Jozef van Arimathea

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Jozef van Arimathea
Jozef van Arimathea door Pietro Perugino, 1495
Verering Christendom
Schrijn Vank-kathedraal, Isfahan
Naamdag 17 maart (Rooms-Katholieke Kerk)
31 juli (Oosters-orthodoxe kerken)
Beschermheilige voor begrafenisondernemers
Lijst van christelijke heiligen
Portaal  Portaalicoon   Christendom

Jozef van Arimathea was volgens de vier canonieke evangeliën in het Nieuwe Testament de man die Jezus balsemde en begroef na zijn kruisiging. Arimathea is de vergriekste vorm van Ramathaim(-Zofim), ook wel bekend als Rama in Efraïm (mogelijk Ramla of Rentis[1]), waarschijnlijk zijn plaats van herkomst.

Nieuwe Testament[bewerken | brontekst bewerken]

Jozef was een rijke Jood en raadsheer (volgens Marcus 15:43 een "vooraanstaand raadsheer") — mogelijk een aanwijzing dat hij een lid van het Sanhedrin was. Hij werd een leerling van Jezus,[2] maar hield dit verborgen uit angst voor zijn medeburgers.[3] Hij was het niet eens met de veroordeling van Jezus.[4] Na de kruisiging van Jezus vroeg hij prefect Pontius Pilatus om het lichaam. Pilatus gaf toestemming en Jozef nam het lichaam mee. Hij balsemde het lichaam van Jezus, wikkelde het in linnen en legde het in een ongebruikt rotsgraf, dat hij volgens Matteüs voor zichzelf had laten uithouwen.[5] Volgens Johannes deed hij dit samen met Nikodemus.[6] Volgens Lucas wikkelde Jozef Jezus' lichaam alleen in linnen en werd het later gebalsemd door "de vrouwen die met Jezus waren meegereisd uit Galilea".[7]

Traditie[bewerken | brontekst bewerken]

Vanaf de 2e eeuw werden allerlei details rond het personage Jozef van Arimathea toegevoegd aan wat in het Nieuwe Testament wordt aangetroffen. Jozef wordt genoemd in werken van vroege kerkhistorici als Ireneüs van Lyon, Hippolytus van Rome, Tertullianus en Eusebius van Caesarea, die allen details noemen die niet in de canonieke verhalen staan. Johannes Chrysostomus was de eerste die schreef dat Jozef een van de zeventig discipelen was.[8] De Acta Pilati, het eerste deel van het Evangelie van Nikodemus, gaat over de gevangenname en bevrijding van Jozef.

Tegen het einde van de 12e eeuw werd Jozef verbonden aan de Arthurlegendes, waarin hij optreedt als bewaarder van de Heilige Graal. Dit element komt ook voor in Robert de Borons Joseph d'Arimathie. Volgens dit werk zou Jozef al tijdens Jezus' leven handelscontacten gehad hebben met Cornwall, vanwaar hij tin importeerde in Palestina. Jozef ving het Heilig Bloed van Jezus op in een kelk die door Jezus was gebruikt tijdens het laatste avondmaal, de Heilige Graal. Daarna vluchtte hij, met een aantal getrouwen, naar Glastonbury in Engeland, waar hij een kerk bouwde. Hieruit zou het Keltisch christendom zijn ontstaan, met een eigen structuur.

Jozefs lichaam wordt als relikwie vereerd in de Armeense Vank-kathedraal in Isfahan, Iran.[9]

Interpretatie[bewerken | brontekst bewerken]

Veel christenen interpreteren Jozefs rol als vervulling van een voorspelling door Jesaja dat het graf van de "Man van Smarten" van een rijk iemand zou zijn:[10][11]

Hij kreeg een graf bij misdadigers, zijn laatste rustplaats was bij de rijken ... [12]

Feestdag en beschermheilige[bewerken | brontekst bewerken]

Zijn feestdag wordt gevierd op 17 maart in de Rooms-Katholieke Kerk en op 31 juli in de oosters-orthodoxe kerken.

Jozef is de beschermheilige voor begrafenisondernemers.

Externe links[bewerken | brontekst bewerken]

Mediabestanden die bij dit onderwerp horen, zijn te vinden op de pagina Jozef van Arimathea op Wikimedia Commons.