Léon Spilliaert

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Leon Spilliaert)
Ga naar: navigatie, zoeken
Léon Spilliaert
Zelfportret van Léon Spilliaert, 1908, Mu.ZEE, Oostende
Zelfportret van Léon Spilliaert, 1908, Mu.ZEE, Oostende
Persoonsgegevens
Geboren Oostende, 28 juli 1881
Overleden Brussel, 23 november 1946
Nationaliteit Vlag van België België
Beroep(en) kunstschilder
Oriënterende gegevens
Stijl(en) literair symbolisme
RKD-profiel
Portaal  Portaalicoon   Kunst & Cultuur
Het huis genaamd de preekstoel te Oostende in het Kunstmuseum aan Zee

Léon Spilliaert (Oostende, 28 juli 1881Brussel, 23 november 1946) was een van de voornaamste Belgische kunstschilders en, in zijn beginperiode, een van de grondleggers van het literair symbolisme.[1] In tegenstelling tot echte symbolisten zoals Xavier Mellery en Fernand Khnopff, volgde Spilliaert een zelfstandige en eigenzinnige weg bij de weergave van de wereld rondom hem door het oproepen van stemmingen die hij "verwoordde" met een minimum aan middelen. Eigentijdse kunstcritici interpreteerden zijn stemmingen als een "literaire realisatie".Hij is moeilijk in één stijl samen te vatten en blijft een buitenbeentje in de Belgische schilderkunst.

Vroege jaren[bewerken]

Zijn vader Leonard-Hubert Spilliaert (1851-1928) baatte een kapperszaak annex parfumerie uit in de Oostendse Kapellestraat en creëerde eigen parfums zoals "Brise d'Ostende". Hij was hofleverancier van koning Leopold II. Léons moeder Leonie Jonckheere (1853-1937), streng katholiek opgevoed, hield zich, volgens de normen van de tijd, op de achtergrond. De jonge Léon, de oudste van zeven kinderen, liep school in het Onze-Lieve-Vrouwecollege, waar ook James Ensor leerling was geweest, twintig jaar vroeger. Zoals Ensor, was hij ook maar een matige leerling. De jonge Spilliaert had wel van nature een artistieke aanleg. Getuige daarvan zijn zijn schoolschriften die uitvoerig verlucht waren met schetsen. Toen hij 18 jaar was, in 1899, liet hij zich inschrijven aan de Kunstacademie te Brugge als leerling bij Pieter Raoux. Enkele medeleerlingen waren Léon Slabbinck en Cornelis Leegenhoek. Maar dit bleek een ontgoocheling en hij verliet de academie al in januari 1900. Om deze reden wordt Spilliaert eerder beschouwd als een autodidact. Hij verwierp de klassieke kunstrichtingen van zijn tijd en verkoos spontaan werk, uitgaande van een innerlijke motivatie.

Weinig opgemerkt: de jaren 1900-1908[bewerken]

In 1900 bezocht hij, met zijn vader, de Wereldtentoonstelling te Parijs. Hij ontdekte er een staalkaart van de Europese hedendaagse kunst in de werken van Jan Toorop, Giovanni Segantini, Ferdinand Hodler, Gustav Klimt, Aubrey Beardsley en Walter Crane. Dit bezoek is waarschijnlijk beslissend geweest in het uittekenen van zijn toekomstplannen.

Spilliaert had al van in zijn jeugd veel gelezen. Hij bezat in zijn bibilotheek boeken van Edgar Allan Poe, Maurice Maeterlinck en ook de klassieke Latijnse auteurs zoals Ovidius en Vergilius. Hij had een voorkeur voor de symbolisten en bewonderde Friedrich Nietzsche. Hij bezat verschillende boeken in Franse vertaling van deze schrijver, wiens ideeën met een existentieel en tegendraads karakter een grote invloed hadden op Spilliaert. Hij maakte een aantal portretten van de denker. Het eerste dateert uit 1899 en gaf een beschaafd beeld weer van de filosoof; latere portretten, zoals "De denker" uit september 1901, toonden, in een wirwar van gekrulde lijnen, een getormenteerde Nietzsche. Hier toonde Spilliaert reeds zijn diepe, visionaire originaliteit, uitgedrukt met Oost-Indische inkt en zwart krijt in een eigen, vlotte tekenstijl. Zwarte en donkere kleuren zullen zijn werken in zijn eerste jaren tekenen. In latere jaren en tot op het einde van zijn leven las Spilliaert graag in het literair meesterwerk "Journal" van de Franse schilder Eugène Delacroix, waarin deze zijn ideeën uitdrukte over schilderkunst, poëzie en muziek [2]

Minder bekend is dat Spilliaert in de periode 1900 tot 1910 veel teksten en voornamelijk gedichten met een atheïstische strekking heeft geschreven. Maar hij heeft deze teksten later vernietigd.

Deze eerste jaren waren zijn beste jaren, maar hij bleef onopgemerkt. Hij produceerde zonder verpozen een groot aantal tekeningen maar stelde niet tentoon. Hiervoor was hij was te introvert en onderhevig aan wisselende gemoedstoestanden. Hij tekende met zijn doordringende blik zijn eigen wereldje rondom hem, zoals hij het zag maar dan in een verfijnde, geïnterpreteerde weergave.

Van september 1902 tot januari 1904 ging hij in dienst bij de toen bekende Brusselse uitgever, boekhandelaar en kunstkenner Edmond Deman. Via Deman kwam Spilliaert in contact met het kunstenaarsmilieu van Brussel en maakte kennis met Maeterlinck en Verhaeren. Deman was promotor en verzorgde de public relations van verschillende schilders uit zijn tijd. Samen met werken van James Ensor, Georges Lemmen, Fernand Khnopff en Théo van Rysselberghe, werden ook enkele werken van Spilliaert te koop aangeboden in het grafisch kabinet van deze uitgever, maar zonder succes. In deze periode ontstond er een verhouding met Paule, de dochter van zijn werkgever, die echter uitliep op een sentimentele ontgoocheling, waardoor hij lange tijd gedeprimeerd raakte. Hij was al neerslachtig en hypergevoelig van natuur, twijfelde aan zichzelf en bovendien had hij als kunstenaar niet het minste succes. Getuige hiervan is een zelfportret uit ca. 1903 waarop hij toen reeds zichzelf afbeeldt met zwartomrande ogen en holle wangen (Entwistle Gallery, Londen). Hierna poogde hij in Congo-dienst te raken, maar ook dit lukte niet, ingevolge zijn wankele gezondheidstoestand: hij leed aan astma en had last van maagstoornissen.

Spilliaert maakte een groot aantal dromerige aquarellen van landschappen en figuren voor de drie volumes van het "Théâtre" van Maeterlinck, gepubliceerd door Deman in 1901-1902. In 1903 verzorgde hij eveneens de illustraties van twee dichtbundels van de Franstalige dichter en kunstcriticus Emile Verhaeren.

Met een aanbevelingsbrief van Deman op zak probeerde hij in januari 1904 zijn geluk in Parijs, op zoek naar een uitgever of drukker van kunstboeken. Hij ontmoette in Saint-Cloud Verhaeren, die hem sterk aanmoedigde en hem introduceerde in het Parijse kunstmilieu. Hij ontwikkelde een hechte vriendschapsband met deze schrijver en dichter. Verhaeren kwam trouwens later regelmatig op bezoek bij Spilliaert in Oostende. Verhaeren was een pionier voor het Belgisch literair symbolisme, zoals Spilliaert dit was in deze periode van zijn leven. Vanuit zijn bewondering voor de dichter heeft Spilliaert hem enkele keren geportretteerd. Verhaeren bracht hem in contact met enkele kunsthandelaars, onder andere Clovis Sagot, die ook verkoper was voor de werken van Pablo Picasso, en die toch erin slaagde enkele tekeningen van Spilliaert te verkopen. Die samenwerking met Sagot leverde in de volgende jaren regelmatig Parijse kopers op, die zelfs Spilliaert in Oostende kwamen opzoeken. Al vroeg, en zeker vanf 1913, verkocht Spilliaert meer in Parijs dan in België.

Uiteindelijk was Parijs geen echt succes. In november 1904 verliet hij Parijs en keerde terug naar de ouderlijke woning in Oostende. Tot aan zijn huwelijk in 1916 ging hij elk jaar voor korte tijd terug naar Parijs of naar het zuiden van Frankrijk. Hij maakte in die tijd kennis met Pablo Picasso en Max Jacob.

In 1905 was Spilliaert nog steeds een onbekende kunstenaar. Zelfs op de internationale Salons van hedendaagse kunst in 1905, 1906 en 1907 in Oostende was hij niet vertegenwoordigd. Hij was eveneens afwezig in de lokale kunstkring "Cercle Artistique" (gesticht in 1908).

In 1907 was er een groepstentoonstelling in Oostende, georganiseerd door "Le Centre d'Art", met schilderijen van Van Gogh en Odilon Redon. Geïntroduceerd door Verhaeren, kon Spilliaert er ook aan deelnemen. Vooral Redon moet een indruk op Spilliaert hebben gebracht met zijn droomwereld met talrijke licht-donkereffecten en silhouetten, wat duidelijk tot uiting komt in het neerslachtig karakter van zijn verdere werken.

Hij was een (weinig actief) lid in de eerste bestaansfase van de Brusselse kunstkring Doe Stil Voort.

Tussen 1907 en 1909 tekende hij in een schetsboek het dagelijkse leven rondom hem: familieleden, het interieur van het ouderlijk huis, reukwaterflacons, vissers, strandgezichten, gezichten op de (pasgebouwde) Koninklijke Gaanderijen en zelfportretten. Dit schetsboek bevindt zich in de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten in Brussel.

De jaren 1907 en 1908 waren zijn artistieke wonderjaren. Hij tekende toen talrijke stillevens van het interieur van zijn achterkamertje in de ouderlijke woning, maar ook veel marines en dijkgezichten. Maar zijn samenhangende reeks van ongeveer twintig zelfportretten springen het meest in het oog. Hij beeldt zichzelf uit op borsthoogte, in voor- of zijaanzicht, als een burgerman in een conventioneel donker pak met een stijve witte hemdsboord. Hij kijkt ons aan met een afgrijselijke aanblik met holle of zwartomrande ogen, in een spel van licht en schaduw, met een kracht die een diepe, benauwende indruk nalaat. Het aangrijpendste beeld is zijn hallucinair "Zelfportret met spiegel" uit 1908. Hij toont een man die een probleem heeft met zichzelf en ons wanhopig en met afgrijzen aankijkt met een glazig cyclopenoog en een halfgeopende mond, als het ware in doodsstrijd. De pendule op de schouw is een symbool voor het onverbiddelijk tikken van de tijd. Dit zelfportret doet denken aan het schilderij De Schreeuw van Edvard Munch uit 1893. Later zouden nog een aantal zelfportretten volgen, waarin hij zich afbeeldt als een gewone middelbare man, maar nog steeds met die diepliggende blik.

Op verzoek van uitgever Deman zou hij in 1907 Le sculpteur de masques van Fernand Crommelynck illustreren. Het werd wel een mislukking, maar toch bleef hij bevriend met Crommelynck.

De jaren 1908-1910[bewerken]

In juli 1908 verscheen in het Oostendse dagblad "Le Carillon" voor de eerste maal een belangrijke en lovende bijdrage over Léon Spilliaert, geschreven door Fernand Crommelynck. Maar ook deze recensent dacht dat de brute originaliteit van Spilliaert bij het grote publiek weinig succes zou kennen. Later kwam er een meer uitgebreide bespreking op 5 december 1909 in" Le Carillon" door de Franse auteur F. Jollivet-Castelot waarin hij Spilliaert "een nog onbekende, maar zeer grote kunstenaar " noemde.[3] Wanneer Camille Lemonnier de lof afstak over de persoonlijke visie en compositie van de werken van Spilliaert in het dagblad "Le Soir" (22 mei 1909), betekende dit voor Spilliaert een publieke erkenning van zijn kunst in eigen land.

In Oostende werd hij bevriend met de politicus Paul E. Janson en de Oostenrijkse dramaturg Stefan Zweig, die in 1908 vier werken van hem kocht en hem ook introduceerde bij de Weense uitgever en kunsthandelaar Hugo Heller. Het was opnieuw Verhaeren, die regelmatig bij Spilliaert logeerde, die hem bij Zweig had gebracht.

"De duizeling" uit 1908 is een van de bekendste werken van de kunstenaar. Een vrouw zit met verwilderde haren en met de rug afgewend naar de kunstenaar, op sneeuwwitte trappen tegenover de duistere, gapende afgrond. Het is een beeld van fatale wanhoop en onuitsprekelijke angst. Dergelijke voorstellingen van de vrouw, gezien vanop de rug of in silhouet, zullen regelmatig voorkomen in de verdere werken van Spilliaert.

In 1908 geraakte hij bevriend met zijn jongere collega Constant Permeke, met wie hij tot 1909 samen een atelier deelde op een zolderkamer op de hoek van de Nieuwstraat en de Visserskaai. Van hieruit observeerden zij samen het vissersleven op de kaai. Er was een wederzijdse beïnvloeding zoals in "Oranje zeil" van Spilliaert en " Rode zeil" van Permeke, beide werken uit 1909. Het expressionistisch streven van Permeke is duidelijk voelbaar in enkele werken van Spilliaert over het volksleven aan de kaai. Ook de kunstschilder Gustaaf De Smet kwam er soms langs. Permeke vertrok in 1909 naar Sint-Martens-Latem en opnieuw komt het visionaire naar voren in het werk van Spilliaert. Hij ging regelmatig op bezoek bij Permeke. In 1912 kwam Permeke terug naar Oostende en Spilliaert ging bij hem wonen in de Sint-Jacobsstraat in het visserskwartier aan de oosteroever van de haven. En opnieuw tekende Spilliaert tal van vissersfiguren. Deze vriendschap met Permeke zou later bekoelen tijdens het interbellum.

Spilliaert wandelde veel langs de kade, de zeedijk, het verlaten strand en, gekweld door slapeloosheid, het liefst 's avonds of in de vroege ochtend. Dit vertolkte zich in een groot aantal tekeningen van vissersvrouwen, baadsters, marines maar vooral van het verlaten, nachtelijk strand en de zeedijk. Hij gaf dit weer in een sterk vereenvoudigde grafische en uitgezuiverde stijl, met een monumentale vormgeving. Een strakke lijn of een golvend silhouet bepalen de beeldtaal, met een verwerping van de klassieke regels van vorm en beweging. Dit alles geeft een gevoel van een drukkende eenzaamheid, angst en onrust.

In de pentekeningen "Marine met oranje zeilboten" (1909) en "De baadster" (1910) vindt men ook de kleurpatronen en de fantasmen terug van het japonisme (of de invloed van Japanse grafische kunst in het Westen rond de eeuwwisseling) en de esoterische en spirituele kunst in de kunstrichting "Les Nabis". Deze belangstelling voor het japonisme bij Spilliaert werd nog benadrukt in de tentoonstelling "Oriental fascination: het japonisme in België (1889-1915)" in het Stadhuis van Brussel (2008).

Spilliaert nam voor de eerste maal deel aan een groepstentoonstelling in 1909 op het "Salon de Printemps" van Jean De Mot (1876-1918) in Brussel. In een brief aan De Mot (6 februari 1909) sprak Spilliaert over zichzelf als "iemand aan wie het leven was voorbijgegaan, eenzaam en triest, en met een immens koudegevoel rondom mij"

In 1910 maakte hij kennis met de wetenschapper Robert Goldschmidt (1877-1935), de uitvinder van de gestandaardiseerde microfiche en bouwer van het luchtschip "La Belgique". Op aanvraag van Goldschmidt tekende hij in een schetsboek veertien intrigerende schetsen en twaalf werken in gemengde techniek van het luchtschip "Belgique II" in zijn loods in Oudergem en op proefvlucht. Deze werken werden pas getoond in de galerie Giroux in april 1927. Robert Goldschmidt kocht 11 schilderijen van Spilliaert (en bezat er 19 van James Ensor). Het tijdschrift "Pourqoui Pas ?" beschreef op 5 mei 1910 de jonge, onbekende Oostendse kunstenaar en vermeldde de uitnodiging van Goldschmidt aan Spilliaert.

Doorbraak[bewerken]

In 1911 plaatste hij een belangrijke inzending op de Salon des Indépendants van Brussel. De dichter-kunstcriticus Guillaume Apollinaire wijdde er de inleiding aan het kubisme. Andere deelnemers waren onder andere Archipenko, Albert Gleizes, Robert Delaunay, Henri le Fauconnier, Fernand Léger.

Vanaf 1912 brengt Spilliaert meer kleur en contrast in zijn tekeningen. Hij gebruikt nu meer gouache met diepe en realistische tinten: wit, heldergeel, dieprood, donkerblauw. Typisch is "Meisjes met witte kousen" uit 1912.

In het tijdschrift L'Art Moderne recenseerde Franz Hellens in 1912 de inzendingen van Spilliaert in de Brusselse salons Doe stil voort, Le Sillon (waarvan Spilliaert korte tijd lid was) en de Galerie Georges Giroux. Spilliaert had in december 1912 tentoongesteld met enkele werken bij "Les Bleus" in de Galerie Giroux, dit samen met Constant Permeke, Edgard Tytgat en Jean Brusselmans. In dezelfde galerie had enkele jaren voordien een tentoonstelling plaatsgevonden over de Italiaanse futuristen. De invloed van deze futuristen kan men terugvinden in de divisionistische oranjegele lijnen in de tekening in pastel en krijt "Einde van een mooie dag - figuur in tegenlicht " uit 1912. Deze stijl, een beweging tegenover een achtergrond van licht opgesplitst in verschillende kleuren, zoals in deze tekening (die hij trouwens verschillende malen gemaakt heeft), vindt men niet meer terug in latere werken.

Een andere vriend, de schrijver en poëet Henri Vandeputte, opende in Parijs een galerie met werken van Spilliaert.

In 1914, bij het begin van de Eerste Wereldoorlog, werd hij gemobiliseerd bij de Garde Civique. Dit zinde Spilliaert helemaal niet en hij ontliep de dienst. Deze burgerwacht was eerder een bende ongeregelde gewapenden, die allang hun beste tijd hadden gehad. Zij hadden geen echt militair statuut, en werden aldus door de Duitsers als vrijschutters beschouwd. Opnieuw volgde een zware depressie.

Spilliaert maakte zijn beste werken in een vrij korte periode en voornamelijk 's nachts, tussen zijn eerste verblijf in Parijs en zijn huwelijk in 1916. Doordat hij een maaglijder en een slechte slaper was, maakte hij lange nachtwandelingen in de stad en langs de zee. Alzo ontstond Spilliaerts donker, onvatbaar, raadselachtig werk waarin het licht kunstmatig is, de sfeer duister. De werken kwamen tot stand met veelal gemengde technieken zoals Oost-Indische inkt, gewassen krijt, waterverf, pastel op karton of papier. Dit stelde hem in staat om vrij snel te werken.

Op 23 december 1916 trouwde hij met de veel jongere Rachel Vergison. Hij probeerde tevergeefs in 1917 het Belgische oorlogsgeweld te ontvluchten en naar Zwitserland te trekken. Stefan Zweig zou er zelfs voor contact zorgen met Lenin, die daar in ballingschap verbleef. Zoals veel kustbewoners in het spergebied in de Eerste Wereldoorlog moest hij zijn woonplaats verlaten. In maart 1917 ging het koppel in Brussel wonen. Op 15 november 1917 werd hun enig kind, Madeleine, geboren. In die periode maakte hij een groot aantal tekeningen van zijn echtgenote, uitgebeeld in haar dagelijkse bezigheden.

In de periode 1916 tot 1917 tekende hij in korte tijd een aantal afbeeldingen van huisdieren, in het bijzonder konijnen, pluimvee en kleine hoevedieren. Later, in 1919, heeft hij deze reeks aangevuld met afbeeldingen van uilen en, in 1924, van krabben; maar deze dragen meer een symbolische waarde.

Na de oorlog vond hij de Oostendse zee terug bij zijn regelmatige bezoeken aan zijn zieke moeder. In 1918 verschenen zijn Plaisirs d'hiver in de Collection du Petit Artiste. Dergelijke illustraties, hoewel ze van goede kwaliteit waren, waren niet essentieel voor Spilliaert, maar hij sloeg niet graag een opdracht van uitgever Edmond Deman af. Eveneens in 1918 illustreerde hij "Les Serres Chaudes" van Maurice Maeterlick met tien lithografieën. In de sprookjesachtige sfeer van deze illustraties vindt men geen angst, twijfel of een doodsgedachte meer terug. Een tweede lithografie-album "Paysages brabançons" verscheen in 1919. Beiden worden nu bewaard in het Prentenkabinet van de Koninklijke Bibliotheek Albert I in Brussel.

In 1917-1918 maakte hij enkele tekeningen bij het middeleeuws mysteriespel "Mariken van Nieumeghen". Deze vertonen een heel andere trant en leunen eerder aan bij volkse houtgravures. Sommigen ervan werden echter nooit gepubliceerd.

In de periode 1918-1922 was hij (een weinig actief) lid van de Brusselse kunstenaarsvereniging Cercle des XV, gesteund door de Galerie Georges Giroux.

In 1918 kreeg hij een eerste retropsectieve tentoonstelling in de galerie van de architect en decorateur Léon Sneyers (1877-1948), maar zonder veel succes.

In 1919 publiceerde hij, in L'Art libre, een bewogen tekst, waarin hij zijn vriendschap en bewondering voor Ensor omschreef. De arrogante Ensor zelf had aanvankelijk wel een afstandelijker houding ten opzichte van Spilliaert. In hetzelfde jaar publiceerde hij een grafiekmap "Sites brabançons" met een suite van 10 monochrome litho's op papier, manueel gehoogd met kleurpotloden

Na het einde van de Eerste Wereldoorlog hervatte Spilliaert zijn reizen naar de kunsthandelaars in Parijs. Een van de grootste collectioneurs van Parijs kocht zelfs integraal zijn meegebrachte werken. Spilliaert moest nog meerdere aanbiedingen afslaan. Hij schepte genoegen in dit succes, in tegenstelling tot de kwetsende kritiek die hij soms kreeg in België.

In 1920 ondertekende Spilliaert zijn eerste contract bij Paul-Gustave Van Hecke en André de Ridder, galeriehouders van Sélection, Atelier d'Art moderne in Brussel. Een te opvallende voorkeur voor de expressionistische kunstenaars Constant Permeke, Frits Van den Berghe en Gustave De Smet belemmerde echter een vlotte samenwerking. Toch verzorgde hij het omslagblad van het Sélection-tijdschrift van oktober 1920, waarin Apollinaire zijn recensies gepubliceerd had, en leverde later enkele losse illustraties.

In 1920 kwam Spilliaert weer in contact met Permeke en liet zich opnieuw inspireren door het vissersleven. Hij schilderde in 1922 opnieuw een portret van Permeke (later uit ongenoegen gescheurd door Permeke), terwijl Permeke Spilliaert en zijn gezin portretteerde op een terras aan zee.

Spilliaert kwam met gezin in mei 1922 terug in Oostende wonen. Hij was bevrijd van financiële zorgen en herleefde aan de kust. Hij vond hier enkele goede vrienden, die hij ook zou portretteren: Marie Storck-Hertoghe (moeder van de cineast Henri Storck), dokter Victor Deknop, Adolf Van Glabbeke (1904-1959), jurist, burgemeester van Oostende en later minister, Fernand Crommelynck en Henri Vandeputte. Deze laatste was een dichter en uitgever van diverse tijdschriften. Hij werd artistiek directeur van het Casino-Kursaal van Oostende tussen 1925 en 1931 en was ook groot verzamelaar. Hij bezong de lof omtrent het werk van de Oostendse kunstenaar in Parijs en gaf verschillende presentaties vbna werken van Spilliaert in het Casino-Kursaal van Oostende. Met zijn gezin trok Spilliaert in 1923 naar St-Jacques-les-Mouillères, nabij het Zuid-Franse Grasse, het buitenverblijf van Vandeputte . Hij zou er 's winters vaker heen gaan. Dit resulteerde in een zeldzame olieverfschilderij "Landschap nabij Grasse" (privébezit).

In de loop van de eerste helft vande jaren 1920 ging Spilliaert over tot een nieuwe techniek: het vermengen van caseïne met ondoorschijnende gouache. Hierdoor kon hij zijn werken verder abstraheren met felle contrasten en schitterende kleuren. Dit komt vooral tot uiting in de vele marines die hij nu begon te schilderen. Ze zijn gekenmerkt door een sterk strepenpatroon en heftige wolkenslierten in felle kleuren of dofblauwe tinten, neigend naar het abstracte. Ook "Landschap met rood dak" uit 1926 (privébezit) is een bijna abstracte tekening geworden.

Een nieuwe vriend, Walter Schwarzenberg, bood hem in 1922, in zijn Brusselse galerie Le Centaure, zijn eerste eigen grote tentoonstelling aan. Spilliaert, die toen reeds veertig was, vertoonde er 56 werken. Een dergelijke late hulde valt te verklaren doordat Spilliaert niet gemakkelijk was in de omgang en niet graag medewerking verleende aan tentoonstellingen, omdat die hem van zijn werk afhielden. Dit was dan ook niet erg bevorderlijk voor zijn naambekendheid in België. Hij moest het evenmin doen uit financiële motieven en was niet gehaast om zijn werken te verkopen. De tentoonstelling werd in lovende woorden van commentaar voorzien door Henri Vandeputte in "Le Carillon" van 11 oktober 1922.[4] Paul Haesaerts zegde hem een monografie toe in Artes Belgicae Hodiernae, doch er kwam niets van in huis. Toch hield hij daar weer een vriend aan over.

De verschillende havengezichten uit 1924/1925 tonen een geometrisch spel van kleurvlakken en geometrische figuren in de vorm van de boten, de kade en de huizen op de achtergrond. In deze reeeks vermeldt de eerder expressionistische tekening van Léon Spilliaert "Havengezicht" uit 1925 (privébezit) de tekst "Fusillade national", verwijzend naar de Vissersopstand in Oostende uit 1877 waarbij er drie doden vielen.

Het overlijden van zijn vader, in 1928, bracht hem uit de financiële zorgen, zodat hij van toen af ongeveer geen werken meer verkocht. In hetzelfde jaar werd hij lid van de Antwerpse kunstkring Kunst van Heden, maar hij had er al tentoonstellingen gehouden in 1921 en 1925. Voor P.-G. Van Hecke verzorgde hij nu de tekstplaten van het surrealistische tijdschrift Variétés (gesticht in 1928).

De bekende Brusselse Galerie Georges Giroux organiseerde een belangrijke Exposition Léon Spilliaert in 1929. In hetzelfde jaar en in 1931 komt hij ook voor in het tentoonstellingspalmares van Galerie Studio (Oostende).

In de jaren 1930 publiceerde Spilliaert opnieuw illustraties in boeken: pentekeningen en gekleurde aquarellen in het kinderboek" Au temps que Nanette était perdu". Uit deze latere periode stammen de surrealistische illustraties met allerlei ingebeelde situaties in het boek "La servante au miroir" van Marcel Lecomte In 1941 volgden nog enkele kleine, schattige tekeningetjes in "Inutilités" (1941) van Paul Neuhuys..

In 1932 kreeg hij een reisbeurs van staatswege. Hij maakte met zijn gezin een reis doorheen Italië, Zwitserland en Oostenrijk. Onderweg tekende hij veel, onder andere in Venetië en de Dolomieten.

In 1934 gaf hij een tentoonstelling in de Antwerpse kunstgalerie Galerie Janus.

Brussel[bewerken]

In 1935 verhuisde het gezin Spilliaert opnieuw naar Brussel zodat zijn dochter Madeleine (1917-2005) haar muzikale studies beter kon voortzetten aan het Koninklijk Muziekconservatorium.

Hij voegde een illustratie (“La flèche et la fauve”) toe aan de bibliofiele uitgave Contes d'Horace Van Offel, verschenen in 1935.

In 1936 kreeg Spilliaert een grote overzichtstentoonstelling in het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel (nu Bozar).

Het vriendschappelijke contact met de Oostendse jurist-politieker Adolphe Van Glabbeke bracht vanaf 1937 de Spilliaerts meermaals naar de Hoge Venen en de Ardennen. Tussen 1937 en 1940 gaf hij in tal van tekeningen zijn interpretatie van de woeste landschappen in de Hoge Venen.

In 1937 trad hij toe tot Les Compagnons de l'Art. Luc en Paul Haesaerts waren de bezielers ervan. Constant Permeke, Hippolyte Daeye, Edgard Tytgat, Jean Brusselmans, Paul Delvaux en Oscar Jespers behoorden ook tot deze ongebonden kunstenaars.

Tijdens de oorlog, van 1940 tot 1944, ontliep Spilliaert elke gelegenheid tot exposeren in Duitsland. Het Brusselse gezin had het in die oorlogstijd niet breed. Hij schilderde overwegend zijn bomen-reeksen. In 1941 gaf hij nog een tentoonstelling in de kunstgalerie La Petite Galerie in Brussel. In 1944 organiseerde het Paleis voor Schone Kunsten de grote Spilliaert-expositie, te Brussel.

Lijdend aan angina pectoris (hartkramp) stierf Léon Spilliaert op 23 november 1946, te Brussel. In zijn atelier waren een groot aantal onverkochte tekeningen achtergebleven. Hij ligt begraven op de begraafplaats aan de Stuiverstraat in Oostende.

Werken[bewerken]

Léon Spilliaert was bijzonder productief. Vele van zijn 3500 werken waren nog onverkocht bij zijn dood. Hij werkte veel en zeer snel in gemengde techniek op papier of schilderskarton. Hij experimenteerde voortdurend met kleurpotlood, vet krijt, Oost-Indische ink, aquarel en gouache. Hij heeft slechts in het begin van zijn loopbaan, met een piek in de jaren 1920 tot 1926, ongeveer 55 olieverfschilderijen gemaakt. Zijn beperkte hoeveelheid drukgrafiek met gravures, litho's en boekillustraties is lang in de schaduw gebleven.Hij heeft ook enkele ontwerpen voor wandtapijt gecreëerd voor de tapijtweefster Elisabeth De Saedeleer.

Er was een tijd dat er in feite niemand wakker lag van de onconventionele werken van Spilliaert. Men kon hem immers geen plaats geven in de belangrijke Europese kunststromingen uit zijn tijd en dit speelde lang in zijn nadeel. De Franstalige kritiek, in het bijzonder van de kunstrecensent Franz Hellens in L'Art Moderne in de periode 1909-1920 was niet bepaald lovend. Naarmate het werk van Spilliaert een evolutie doormaakte, evolueerde ook de kunstkritiek in gunstige zin, onder andere van de dichter Mélot du Dy (in L'Art Libre, 1919), Paul Fierens in Frankrijk en Henri Vandeputte (o.a; in La Patrie, juli 1922). Nederlandstalige kritiek verscheen soms, tussen oktober 1913 en december 1927, in de Nieuwe Rotterdamsche Courant in de rubriek "Kunst te Brussel" van de hand van de dichter en kunstcriticus Karel Van de Woestijne [5]

In het monumentale boek "L'art en Belgique, du moyen âge à nos jours" van de kunstcriticus Paul Fierens dat in 1946 verscheen, wordt Spilliaert een enkele keer met een paar lijnen vernoemd in een kort hoofdstukje "Quelques isolés". Dit in tegenstelling met tijdgenoten zoals Ensor, Permeke en Rik Wouters aan wie lange teksten gewijd werden. In het boek uit 1953 "La peinture belge d'autrefois, 1830-1930" van Pierre Poirier komt de naam Spilliaert zelfs niet voor. Er zou pas een kentering komen in de jaren 60 en begin de jaren 70 van de vorige eeuw. Men begon opnieuw het symbolisme en de Art Nouveau te appreciëren. Dit vertolkte zich in een aantal tentoonstellingen en publicaties van Spilliaertkenners zoals Anne Adriaens-Pannier, Norbert Hostyn, Xavier Tricot en Francine-Claire Legrand. Sindsdien zijn de prijzen voor zijn werken op de kunstmarkt danig gestegen en kunnen gemakkelijk meer dan 100.000 € bedragen.

  • Het restaurant (1904)
  • Vrouw op de zeedijk (1907)
  • Vertigo / hoogtevrees (1908)
  • Zelfportret met spiegel (1908)
  • Vertige (1908), Indische inkt, aquarel en kleurkrijt op papier, 64 x 48 cm, Museum voor Schone Kunsten in Oostende
  • Vrouw op de dijk (1908), aquarel en kleurpotlood op papier, 33,5 x 73 cm, Koninklijke Musea voor Schone Kunsten in Brussel
  • Zittende baadster (1910), Oost-Indische inkt, aquarel en kleurpotlood op papier, 63,5 x 48 cm, Koninklijke Musea voor Schone Kunsten in Brussel
  • Luchtschip in zijn loods (1910), indische inkt, gouache en pastel op papier, 59,8 x 83,7 cm, Koninklijke Musea voor Schone Kunsten in Brussel
  • De oversteek (1913)

Musea en openbare verzamelingen[bewerken]

Ongeveer 80 % van zijn werken bevinden zich nog in privéverzamelingen en komen slechts sporadisch op de kunstmarkt terecht, waar ze dan ook hoge prijzen behalen.

  • Antwerpen, Kon. Museum voor Schone Kunsten
  • Antwerpen, Museum Plantin-Moretus
  • Brest, Musée des Beaux-Arts
  • Brugge, Groeningemuseum
  • Brussel, Prentenkabinet van de Koninklijke Bibliotheek Albert I (met ongeveer 150 tekeningen aangekocht tussen 1956 en 1960 van de weduwe Spilliaert)
  • Brussel, Kon. Musea voor Schone Kunsten van België
  • Brussel, Museum van Elsene
  • Brussel, Museum David en Alice van Buuren (Ukkel)
  • Brussel, verzamelingen van de Kamer van Volksvertegenwoordigers en van de Senaat
  • Detroit, Detroit Institute of Art
  • Deurle, Museum Dhondt-Dhaenens
  • Gent, Museum voor Schone Kunsten
  • Grenoble, Musée des Beaux-Arts
  • Himeji, Himeji City Museum
  • Liège, Musée d' Art Moderne et Contemporain (voorheen Musée du Parc de la Boverie)
  • Liège, Université de Liège
  • New York, Metropolitan Museum of Art
  • Oostende, Mu.ZEE (voorheen P.M.M.K. en M.S.K.; gefusioneerd in 2008)
  • Parijs, Musée d'Orsay
  • Provincie Brabant
  • Stavelot, Musée de l'Abbaye
  • Vlaamse Gemeenschap
  • Brussel, Belfius Collectie (voorheen gekend als Paribas Bank België NV en Dexia)

Naleven en hommages[bewerken]

  • Een afgietsel van zijn handen (genomen na overlijden) en de pasteldoos die hij van zijn vader in 1900 ten geschenke kreeg zijn te zien in het Mu.ZEE in Oostende.
  • Postzegels gewijd aan de schilder werden uitgegeven door de Belgische Posterijen (2006)
  • In Oostende is een straat naar hem genoemd
  • Verschillende iconische foto's door de bekende Oostendse fotograaf Maurice Antony
  • Er bestaan verschillende werken door kunstenaars, geïnspireerd door Léon Spilliaert
    • Georgette Guillaume: Hommage aan Spilliaert (1972) (KMSK, Brussel)
    • Gerard Holmens: Hulde aan Spilliaert (stenen sculptuur in Oostende)
    • Hulde aan Léon Spilliaert, beeld langs de Zeedijk in Oostende
    • Lionel Vinche: De les in het rolschaatsen. Hulde aan Léon Spilliaert (1977) (KMSK, Brussel)
    • Willy Bosschem: Portret van Léon Spilliaert (2013)

Trivia[bewerken]

  • Léon Spilliaert was de achterneef van de Oostendse kunstschilder Emile Spilliaert, die een parapluwinkel uitbaatte naast de parfumeriezaak van de vader van Léon Spilliaert.
  • Hij komt even ook voor in de korte speelfilm Une idylle à la plage van Henri Storck uit 1932, met als andere figuranten de Oostendse kunstschilders James Ensor en Félix Labisse.

Externe link[bewerken]