe voertuigen vanaf 2018 en zullen voor alle in gebruik zijnde DGH-voertuigen verplicht zijn vanaf 2021. Er is met de deelstaten een overgangstermijn van vijf jaar afgesproken waarbinnen zij de nieuwe voorschriften moeten opnemen binnen de toepasselijke erkenningsnormen voor ziekenhuizen en het niet-dringend ziekenvervoer. De eerste ambulance in Vlaanderen met de nieuwe uiterlijke kenmerken werd voorgesteld op 21 juli 2017 op het nationaal defilé in Brussel en daarna in gebruik genomen door de brandweer van Oostende.[5]

DGH-keten[bewerken]

Hulpcentra 100/112[bewerken]

Noodoproepen[bewerken]

Wanneer iemand naar het noodnummer 100 of 112 belt, wordt hij doorverbonden met het zogenaamd 'eenvormig oproepcentrum'; het Hulpcentrum 100/112 (HC-100/112) van de provincie waarin hij zich bevindt. Het Hulpcentrum 100/112 is de meldkamer oftewel noodcentrale voor alle dringende brandweer- en medische hulp. Er is een Hulpcentrum 100/112 voor elke provincie en voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (behalve voor de provincie Waals-Brabant, dat nog steeds geen eigen Hulpcentrum 100/112 heeft). Met welk Hulpcentrum 100/112 de beller doorverbonden wordt hangt af van de plaats van de gsm-mast of de telefoonzone van waaruit de beller belt. Zo is het mogelijk dat een beller in het grensgebied van een provincie met het Hulpcentrum 100/112 van een andere provincie wordt doorverbonden.

Werking Hulpcentra 100/112[bewerken]

In het Hulpcentrum 100/112 neemt een operator (officieel genaamd 'aangestelde') de noodoproepen aan. Indien een noodoproep niet tijdig wordt aangenomen, krijgt de beller een bandopname te horen die vraagt om aan de lijn te blijven. Als de noodoproep na enkele minuten nog steeds niet is aangenomen wordt de verbinding automatisch verbroken om de noodlijnen vrij te houden. De operator neemt de noodoproepen aan volgens bepaalde procedures. De belangrijkste informatie de operator probeert te verkrijgen is wat er precies aan de hand is, de plaats van de noodsituatie en hoeveel mensen er gewond of in gevaar zijn. De operator kan ook al eerste hulpinstructies geven in afwachting van de hulpdiensten. Het Hulpcentrum 100/112 verwittigd vervolgens de dichtstbijzijnde diensten die ter plaatse moet komen, afhankelijk van de aard van de noodsituatie, zoals een ambulance, een Paramedisch Interventieteam (PIT) of een Mobiele Urgentiegroep (MUG). Daarvoor maakt het Hulpcentrum 100/112 gebruik van CAD-software. Het Hulpcentrum 100/112 heeft ook de bevoegdheid een arts op te vorderen. De arts of hulpdiensten die door het Hulpcentrum 100/112 opgeroepen worden moeten de hulpopdracht uitvoeren; zij kunnen niet weigeren van ter plaatse te gaan mits enkele uitzonderingen.

Het Hulpcentrum 100/112 is tevens bevoegd om bij grote incidenten formeel het Medisch Interventieplan (MIP) af te kondigen. Enkele mensen zoals de Federale Gezondheidsinspecteur (FGI) of de eerste MUG-arts ter plaatse zijn tevens bevoegd om te vragen het MIP af te kondigen. Bij de afkondiging van het MIP stelt het Hulpcentrum 100/112 onder andere de Snel Inzetbare Middelen van het Rode Kruis en de Directeur Medische Hulpverlening (Dir-Med) op de hoogte en zendt het de benodigde hulpdiensten ter plaatse. Er zijn drie niveaus qua alarmering: MIP, Uitgebreid MIP en Maxi MIP. Elk hebben hun eigen criteria voor afkondiging en vereisen dat een bepaald minimum aan actoren en middelen gealarmeerd wordt. Naast de alarmering staat het Hulpcentrum 100/112 ook in voor de communicatie tussen de ingezette middelen. Ook alarmeert het de betrokken ziekenhuizen zodat deze intern de nodige voorbereidingen kunnen treffen. Om een optimale communicatie te verzekeren, kan een operator van het Hulpcentrum 100/112 als Coördinator Liaison HC 100/112 ter plaatse ter beschikking worden gesteld van de Dir-Med.

Alle Hulpcentra 100/112 beschikken over een medische directie en een verpleegkundige-regulator die het personeel bijstaat. De Hulpcentra 100/112 worden beheerd door de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken. De Federale Overheidsdienst Volksgezondheid heeft evenwel inbreng wat de medische aspecten betreft. In de toekomst is voorzien dat de Hulpcentra 100/112 samengevoegd worden met de Communicatie- en Informatiecentra (CIC's) van de politie. Dit zijn de meldkamers waar alle noodoproepen naar het noodnummer 101 aangenomen worden. Zo zou er voor elke provincie en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest één 112-centrum komen dat alle noodoproepen zou behandelen. Om deze overgang te faciliteren en alle 112-centra te beheren is in 2004 het Agentschap 112 opgericht onder de FOD Binnenlandse Zaken.

Interventiediensten[bewerken]

Ambulance van het Militair Hospitaal Koningin Astrid (2018).
Ambulances (2018).
MUG-voertuigen (2018).
Spreiding van MUG-diensten in Vlaanderen (2016).
Voertuigen First Intervention Team van het Rode Kruis (2018).

Ambulance[bewerken]

Ambulances zijn de voertuigen die uitgerust zijn en instaan voor het verstrekken van de eerste zorgen aan patiënten en hun vervoer naar een ziekenhuis. Ambulancediensten worden ofwel door een openbare overheid beheerd ofwel zijn het private ambulancediensten die door de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid erkend zijn om deel te nemen aan de Dringende Geneeskundige Hulpverlening. De meeste ambulances worden beheerd door brandweerdiensten, maar ook ziekenhuizen, het Rode Kruis of privébedrijven beheren ambulances. Elke ambulance moet bemand worden door minstens twee erkende hulpverlener-ambulanciers. De kosten voor het vervoer per ambulance zijn ten laste van de vervoerde patiënt en zijn wettelijk vastgelegd. Ze zijn onder andere afhankelijk van de afgelegde afstand. De verplichte ziekteverzekering betaalt een deel van de kost terug. Indien een patiënt de rekening niet betaalt, betaalt het Fonds voor Dringende Geneeskundige Hulpverlening (FDGH) de interventiekosten aan de ambulancedienst en vordert het Fonds deze kosten terug van de patiënt. Naast de facturering aan de patiënt ontvangen de ambulancediensten ook subsidies van de federale overheid. De Federale Gezondheidsinspecteur controleert of de ambulancediensten voldoen aan de normen.

Op een bijzondere ministerraad in het thema van veiligheid in mei 2017 is besloten de organisatie en financiering van de ambulancediensten te hervormen. Het nieuwe financieringsmodel zou een verhoging inhouden van de federale permanentiesubsidie die elke ambulancedienst krijgt. De facturering per afgelegde afstand zou verdwijnen omdat het mensen in dun bevolkte gebieden zou benadelen en vervangen worden door een ander systeem van facturering. Ook zou er een systeem van kwaliteitsevaluatie komen en nieuwe kwaliteitscriteria omtrent de ambulancevoertuigen, hun uitrusting en het ambulancepersoneel. In een volgende fase zou er een programmering komen van welke en hoeveel ambulances waar precies nodig zijn, en waarbij de overheid de garantie vraagt dat in 90 procent van alle oproepen de ambulance binnen de 15 minuten ter plaatse is. Daarbij zou ook aandacht gaan naar dunbevolkte gebieden. De hervormingen zouden in 2018 van start gaan.[6]

Mobiele Urgentiegroep[bewerken]

De Mobiele Urgentiegroepen (MUG's) fungeren als een verlengstuk van het ziekenhuis en bieden gespecialiseerde dringende zorgen aan patiënten met ernstige en levensbedreigende problemen. Het team van de MUG bestaat minstens uit een gespecialiseerde arts en een verpleegkundige met de bijzondere beroepstitel in de intensieve zorg en spoedgevallenzorg. De MUG wordt opgeroepen door ofwel het Hulpcentrum 100/112 indien uit de noodoproep blijkt dat er mogelijk sprake is van levensgevaar, ofwel door ambulanciers ter plaatse als die menen dat bijstand van de MUG noodzakelijk is. De MUG wordt ter plaatse gestuurd om medische bijstand te bieden aan een ambulance; zelf vervoert de MUG geen patiënten. Enkel ziekenhuizen die over een erkende gespecialiseerde spoedgevallendienst beschikken kunnen ook een MUG beheren. Naast de MUG's die zich via een voertuig over de weg verplaatsen, zijn er in België ook twee MUGH's oftewel MUG-helikopters. Deze vervoeren een patiënt wél zelf, in tegenstelling tot de MUG's over de weg. De ene staat gestationeerd in Brugge, de andere in Bra-sur-Lienne. In Brugge vindt tevens een proef plaats met het AZ Sint-Jan en het AZ Sint-Lucas waarbij beide ziekenhuizen over een PIT beschikken. Deze PIT kan bijkomend bemand worden met een MUG-arts waardoor de PIT als PIT+ oftewel MUGP uitrukt.[7] Alle MUG's beschikken over een gsm om contact te kunnen opnemen met artsen en ziekenhuizen. De MUG's worden erkend door de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid; de Federale Gezondheidsinspecteur controleert of ze voldoen aan de normen.

Paramedisch Interventieteam[bewerken]

Sinds 2007 bestaan er ook zogenaamde Paramedische Interventieteams (PIT's). De PIT's zijn in feite ambulances die in plaats van twee hulpverlener-ambulanciers een hulpverlener-ambulancier en een verpleegkundige met de bijzondere beroepstitel in de intensieve zorg en spoedgevallenzorg aan boord hebben. Ze fungeren daarmee als tussenniveau tussen ambulance en MUG. Net als een MUG staat een PIT bij de spoedgevallendienst van een ziekenhuis gestationeerd. De spoedverpleegkundige mag aan de hand van vooraf opgestelde procedures, de zogenaamde 'staande orders', zelfstandig enkele medische handelingen uitvoeren, zoals patiënten intuberen of bepaalde geneesmiddelen toedienen, die normaalgezien aan artsen zijn voorbehouden. Ambulanciers mogen dergelijke handelingen niet uitvoeren. Voor elke PIT is een referentiearts verantwoordelijk. Alle PIT's beschikken over een gsm om ter plaatse contact op te kunnen nemen met deze referentiearts voor ondersteuning. Sommige PIT's, zoals die van het UZ Brussel, beschikken ook over apparatuur voor telegeneeskunde waarmee vanuit de ambulance gecommuniceerd kan worden met een arts uit hun ziekenhuis of hun referentiearts.[8]

Rode Kruis[bewerken]

In het kader van het Medisch Interventieplan heeft de FOD Volksgezondheid een overeenkomst met het Rode Kruis. Het Rode Kruis staat bij deze gebeurtenissen in voor medische en logistieke ondersteuning door middel van de Snel Inzetbare Middelen (SIM's) die hulp bieden bij de opbouw en bestaffing van een Vooruitgeschoven Medische Post (VMP), ondersteunende ambulances wanneer de reguliere ambulancediensten binnen de Dringende Geneeskundige Hulpverlening overbelast zijn en hulp bij de psychosociale opvang. Lokale afdelingen van het Rode Kruis kunnen tevens een ambulancedienst beheren die in de reguliere werking van de Dringende Geneeskundige Hulpverlening is ingeschakeld.[9]

Radiocommunicatie[bewerken]

Alle ambulances, MUG's en PIT's beschikken over radiocommunicatiemiddelen voor het ASTRID-netwerk om met de Hulpcentra 100/112 te kunnen communiceren. Het ASTRID-netwerk is gebaseerd op de TETRA-standaard en is opgericht na gebreken in de communicatie van de hulpdiensten bij het Heizeldrama en de ramp met de Herald of Free Enterprise. Naast de Hulpcentra 100/112 en de medische hulpdiensten zijn ook de politie, de brandweer, de Civiele Bescherming, het Belgisch leger en enkele andere diensten op het ASTRID-netwerk aangesloten.

Ziekenhuizen[bewerken]

Spoedgevallendienst van de Brusselse Kliniek Sint-Jan.

Als na de nodige eerste zorgen ter plaatse verdere zorgen in een ziekenhuis nodig blijken, brengt de ambulance of PIT, eventueel onder begeleiding van de MUG, de patiënt over naar het ziekenhuis. De wet- en regelgeving bepaalt dat patiënten enkel naar een ziekenhuis met een erkende spoedgevallendienst (functie "gespecialiseerde spoedgevallenzorg") mogen gebracht worden. Patiënten worden steeds overgebracht naar de spoedgevallendienst die het Hulpcentrum 100/112 aanduidt (patiënten hebben dus geen keuzevrijheid). In regel is dat de dichtstbijzijnde spoedgevallendienst; hierop bestaan echter enkele uitzonderingen. Zo kan een MUG-arts bepalen dat een patiënt bepaalde gespecialiseerde zorgen nodig heeft die niet in het dichtstbijzijnde ziekenhuis kunnen worden geleverd, en dus naar een ander gespecialiseerd ziekenhuis moet worden overgebracht. In het kader van het Medisch Interventieplan kan ook bepaald worden dat patiënten naar een ander verdergelegen ziekenhuis moeten worden afgevoerd om zo alle patiënten te spreiden. Het Hulpcentrum 100/112 verwittigt een spoedgevallendienst vooraf wanneer de hulpdiensten ernaar onderweg zijn met een patiënt. Spoedgevallendiensten zijn wettelijk verplicht de patiënten op te vangen die er door de hulpdiensten heen zijn gevoerd. De overdracht van de patiënt aan de spoedgevallendienst beëindigt de opdracht van de Dringende Geneeskundige Hulpverlening.

Strategische voorraden[bewerken]

De FOD Volksgezondheid beheert een strategische voorraad van een aantal geneesmiddelen en vaccins tegen onder andere griep, pokken, bacteriële ziektes gelinkt aan bioterrorisme en enkele chemische gevaren die in noodsituaties kunnen ingezet worden.

Overlegorganen[bewerken]

Op nationaal niveau is er de Nationale Raad voor Dringende Geneeskundige Hulpverlening (opgericht in 1994) die de minister van Volksgezondheid adviseert over de werking van de Dringende Geneeskundige Hulpverlening, gegevens registreert over deze werking en de kwaliteit van de hulpverlening toetst. Deze Raad is samengesteld uit vertegenwoordigers van de verenigingen van onder andere huisartsen, urgentieartsen, verpleegkundigen, ambulanciers, de Hulpcentra 100/112 en het Rode Kruis.[10] Per provincie is er ook een Provinciale Commissie voor Dringende Geneeskundige Hulpverlening (PCDGH) die wordt voorgezeten door een Federale Gezondheidsinspecteur. Deze Commissies bestaan uit de vertegenwoordigers van het provinciale Hulpcentrum 100/112, de ambulancediensten, de spoedgevallendiensten, de MUG's, de huisartsenwachtdiensten, het Rode Kruis en de provinciegouverneur. Ze houden toezicht op de werking van de Hulpcentra 100/112 en de ambulanciersopleiding in de provinciale ambulanciersscholen en overleggen over de medische preventiemaatregelen bij risicomanifestaties en de algemene werking van de Dringende Geneeskundige Hulpverlening in hun gebied.

Wetgeving[bewerken]

De belangrijkste wet die de Dringende Geneeskundige Hulpverlening regelt is de wet van 8 juli 1964 betreffende de dringende geneeskundige hulpverlening (wet DGH). Deze wet is sinds 1964 al enkele keren aangepast en heeft meer dan honderd uitvoeringsbesluiten die de praktische toepassing ervan in de realiteit regelen.[11] Daarnaast regelen de wet van 29 april 2011 houdende oprichting van de 112-centra en het agentschap 112 (wet 112) en de uitvoeringsbesluiten van die wet de werking van de Hulpcentra 100/112, de toekomstige geïntegreerde 112-centra en het Agenstchap 112. Deze wet hief de bepalingen rond de Hulpcentra 100/112 (de zogenaamde 'eenvormige oproepcentra') uit de wet DGH op.[12] Verder bevat ook de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie en de uitvoeringsbesluiten van die wet een aantal bepalingen rond het technisch beheer van de noodoproepen naar de Hulpcentra 100/112.[13] Ten slotte regelt de wet van 8 juni 1998 betreffende de radiocommunicatie van de hulp- en veiligheidsdiensten de oprichting van het ASTRID-netwerk.[14]

Secundair ambulancevervoer[bewerken]

Ambulances van het Rode Kruis voor (rechts) dringend en (links) niet-dringend vervoer (2018).

Onder het secundair (ook wel 'niet-dringend') ambulancevervoer verstaat men het vervoer dat buiten de Dringende Geneeskundige Hulpverlening (112-opdrachten) valt, zoals bijvoorbeeld repatriëringen, geplande ziekenhuistransporten of aangevraagd ambulancevervoer. De benaming is echter verraderlijk: secundaire ziekenwagens doen nu en dan wel spoedritten, al vallen deze buiten het 112-vervoer. Voorbeelden daarvan zijn spoedtransfers tussen ziekenhuizen of een plotseling verslechterde toestand van een patiënt tijdens een gepland vervoer.

Secundaire ambulances worden, net zoals 112-ziekenwagens, altijd bemand door twee ambulanciers. Deze ambulanciers zijn gecertificeerde EHBO'ers en hebben meestal een medische achtergrond (bijvoorbeeld studenten geneeskunde, verpleegkundigen of bedrijfshulpverleners). De ambulanciers worden bekwaam geacht om de toestand van een patiënt correct te kunnen inschatten zodanig dat zij indien nodig tijdig de hulp kunnen inschakelen van het 112-systeem of een eventueel gepland vervoer prioritair kunnen verderzetten. Secundaire ziekenwagens beschikken over een basisuitrusting voor het verlenen van eerste hulp, daaronder vallen een zuurstoftank, een defibrilator, wondverzorgingsmateriaal, zuurstof - en beademingsmaskers en middelen voor het nagaan van de medische parameters.

Voor het niet-dringend ziekenvervoer wordt er vooral beroep gedaan op private ziekenwagendiensten. Deze tak valt immers niet onder de Dringende Geneeskundige Hulpverlening en is dus niet zozeer een aangelegenheid van de brandweer en de ziekenhuizen.

De kwaliteit van dit ambulancevervoer is er sinds 2016 beduidend op vooruit gegaan. Daar waar het eerste decreet van de Vlaamse Regering omtrent het secundair ambulancevervoer in 2004 vooral steunde op zelfregulering, zijn er sinds juni 2016 nieuwe kwaliteitsnormen waaraan alle secundaire ziekenwagendiensten dienen te voldoen. Ambulancediensten laten zich op basis van deze kwaliteitsnormen accrediteren en dat garandeert hun bestaansmogelijkheid. Ziekenfondsen werken voortaan immers alleen nog samen met geaccrediteerde diensten. Om de kwaliteitsopmars in stand te houden, staan er nog een aantal nieuwe veranderingen gepland. Zo zal de opleiding van secundaire ambulanciers uitgebreid worden (qua niveau vergelijkbaar met dat van de DGH-opleiding) en de secundaire ziekenwagens zullen een eigen striping krijgen, daar waar het grootste gedeelte van de wagens dezelfde striping als de 112-wagens heeft.

Trivia[bewerken]

Zie ook[bewerken]