Ambulance

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Ambulance uit de veiligheidsregio Gelderland-Zuid (2013).
Ambulance van de Antwerpse brandweer.
Ambulance van het merk Chevrolet in San Nicolaas (Aruba).
Duitse operatiewagen (1957).

Een ambulance (ook wel ziekenwagen of ziekenauto genoemd) is een voertuig om medische hulpverleners te vervoeren naar een plaats waar behoefte is aan spoedeisende hulp en om slachtoffers of patiënten te vervoeren naar een ziekenhuis. Een ambulancedienst is een organisatie die ambulances met deskundige hulpverleners beschikbaar heeft en deze op afroep inzet.

Etymologie[bewerken]

De term 'ambulance' komt van het Latijnse woord 'ambulare', wat 'lopen' of 'reizen' betekent. In het Franse leger werd het woord gebruikt voor een verplaatsbaar veldhospitaal ('hôpital ambulant'), wat afgekort werd tot 'ambulance'. De vervoersmiddelen voor gewonden zelf werden echter 'voitures de transport de blessés' genoemd (later 'voitures sanitaires'). Tegen het begin van de 20e eeuw had het Britse leger de term 'ambulance' overgenomen, maar kende het er een bredere betekenis aan toe. In het begin van diezelfde eeuw deed tevens de motorisering zijn intrede. Zo kregen de opkomende automobielen voor gewondenvervoer al snel de naam 'ambulance'. De Eerste Wereldoorlog zorgde vervolgens voor de wereldwijde verspreiding van het begrip.

Geschiedenis[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie ook Geschiedenis van de Dringende Geneeskundige Hulpverlening voor het hoofdartikel over dit onderwerp voor België

In de 15e eeuw was het Spaanse leger het eerste leger dat een veldhospitaal voorzag. Een ambulance sloeg oorspronkelijk op een (met behulp van paard en wagen verplaatsbaar) dergelijk veldhospitaal. De voertuigen voor gewondentransport van het slagveld zelf (meestal een simpele kar met draagberrie) hadden een andere naam. Het Britse leger verruimde de betekenis van de term naar ook de voertuigen. Bij de opkomende motorisering in het begin van de 20e eeuw deden de eerste gemotoriseerde voertuigen voor gewondenvervoer hun intrede. Vaak waren dit nog steeds rudimentaire vervoersmiddelen; met name kleine vrachtwagens met eenvoudige berries. Na de afloop van de Eerste Wereldoorlog kwam het transport van personen en goederen weer op gang. Ambulances waren ook niet langer een privilege van legereenheden; ze werden steeds meer ook voor burgerdoelen ingezet.[1]

Uitrusting[bewerken]

Een Japanse ambulance (kyuu-kyuusha, 救急車) beschikt over moderne technologie zoals automatische spraakvoorziening wanneer de ambulance wilt uitrukken of waarschuwen (bijvoorbeeld: 'De ambulance slaat rechtsaf, maak ruimte').

Een ambulance is uitgerust met medische apparatuur en medicatie voor het verlenen van professionele eerste hulp. De ambulance kan gezien worden als een rijdende spoedafdeling, waar een diagnose wordt gesteld en een behandeling wordt gestart. Doel van de behandeling is de patiënt stabiel te maken zodat deze veilig vervoerd kan worden naar een ziekenhuis waar de verdere behandeling kan plaatsvinden. Een ambulance kan ook worden gebruikt om patiënten van het ene naar het andere ziekenhuis te vervoeren. Soms zal de ambulanceverpleegkundige de patiënt ter plekke behandelen, zodat vervoer naar een ziekenhuis niet nodig is. Niet alleen bespaart men hiermee kosten, maar neemt ook de druk af op de spoedafdelingen van ziekenhuizen.

Ambulances zijn onder andere uitgerust met ECG-apparatuur (om een zogenaamd hartfilmpje te maken), beademingsapparatuur en materiaal voor ongevalsbehandelingen zoals spalken en nekkragen. Om de patiënten veilig te vervoeren beschikt iedere ambulance over een brancard; daarnaast heeft men ook de beschikking over een wervelplank waarmee een slachtoffer goed gefixeerd kan worden wanneer letsel aan de wervelkolom vermoed wordt. Verder zijn allerhande medicijnen beschikbaar die noodzakelijk zijn om problemen met hart, longen en bloedvaten direct te behandelen. Alle Nederlandse ambulances hebben dezelfde apparatuur en medicijnen aan boord; de fabrikant van de apparatuur kan verschillen, maar de onderzoeks- en behandelmogelijkheden zijn gelijk.

Ambulancepersoneel[bewerken]

De bestaffing van ambulances en de opleiding van het ambulancepersoneel verschilt van land tot land.

Nederland[bewerken]

Ambulances in Nederland worden bemand door een ambulancechauffeur en een ambulanceverpleegkundige. De verpleegkundige heeft buiten de reguliere opleiding in het ziekenhuis diverse specialisatieopleidingen gevolgd en gewerkt op ziekenhuisafdelingen als de intensive care (algemeen en/of cardiologie), anesthesie of een spoedeisende hulpafdeling. Alle ambulanceverpleegkundigen in Nederland dienen in bezit te zijn van het SOSA-certificaat: de opleiding voor ambulanceverpleegkundigen. De ambulancechauffeurs hebben eveneens een SOSA-opleiding gevolgd, maar deze is gericht op rijvaardigheid en -techniek en medisch assisterende handelingen.

Ambulanceverpleegkundigen werken met landelijke protocollen waarin is vastgelegd welke (be)handelingen bij welke diagnose kunnen worden toegepast. In de Verenigde Staten bijvoorbeeld werkt men ook met protocollen, maar moet een arts in het ziekenhuis worden geraadpleegd alvorens men een geneesmiddel mag toedienen of een handeling mag uitvoeren. In Nederland mag iedere ambulanceverpleegkundige het protocol zonder overleg uitvoeren of er met goede reden van afwijken zonder overleg met een arts. De overheid heeft door middel van de Wet BIG vastgelegd dat ambulanceverpleegkundigen in spoedeisende omstandigheden bevoegd zijn medische handelingen te verrichten die normaliter zijn voorbehouden aan een arts. Een ambulanceverpleegkundige is geen 'halve arts' maar een verpleegkundige met gespecialiseerde kennis en bevoegdheid op het gebied van acuut noodzakelijke medische hulpverlening.

Ambulancepersoneel wordt regelmatig bijgeschoold. Dit gebeurt landelijk: iedere vijf jaar dienen alle verplichte landelijke en regionale bijscholingen te zijn bijgewoond, zoniet verliest men zijn bevoegdheid. Ook dienen zowel de chauffeur als de verpleegkundige een praktijktoets positief af te ronden.

België[bewerken]

Erkenning[bewerken]

Ambulances ingeschakeld in de Dringende Geneeskundige Hulpverlening (het 112-systeem) moeten bemand worden door minimaal twee erkende hulpverlener-ambulanciers. Ambulanciers hebben een basisopleiding gevolgd van minimaal 160 uren (waarvan 120 uren theoretische en praktische lessen en 40 uren stage) aan een provinciale ambulanciersschool. Na het succesvol afronden van de opleiding krijgt een ambulancier een 112-badge. Het hebben van een 112-badge is verplicht voor alle ambulanciers; zij moeten deze ook dragen tijdens hun diensturen. Jaarlijks moeten ambulanciers minstens 24 uren bijscholing volgen en vijfjaarlijks moeten zij opnieuw een examen afleggen om de 112-badge te behouden.

Verpleegkundigen en artsen[bewerken]

Wagen (BMW X5) van de Mobiele Urgentiegroep te Luik

Sommige brandweerkorpsen bestaffen hun ambulances met een hulpverlener-ambulancier en een verpleegkundige die eveneens in het bezit is van een 112-badge. Spoedverpleegkundigen (met de bijzondere beroepstitel in de intensieve zorg en spoedgevallenzorg) mogen ook een ambulance bemannen; zij hoeven geen aparte 112-badge te halen. Sommige ziekenhuizen bestaffen hun ambulances met een spoedverpleegkundige (al dan niet als Paramedisch Interventieteam). Sinds 2008 zijn er namelijk ook Paramedische Interventieteams (PIT's); dit zijn ambulances die bij wijze van proefproject door de overheid gefinancierd worden en een ambulancier en spoedverpleegkundige aan boord hebben. Zij zijn gestationeerd bij de spoedgevallendiensten van ziekenhuizen. Zij tellen niet mee als klassieke ambulance, maar vormen een aparte categorie interventiediensten naast de klassieke ambulances en de Mobiele Urgentiegroepen. Mobiele Urgentiegroepen of MUG's zijn gespecialiseerde teams van een arts en spoedverpleegkundige die gespecialiseerde dringende zorgen bieden aan patiënten met levensbedreigende aandoeningen. Deze zijn net als PIT's gestationeerd bij de spoedgevallendiensten van ziekenhuizen. PIT's functioneren als een soort tussenniveau tussen de MUG's en de klassieke ambulances.

Ambulanciersopleiding[bewerken]

De opleiding tot ambulancier in België is als het ware een zeer uitgebreide EHBO-cursus. De ambulancier heeft geen bevoegdheid om medische handelingen (waaronder het plaatsen van een intraveneuze katheter, het toedienen van geneesmiddelen of het intuberen van patiënten) te stellen die een verpleegkundige (in beperkte mate) of arts wel hebben. Ambulanciers zijn wel getraind op het gebied van de basisreanimatie met behulp van een AED en beademingsballon. Ze mogen zuurstof toedienen en moeten ook levensbedreigende aandoeningen kunnen inschatten en de eerste zorgen kunnen toedienen in afwachting van de Mobiele Urgentiegroep (MUG). De spoedverpleegkundige van de PIT mag aan de hand van zogenaamde 'staande orders' (vooraf vastgestelde protocollen) wel een aantal medische handelingen verrichten.

Inzet[bewerken]

Ambulancemotor in Arnhem
In het centrum van Utrecht wordt op zaterdagen de fietsambulance ingezet. Deze heeft dezelfde apparatuur en medicijnen als de ambulancemotor maar is op drukke plekken zoals winkelcentrum Hoog Catharijne sneller ter plaatse. Een ambulancefietser heeft geen sirene tot zijn beschikking, maar wel een fluit. Een fietsambulance is goedkoper in exploitatie dan een normale ambulance of ambulancemotor

Niet iedere situatie vraagt om dezelfde inzet van ambulancezorg. Veelal zijn er verschillende types of niveaus van ambulancezorg naargelang de noden van de patiënt.

Nederland[bewerken]

Soorten ambulance[bewerken]

De meeste Nederlandse ambulances zijn geschikt voor alle soorten vervoer. Naast de reguliere ambulances worden onder de noemer ambulance verschillende speciale voertuigen ingezet.

  • Reguliere ambulance: geschikt voor de meeste spoedeisende en planbare ambulancezorg.
  • MICU (Mobile Intensive Care Unit): grote ambulance met intensivecareapparatuur voor het vervoer van een intensivecarepatiënt, inclusief één of meerdere specialisten en intensivecareverpleegkundigen.
  • PICU (Pediatric Intensive Care Unit): ambulance voor het vervoer van kinderen die intensieve zorg nodig hebben.
  • NICU (Neonatal Intensive Care Unit): ambulance voor het vervoer van neonaten in een couveuse.
  • Babylance: ambulance voor het vervoer van baby's die niet in een couveuse maar wel met spoed moeten worden vervoerd.
  • Adipeus vervoer: speciale ambulance met een specifiek uitgeruste brancard voor het vervoer van zwaarlijvige personen (in regel boven 140 kg).
  • Rapid Responder: voertuigen met dezelfde of beperktere uitrusting dan een gewone ambulance en een ambulanceverpleegkundige (die een aanvullende rijopleiding heeft gehad) aan boord. Deze voertuigen kunnen sneller ter plaatse zijn dan een reguliere ambulance maar kunnen geen patiënten vervoeren. Meestal maken Rapid Responders gebruik van aangepaste personenwagens (monolance), maar ook bijvoorbeeld van motorambulances en ambulancefietsen. Rapid Responders worden ingezet om de tijd te beperken voordat medische hulp ter plaatse is.
  • MMT (Mobiel Medisch Team): een team dat bestaat uit een arts, verpleegkundige en chauffeur of piloot. Een MMT wordt vaak ingezet bij ernstige ongevallen om gespecialiseerde zorg te verlenen als aanvulling op de ambulancezorg. Elk van de elf Nederlandse traumacentra beschikt over een MMT. Elk MMT beschikt over een voertuig en vier MMT's beschikken daarbovenop over een traumahelikopter om ter plaatse te komen.
  • GNK-c (Geneeskundige Combinatie): groep professionele en vrijwillige hulpverleners en hun materiaal die ingezet kan worden wanneer bij grote ongevallen of rampen de reguliere medische hulpverlening ontoereikend is. Geneeskundige Combinaties breiden de ambulancezorg dan uit. Een Geneeskundige Combinatie bestaat in regel uit een MMT, een AMBU-team en een SIGMA-team en werkt onder verantwoordelijkheid van de GHOR. De Geneeskundige Combinaties zijn sinds 2016 vervangen door de Grootschalige Geneeskundige Bijstand (GGB).
  • GGB (Grootschalige Geneeskundige Bijstand): vervangt sinds 2016 de Geneeskundige Combinaties.

Spoedeisend vervoer[bewerken]

Ambulances in Nederland kunnen ingezet worden met drie verschillende urgenties: A1-, A2- en B-urgenties. Deze urgenties worden uitgegeven door de Meldkamer Ambulancezorg (MKA; vroeger Centrale Post Ambulancevervoer oftewel CPA).

  • A1-urgentie: een mogelijk levensbedreigende situatie (bijvoorbeeld een reanimatie, hartinfarct of ernstig ongeval) waarbij de ambulance binnen 15 minuten ter plaatse moet zijn. Bij een A1-urgentie wordt gereden met optische en akoestische signalen (blauwe knipperlichten en sirene).
  • A2-urgentie: een dringende situatie die echter niet onmiddellijk levensbedreigend is en waarbij de ambulance binnen 30 minuten ter plaatse moet zijn. Bij een A2-urgentie wordt geen gebruik gemaakt van optische of akoestische signalen.

Wanneer een ambulance gebruikmaakt van de aanwezige optische en akoestische signalen is het een voorrangsvoertuig. Het overige verkeer moet dan voorrang geven en er kan bijvoorbeeld door rood worden gereden bij een verkeerslicht. Optische en akoestische signalen zijn dan verplicht. Vanaf 2009 gebruiken ambulances naast blauwe lichten net als politie en brandweer een uniforme tweetonige sirene.[2] Een ambulance is in Nederland duidelijk als (mogelijk) voorrangsvoertuig herkenbaar door de opvallende gele kleur en uniforme BZK-striping. Overigens zijn nog zeker niet alle ambulances in deze striping uitgevoerd. Ambulancediensten zijn vrij om het uiterlijk van hun voertuigen te kiezen, maar alleen ambulances met BZK-striping zijn vrijgesteld van BPM en wegenbelasting.

Planbaar vervoer[bewerken]

Dit betreft de derde urgentiecategorie: B-urgenties. Hierbij is sprake van niet-spoedeisend besteld vervoer, bijvoorbeeld het overbrengen van een patiënt van een ziekenhuis naar een verpleeghuis waarbij de patiënt niet met bijvoorbeeld een taxi verplaatst kan worden. In sommige regio's is de B-urgentie verder verdeeld in B1- en B2-ritten. De B1-ritten worden dan uitgevoerd door reguliere A-ambulances terwijl de B2-ritten door B-ambulances (zogenaamde zorgambulances of hulpambulances) worden uitgevoerd. Deze zorgambulances zijn te herkennen aan hun wagennummer dat begint met een 4 in plaats van een 1. Omdat zorgambulances niet voor spoedeisend vervoer worden ingezet kunnen ze eenvoudiger zijn uitgerust dan een reguliere ambulance. Hun bemanning bestaat vaak uit speciale zorgambulancebegeleiders.

Ander vervoer[bewerken]

  • Huisartsenvervoer: sommige huisartsenposten beschikken over een als ambulance gemarkeerde personenauto voor huisartsenvervoer, waarbij een huisarts door een chauffeur in ambulance-uniform snel ter plaatse kan worden gebracht. De uitrusting van de huisartsenauto is vaak beperkt (een spoedkoffer en een AED).
  • Zitambulance: speciaal ingerichte personenauto voor vervoer van stabiele patiënten over grote afstanden (bijvoorbeeld bij repatriatie).
  • Psychiatrisch vervoer: onder de naam psycholance wordt sinds 2014 in Amsterdam en sommige andere Nederlandse regio's een aangepaste (zorg)ambulance ingezet voor het vervoer van personen met acute psychiatrische klachten. Deze ambulance wordt bemand door een psychiatrisch deskundige en een aanvullend getrainde chauffeur.[3] Het idee komt uit Bergen in Noorwegen waar sinds 2005 een psychiatrische ambulance rijdt. Het Amsterdamse initiatief voor dit type vervoer komt vanuit politie, Ambulance Amsterdam (uitvoerende partij) en de Spoedeisende Psychiatrie Amsterdam. Primair doel is het ontlasten van de politie die patiënten liever niet meer geboeid per politiewagen vervoert. Men wil door het gebruik van een psycholance professionele zorg in acute hulpsituaties bevorderen.

België[bewerken]

Dringende Geneeskundige Hulpverlening[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Dringende Geneeskundige Hulpverlening voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De Hulpcentra 100/112 zijn de alarmcentrales voor dringende medische oproepen. In deze centrales worden de oproepen aangenomen en, als dat nodig is, de ambulance uitgestuurd die het snelste ter plaatse is. Deze is verplicht het slachtoffer naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis met een erkende gespecialiseerde spoedgevallendienst te brengen. Niet elk ziekenhuis beschikt daarover. Indien nodig kan de ziekenwagen ter plaatse assistentie vragen van een MUG-team, de brandweer en/of de politie.

In België moeten de ambulances ingezet in de Dringende Geneeskundige Hulpverlening (het 112-systeem) voldoen aan een aantal voorwaarden. Deze zijn zowel de uiterlijke kentekens (zoals de gele RAL 1016 kleur en de rode band met het 112-logo) als de wettelijk verplichte inhoud, opgelegd door de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid. Zo wordt er gewaakt over de kwaliteit van de zorg. Alle ambulances moeten 24 uur op 24 uur operationeel zijn, beschikken over minstens twee hulpverleners-ambulanciers, voldoen aan de wettelijke normen en de wettelijk vastgelegde tarieven hanteren. De Federale Gezondheidsinspecteur (FGI) inspecteert of de ambulancediensten voldoen aan de normen.

De kosten voor het dringend vervoer per ambulance zijn ten laste van de vervoerde patiënt en zijn wettelijk vastgelegd. Ze zijn onder andere afhankelijk van de afgelegde afstand. De verplichte ziekteverzekering betaalt een deel van de kost terug. Indien een patiënt de rekening niet betaalt, betaalt het Fonds voor Dringende Geneeskundige Hulpverlening (FDGH) de interventiekosten aan de ambulancedienst en vordert het Fonds deze kosten terug van de patiënt.

Niet-dringend ziekenvervoer[bewerken]

In het niet-dringend ziekenvervoer (ook wel secundair vervoer genoemd) zijn er veel spelers op de markt. Het niet-dringend ziekenvervoer valt niet onder de Dringende Geneeskundige Hulpverlening en is dus geen federale bevoegdheid maar wel die van de Gemeenschappen. De ambulanciers die voor dit vervoer instaan hoeven dus niet over een badge 112 te beschikken maar mogen zich dan ook niet 'hulpverlener-ambulancier' noemen, wat een beschermde titel is. Meestal wordt het niet-dringend ziekenvervoer georganiseerd door de ziekenfondsen die hiervoor beroep doen op private ambulancediensten.

Oorspronkelijk bestond er geen wetgeving over niet-dringend ziekenvervoer waardoor er soms ernstige kwaliteitsgebreken voorkwamen. In april 2004 vaardigde de Vlaamse Regering een eerste decreet uit betreffende niet niet-dringend ziekenvervoer dat vooral steunde op zelfregulering. In april 2009 werd een Kwaliteitscharter opgesteld met minimumkwaliteitseisen rond niet-dringend ziekenvervoer. Er zouden externe controlemechanismes geaccrediteerd worden op basis van het Kwaliteitscharter waarbij de ambulancediensten zich dan zouden kunnen laten accrediteren. Dit bleef echter nog steeds vrijblijvend.[4] Er bleven dan ook nog zware wantoestanden in de sector van het niet-dringend ziekenvervoer bestaan.[5] In juni 2016 kwamen er nieuwe kwaliteitsnormen die door de sector in een akkoord werden gegoten. Daarin werd afgesproken dat de ambulancediensten zich binnen het jaar zouden laten accrediteren en dat ziekenfondsen enkel met geaccrediteerde ambulancediensten zouden werken. Deze normen stellen onder andere dat er minstens twee ziekenvervoerders de ambulance moeten bemannen, waarvan één bestuurder en één patiëntenbegeleider. De patiëntenbegeleiders moeten tegen begin 2017 en de bestuurders tegen begin 2018 een EHBO-brevet halen. Binnen een termijn van vijf jaar zou er een uitgebreidere opleiding komen voor de patiëntenbegeleiders vergelijkbaar met die tot hulpverlener-ambulancier. Vlaams minister van Volksgezondheid Jo Vandeurzen wil deze kwaliteitsnormen wettelijk verplichten.[6] In Wallonië bestond er wel al wetgeving over het niet-dringend ziekenvervoer.

Ambulancedienst[bewerken]

RAV-regio's en ziekenhuizen in Nederland (situatie 2008).

Een ambulancedienst is een organisatie die ambulances met deskundige hulpverleners beschikbaar heeft en deze op afroep inzet.

Nederland[bewerken]

In Nederland is de Wet ambulancevervoer (1971) per 1 januari 2013 vervangen door de Tijdelijke Wet Ambulancezorg (Twaz). Als gevolg hiervan zijn 25 grote ambulanceregio's ingericht. Deze nieuwe organisaties worden Regionale Ambulance Voorziening (RAV) genoemd. De regio's sluiten precies aan, bij de bestaande 25 veiligheidsregio's, de regioindeling die brandweer en politie ook hanteren.

De vorming van RAV's beoogt een aantal voordelen te bereiken.

  • Er is per regio nog maar één MeldKamer Ambulancezorg (MKA), waarbij voorheen veel ambulancediensten een eigen meldkamer hadden. Binnen een RAV werken publieke en private ambulancediensten nauwer samenwerken. In enkele RAV's zijn de ambulancediensten ook gefuseerd tot één ambulancedienst.
  • Het totaal aantal meldkamers neemt nog verder af, doordat het totaal aantal regio's is teruggebracht naar 25.
  • De meldkamers worden doorgaans gezamenlijk gehuisvest met de meldkamers van de veiligheidsregio's (zogenaamde Gemeenschappelijke MeldKamers), ook dat levert een besparing op.

Aan het roepnummer op de ambulance kan worden gezien, bij welke RAV deze hoort. Het 1e en 2e cijfer is code van de regio, het 3e cijfer is groep waartoe de eenheid behoort en het 4e en 5e cijfer zijn het nummer van de eenheid. Voor het derde cijfer worden de volgende groepen onderscheidden: Ambulance (1), Piketvoertuig (2), MICU, Speciale ambulance of ambulancemotor (3), Hulpambulance overig (4), Staf, directie, logistiek en GGB (5), Internationale ambulance (6), Huisartsenvervoer (7), GHOR (8) en MMT (9).

Met de vorming van RAV's is vooruitgelopen op de nieuwe wet ambulancezorg die op 1 januari 2011 van kracht werd. Per veiligheidsregio wordt dan nog maar aan één ambulancedienst een vergunning verstrekt. De betreffende ambulancedienst verzorgt de ambulancezorg binnen de veiligheidsregio, maar moeten wel samenwerken omdat ze bij grote ongevallen en rampen grensoverschrijdend worden ingezet.

België[bewerken]

Elke ambulancedienst die in de Dringende Geneeskundige Hulpverlening (het 112-systeem) wilt functioneren moet erkend zijn door de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid. Ambulancediensten zijn ofwel privébedrijven ofwel worden ze beheerd door een openbare overheid zoals een brandweerkorps. De meeste ambulancediensten in België zijn gevestigd bij brandweerkorpsen, maar ook ziekenhuizen, kruisverenigingen (zoals het Rode Kruis of Het Vlaamse Kruis), de Civiele Bescherming of bedrijven zoals Falck beheren ambulances.

Ambulances met twee ambulanciers zijn door hun grote verspreiding onder de brandweer gemiddeld na zes à zeven minuten ter plaatse. In vele regio's is ook een MUG binnen de tien à vijftien minuten ter plaatse waardoor er snel een arts en spoedverpleegkundige aanwezig zijn op de plaats van het incident. PIT's werken soms als tussenoplossing in gebieden waar de aanrijtijden van een MUG lang zijn.

Statistieken[bewerken]

Ambulance uit Lausanne.
USR-Ambulance in Lausanne

Nederland[bewerken]

Organisatie[bewerken]

Eind 2014 waren er in Nederland 755 ambulances verspreid over 231 standplaatsen. Het totale landelijke budget voor ambulancezorg (inclusief de meldkamers) bedroeg ongeveer 500 miljoen euro in 2014, wat neerkwam op ongeveer 29,60 euro per Nederlands inwoner.

Het totale aantal medewerkers in de ambulancezorg bedroeg 5 653 mensen eind 2014, waarvan 4 898 oftewel 86,6% in de kernfuncties (ambulanceverpleegkundige, ambulancechauffeur, meldkamercentralist, ...) werkzaam waren. 3 868 medewerkers waren man terwijl 1 785 medewerkers vrouw waren. Het grootste deel van de medewerkers (71,4%) was tussen de 35 en 54 jaar oud. Het aantal medewerkers was met 8,5% toegenomen ten opzichte van 5 209 medewerkers in 2010.

Ambulance-inzetten[bewerken]

Het aantal inzetten in 2014 kon worden onderverdeeld in A1-, A2- en B-inzetten. Daarnaast kon het ook worden onderverdeeld in:

  • Declarabele inzetten waarbij een patiënt vervoerd is.
  • EHGV-inzetten (Eerste Hulp Geen Vervoer) waarbij een ambulance wel ter plaatse is gekomen maar waarbij ter plaatse na de eerste zorgen bleek dat vervoer per ambulance niet noodzakelijk was.
  • Loze inzetten waarbij de ambulance eigenlijk niet ter plaatse had moeten komen (bijvoorbeeld wanneer ter plaatse bleek dat de patiënt niet meer aanwezig was).
  • Afgebroken inzetten waarbij de meldkamer de inzet afbrak voordat de ambulance ter plaatse was.

De aantallen waren als volgt:

Inzetten Aantal % van totaal Gemiddelde responstijd Normtijd respons % ter plaatse binnen norm
A1-inzetten 579 784 49% 9:29 minuten 15 minuten 93,4%
A2-inzetten 288 924 24% 14:56 minuten 30 minuten 96,7%
B-inzetten 321 612 27%
Totaal 1 190 320
Declarabele inzetten 874 944 74%
EHGV-inzetten 243 530 20%
Loze inzetten 53 311 4%
Afgebroken inzetten 18 535 1%
Totaal 1 190 320

Daarmee zijn er in 2014 gemiddeld 70 inzetten per 1 000 inwoners uitgevoerd, waarvan 51 inzetten per 1 000 inwoners spoedeisend (A1- of A2-inzet) waren. Het totale aantal ambulance-inzetten is tevens 4% gegroeid ten opzichte van 2013 en 12% ten opzichte van 2010; in 2010 waren er 1 061 268 ambulance-inzetten. Er zijn ten opzichte van 2010 dus 129 052 inzetten bijgekomen in 2014. Het aantal A1- en A2-inzetten steeg respectievelijk met 25% en 17% ten opzichte van 2010, terwijl het aantal B-inzetten juist met 8% afnam ten opzichte van 2010. De verhouding van planbare tot spoedeisende ambulancezorg is daarmee de afgelopen jaren geleidelijk verschoven.

In 2014 vond 53% van de ambulance-inzetten overdag plaats, 33% 's avonds en 14% 's nachts. Gemiddeld werden er dagelijks 3 258 inzetten uitgevoerd, met gemiddeld 136 inzetten per RAV-regio. De meeste ambulance-inzetten vonden plaats op Koningsdag en Nieuwjaarsdag in 2014. De rustigste dagen vonden plaats tijdens juli en augustus. Gemiddeld vonden 52% van de inzetten plaats in stedelijk gebied, 30% in matig stedelijk gebied en 18% in perifeer gebied.

Andere inzetten[bewerken]

In 2014 beschikten 7 RAV-regio's, met name Groningen, IJsselland, Gelderland-Zuid, Utrecht, Amsterdam-Amstelland, Rotterdam-Rijnmond en Zuid-Limburg, over een MICU (telkens verbonden aan een Universitair Medisch Centrum). Deze MICU's voerden in totaal 1 504 ritten uit. Daarnaast werkten 22 RAV-regio’s in 2014 structureel met Rapid Responders, die in totaal 53 749 interventies uitvoerden. In 2014 vonden verder 8 989 MMT-inzetten plaats. Ook werden in 2014 door negen RAV-regio's inzetten van first responders geregistreerd; dit bedroeg in totaal 2 604 inzetten.

Patiënten[bewerken]

Uit gegevens van 21 RAV-regio's bleek dat gemiddeld 49% van de patiënten man en 51% vrouw was in 2014. 1% van de patiënten was een pasgeborene of zuigeling, 4% was kind, 61% was volwassene en 34% was een oudere. Uit gegevens van 15 RAV-rregio's bleek dat 24% van de behandelde problemen cardiologische ziektebeelden betrof, 18% betrof internistische ziektebeelden, 16% betrof traumatologie/heelkunde, 11% betrof neurologische problemen, 8% betrof pulmonologische problemen, 1% betrof gynaecologie/obstetrie en 21% betrof overige problemen. In 2014 hebben in 17 RAV-regio´s ambulancemedewerkers ondersteuning verleend bij ongeveer 800 bevallingen in totaal. 14 RAV-regio’s rapporteerden in 2014 dat zij in totaal 3 892 reanimaties uitvoerden.

Uit gegevens van 16 RAV's aan de hand van Consumer Quality index (CQi)-vragenlijsten bleek dat in 2013 patiënten de ambulancezorg gemiddeld hoog tot zeer hoog waarderen (met gemiddeld 9 op 10 voor de ambulancezorg en 8,4 op 10 voor de meldkamer). Alle ambulancediensten samen hebben in 2014 in totaal 699 klachten ontvangen; dat is 1 klacht voor elke 1 700 ambulance-inzetten.

Agressie[bewerken]

In 2014 noteerden 22 RAV-regio’s 351 agressie-incidenten, of met andere woorden 0,3 incidenten per 1 000 inzetten. Verbaal geweld kwam met 64% het meest voor, gevolgd door fysiek geweld met 24%. In 35% van de gevallen was de patiënt zelf de agressor, in 65% van de gevallen was dat iemand anders dan de patiënt.

Meldkamers[bewerken]

Van 21 naar 10 meldkamers ambulancezorg in 2017: de minister heeft bepaald dat een aantal meldkamers met ingang van 2017 wordt samengevoegd. Vanaf 2017 zijn er dan nog 10 meldkamers ambulancezorg. Locaties van deze 10 meldkamers: Drachten, Apeldoorn, Soest, Haarlem, Amsterdam, Den Haag, Rotterdam, Bergen op Zoom, Den Bosch en Maastricht.

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Nederland[bewerken]

België[bewerken]