Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017
Citeertitel Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017
Titel Wet van 26 juli 2017, houdende regels met betrekking tot de inlichtingen- en veiligheidsdiensten alsmede wijziging van enkele wetten
Afkorting Wiv 2017
Soort regeling Wet in formele zin
Toepassingsgebied Nederland
Rechtsgebied Openbare orde en veiligheidsrecht
Status Geldend
Grondslag Geen
Goedkeuring en inwerkingtreding
Ingediend op 28 oktober 2016 door de regering (kabinet-Rutte II)
Aangenomen door Tweede Kamer op 14 februari 2017; Eerste Kamer op 11 juli 2017
Ondertekend op 26 juli 2017
Gepubliceerd op 17 augustus 2017
Gepubliceerd in Stb. 2017, 317
In werking getreden op 1 september 2017 (gedeeltelijk)
1 mei 2018 (volledig)
Geschiedenis
Opvolger van Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002
Wijzigingen Externe lijst
Lees online
Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017
Portaal  Portaalicoon   Mens & maatschappij

De Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 (Wiv 2017)[1], ook wel aangeduid als de "Sleepwet" of "Sleepnetwet", is een Nederlandse wet in formele zin die het wettelijke kader voor de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) en Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) vormt. De wet regelt daarnaast de voorafgaande toetsing door de Toetsingscommissie Inzet Bevoegdheden (TIB) en het toezicht achteraf door de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD). Deze wet vervangt de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 (Wiv 2002).

Aanvankelijk zou de Wiv 2017 per 1 januari 2018 in zijn geheel van kracht worden, maar omdat het langer duurde om kandidaten voor de nieuwe Toetsingscommissie Inzet Bevoegdheden (TIB) te vinden, werd de inwerkingtreding uitgesteld tot 1 mei 2018.[2] De delen die nodig waren voor de werving van commissieleden en administratief personeel waarvoor een veiligheidsonderzoek vereist is traden al op 1 september 2017 in werking.

Voorafgaand aan de inwerkingtreding vond op 21 maart 2018 een raadgevend referendum over de Wiv 2017 plaats, waarna het kabinet op 6 april besloot om enkele kleine wijzigingen in de wet aan te brengen.

Ontstaansgeschiedenis[bewerken]

Toen in 2012 de oude wet op de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 10 jaar bestond, verzocht de Tweede Kamer om een evaluatie. Daartoe werd in februari 2013 de Commissie Dessens ingesteld die op 2 december van dat jaar haar verslag uitbracht.[3] De commissie adviseerde om voortaan ook ongerichte interceptie van kabelgebonden internet- en telefonieverkeer toe te staan. Vanwege het toegenomen wantrouwen jegens de geheime diensten moest daartegenover wel een grotere mate van "sturing, toezicht en transparantie" komen te staan.[4]

Wetgevingsprocedure[bewerken]

De regering heeft het eerste ontwerp voor de nieuwe Wiv gepubliceerd op 2 juli 2015.[5] Daarna kon gedurende twee maanden iedereen die dat wilde via een internetconsultatie een zienswijze over het ontwerp indienen.[6] Dit leidde tot ruim 1100 veelal kritische reacties, waaronder van uiteenlopende bedrijven en organisaties als KPN, Tele2, MKB-Nederland, VNO-NCW en het College voor de Rechten van de Mens.[7] Naar aanleiding van deze kritiek kwam de regering in april 2016 met een aangepast wetsontwerp, waarin een extra toetsingscommissie was opgenomen en de kosten voor interceptie niet meer op de providers worden afgewenteld.[8].

Het ontwerp ging vervolgens naar de Raad van State, die op 21 september 2016 een tamelijk kritisch advies aan de regering uitbracht.[9] Dit leidde opnieuw tot enkele kleine aanpassingen aan het wetsontwerp, dat eind oktober naar de Tweede Kamer werd gestuurd.[10] De vaste Tweede Kamercommissie voor Binnenlandse Zaken hield een drietal hoorzittingen met betrokkenen en deskundigen[11] en tijdens het plenaire debat op 7 februari werden ruim 30 amendementen ingediend, waarvan het overgrote deel door de regering ontraden en door een Kamermeerderheid afgewezen werd.[12] Het wetsvoorstel werd uiteindelijk op 14 februari 2017 door de Tweede Kamer en op 11 juli 2017 door de Eerste Kamer aangenomen.[13] De resultaten van beide stemmingen zijn hieronder weergegeven:

Raadgevend referendum[bewerken]

Stembiljet voor het referendum over de Wiv2017

De wet was referendabel, onder de Wet raadgevend referendum. Een vijftal bètastudenten van de Universiteit van Amsterdam zette als reactie op de wet een website op om verzoeken te verzamelen voor een raadgevend referendum over de wet.[16] In de inleidende fase werden voldoende verzoeken verzameld (meer dan 10.000) om vervolgens een campagne te beginnen voor het verzamelen van minstens 300.000 definitieve verzoeken.

Tijdens de periode waarin referendum-verzoeken konden worden ingediend lieten onder andere burgerrechtenbewegingen Bits of Freedom, Privacy First en Amnesty International weten tegen deze wet te zijn. Amnesty Nederland geeft op haar website de volgende kritiekpunten op de wet:[17]

  • Er kan van iedereen communicatie worden afgetapt, ook van niet-verdachte burgers of van een buurt waarin een verdacht persoon vermeend wordt te verblijven.
  • De geheime diensten krijgen toestemming om in te breken op telefoon, computers, televisies en andere apparaten.
  • Verzamelde gegevens mogen zonder analyse doorgestuurd worden naar inlichtingendiensten van buitenlandse regimes.

Volgens de beheerders van de campagnewebsite was op 9 oktober 2017 het vereiste aantal van 300.000 verzoeken binnengekomen. In totaal werd het verzoekschrift door 407.582 personen ondertekend en deze handtekeningen werden op 16 oktober aan de Kiesraad aangeboden.[18] Deze liet op 1 november 2017 weten dat er zo'n 384.000 geldige verzoeken waren ingediend en het referendum dus doorgang kon vinden. Het referendum werd tegelijk met de gemeenteraadsverkiezingen op 21 maart 2018 gehouden.[19][20]

Resultaat van het referendum[bewerken]

Uitslag van het referendum over de Wiv per gemeente

Met een opkomstpercentage van 51,54% werd de kiesdrempel van 30% ruim gehaald. Van de uitgebrachte stemmen was 46,53% voor invoering van de Wiv 2017, 49,44% tegen en stemde 4,03% blanco.[21] Het kabinet werd daardoor verplicht om de wet te heroverwegen en kondigde op 6 april de volgende aanpassingen aan:[22][23]

  • In de wet zal worden opgenomen dat de bijzondere bevoegdheden, waaronder ongerichte interceptie, zo gericht mogelijk moeten plaatsvinden
  • Het delen van data uit ongerichte kabelinterceptie met buitenlandse diensten mag alleen voor landen waarvoor een zogeheten wegingsnotitie is opgesteld. Voor het uitzetten van die wegingsnotitie was eerst twee jaar uitgetrokken, nu dient die al in 2018 te zijn afgerond. Zonder afgeronde wegingsnotitie wordt geen ongeëvalueerde informatie gedeeld. Toezichthouder CTIVD wordt gevraagd hierop toe te zien en te rapporteren aan de Tweede Kamer.
  • Voor het bewaren van gegevens die via ongerichte toegang tot de kabel zijn verkregen moet jaarlijks toestemming worden gevraagd aan de minister. De maximale bewaartermijn blijft drie jaar.
  • Wanneer de diensten medische gegevens aantreffen die niet mogen worden ingezien, moeten deze direct vernietigd worden
  • Gegevens over journalisten zullen niet worden gedeeld met buitenlandse diensten, tenzij dat noodzakelijk is voor de nationale veiligheid

De twee eerstgenoemde aanpassingen zullen in de Wiv 2017 worden opgenomen, de overige drie in beleidsregels. Totaan de aanpassing van de wet werden alle voorgenomen aanpassingen voorlopig vastgelegd in beleidsregels die per 1 mei 2018 van kracht zijn.[24]

Wijziging van de wet[bewerken]

Op 23 juli 2018 kwam de regering met een conceptvoorstel tot wijziging van de Wiv 2017.[25] Hiervoor stond van 19 juli t/m 19 augustus een internetconsultatie open waar 36 reacties op zijn gekomen.[26]

Wijzigingen ten opzichte van de Wiv 2002[bewerken]

Onder de Wiv 2002 is het de inlichtingendiensten alleen toegestaan om communicatie via de ether (radio- en satellietverkeer) ongericht te onderscheppen. Onder de Wiv 2017 worden de AIVD en MIVD ook bevoegd tot 'ongerichte interceptie van kabelgebonden telecommunicatie'.[27] De inzet van onderzoeksbevoegdheden jegens advocaten en journalisten wordt onderworpen aan voorafgaande toestemming van de rechtbank Den Haag.[28]

Om het recht op privacy van burgers te waarborgen wordt de controle op de inlichtingendiensten aangescherpt. Zo komt er een Toetsingscommissie Inzet Bevoegdheden (TIB), die de toestemming van de minister tot het toepassen van onder meer ongerichte kabelinterceptie en telefoontaps en het hacken van computers aan een voorafgaande, bindende toetsing onderwerpt.

Ook kan onder de Wiv 2017 bij de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) geklaagd worden over het optreden van de betrokken ministers, de AIVD, de MIVD en de coördinator van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. De Commissie wordt daartoe onderverdeeld in een afdeling toezicht en een afdeling klachtbehandeling.[28]

Coördinatie en geïntegreerde aanwijzing[bewerken]

Art. 3 van de wet bepaalt dat de ministers van Binnenlandse Zaken en van Defensie regelmatig overleggen over hun beleid met betrekking tot de AIVD, resp. de MIVD. Dit overleg wordt conform art. 4 voorbereid door de coördinator van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Deze functie wordt vanouds vervuld door de secretaris-generaal van het Ministerie van Algemene Zaken en beschikt over een eigen secretariaat.

De coördinator fungeert tevens als voorzitter van de Commissie Veiligheids- en Inlichtingendiensten Nederland (CVIN), die volgens art. 5 bestaat uit vertegenwoordigers van het ministerie van Algemene Zaken, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Defensie, Buitenlandse Zaken en Veiligheid en Justitie. De CVIN heeft als taak het bepalen van de behoefte aan inlichtingen, de prioriteit en de dekkingsgraad daarvan. Dit ter voorbereiding van de Geïntegreerde Aanwijzing (GA), die door de betrokken ministers voor een periode van 4 jaar wordt vastgesteld.

Onder de oude wet had een dergelijke aanwijzing alleen betrekking op het verzamelen van inlichtingen uit en over het buitenland, maar onder de Wiv 2017 zal deze ook gelden voor de binnenlandse veiligheidstaak. Hierdoor krijgen de zogeheten behoeftestellers (de eerdergenoemde ministeries) een grotere invloed op waar met name de AIVD zich op focust, wat de dienst voorheen zelfstandig op basis van zijn wettelijke taakstelling bepaalde. De nieuwe GA kan aldus het risico van politiek gewenste inlichtingen in zich bergen.[29]

Taken van de diensten[bewerken]

Hoofdkantoor van de AIVD in Zoetermeer

AIVD[bewerken]

Voor de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst noemt de wet de volgende taken, die ook wel worden aangeduid met de letter waaronder ze in artikel 8 lid 2 genoemd worden:

  • A-taak: Het verrichten van onderzoek naar organisaties en personen die aanleiding geven tot het ernstige vermoeden dat zij een gevaar vormen voor de democratische rechtsorde, de veiligheid van de staat of voor andere gewichtige belangen van de staat;
  • B-taak: Het verrichten van veiligheidsonderzoeken naar kandidaten voor vertrouwensfuncties (deze taak is apart uitgewerkt in de Wet veiligheidsonderzoeken);
  • C-taak: Het bevorderen van veiligheidsmaatregelen, waaronder die voor onderdelen van overheid en bedrijfsleven die van vitaal belang zijn voor de instandhouding van het maatschappelijk leven;
  • D-taak: Het verrichten van onderzoek naar andere landen ten aanzien van onderwerpen die door de minister-president, de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de minister van Defensie gezamenlijk zijn aangewezen.
  • E-taak: Dreigings- en risico-analyses opstellen met betrekking tot personen, zaken en plaatsen van het rijk.
Hoofdkantoor van de MIVD in Den Haag

MIVD[bewerken]

Voor de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst noemt de wet de volgende taken, die ook wel worden aangeduid met de letter waaronder zij in artikel 10 lid 2 worden opgesomd:

  • A-taak: Inlichtingen verzamelen over het militaire potentieel van andere landen, om de Nederlandse krijgsmacht beter te kunnen inrichten en benutten.
  • B-taak: Veiligheidsonderzoeken doen naar kandidaten voor vertrouwensfuncties bij Defensie en toeleveranciers van Defensie.
  • C-taak: Informatie verzamelen ter preventie van activiteiten die de veiligheid of de paraatheid van de krijgsmacht schaden (ook wel aangeduid als de veiligheids- of contra-inlichtingentaak).
  • D-taak: Maatregelen nemen om de veiligheid en de paraatheid van de krijgsmacht te beschermen, waaronder de beveiliging van geheime militaire informatie.
  • E-taak: Het doen van onderzoek betreffende andere landen en thema's die door de regering zijn aangewezen. Het gaat daarbij om onderwerpen met een militaire relevantie of over gebieden waar het Nederlandse leger als vredesmacht wordt ingezet, dan wel ingezet zou kunnen worden.
  • F-taak: Dreigingsanalyses opstellen met betrekking tot personen, zaken en plaatsen die van militair belang zijn.

Bijzondere bevoegdheden[bewerken]

Voor het uitvoeren van bovengenoemde taken kent de Wiv aan zowel de AIVD als de MIVD een reeks van bijzondere bevoegdheden toe. Deze zijn vergelijkbaar met de bijzondere opsporingsbevoegdheden van de politie. De uitoefening van deze bijzondere bevoegdheden is alleen geoorloofd als de benodigde informatie niet of niet tijdig via openbare bronnen verzameld kan worden.

De bijzondere bevoegdheden worden in de artikelen 40 t/m 58 van de wet limitatief opgesomd:

  • Het observeren en volgen van personen, al dan niet met behulp van apparatuur (art. 40)
  • Het inzetten van agenten om, al dan niet onder een dekmantel, gericht informatie over personen en organisaties te verzamelen (art. 41)
  • Het doorzoeken van besloten plaatsen en gesloten voorwerpen, al dan niet met behulp van technische hulpmiddelen (art. 42)
  • Het verrichten van DNA-onderzoek om de identiteit van personen vast te stellen of te verifiëren. Het celmateriaal moet uiterlijk 3 maanden na het onderzoek vernietigd worden, de hieruit afgeleide DNA-profielen mogen maximaal 5 jaar bewaard worden, waarna verlenging met telkens 5 jaar mogelijk is (art. 43)
  • Het heimelijk openen van brieven en andere postzendingen, maar alleen na verkregen toestemming van de rechtbank Den Haag (art. 44)
  • Het binnendringen in een "geautomatiseerd werk", al dan niet met behulp van technische hulpmiddelen, valse signalen, valse sleutels of valse hoedanigheid, over het algemeen aangeduid als hacken, wat ook mag plaatsvinden via computersystemen van een derde (art. 45)
  • Het gericht aftappen, ontvangen, opnemen en afluisteren van elke vorm van gesprek of elektronische communicatie, onder meer door middel van een telefoon- of internettap (art. 47)
  • Het ongericht onderscheppen van elektronische communicatie, het aansluitend vaststellen van de aard daarvan, het vaststellen of verifiëren van de daarbij betrokken personen of organisaties, en tenslotte op de metadata geautomatiseerde data-analyse toepassen en de inhoudsdata gericht selecteren ter nadere analyse (artt. 48-50). De wet noemt deze bevoegdheid "onderzoeksopdrachtgericht onderzoek", tegenstanders spreken van een "sleepnet".
  • Het bij aanbieders van communicatiediensten opvragen van gegevens die nodig zijn voor de gerichte en ongerichte interceptie en hun medewerking bij de uitvoering daarvan verlangen (artt. 52-53)
  • Het bij aanbieders van communicatiediensten opvragen van gegevens over bij deze dienst opgeslagen communicatie van een bepaalde gebruiker (art. 54)
  • Het bij aanbieders van communicatiediensten opvragen van gegevens over het communicatieverkeer van een bepaalde gebruiker op of rond het tijdstip van het verzoek (art. 55)
  • Het bij aanbieders van communicatiediensten opvragen van naam, adres en nummers van de gebruikers van hun diensten. Dit gebeurt via het Centraal Informatiepunt Onderzoek Telecommunicatie (CIOT), dat als doorgeefluik voor de betreffende gegevens van telecom- en internetaanbieders fungeert[30] (art. 56)
  • Verlangen dat ten behoeve van de gerichte of de ongerichte interceptie wordt meegewerkt aan het ongedaan maken van eventueel aanwezige versleuteling (art. 57)
  • Toegang tot alle plaatsen die voor medewerkers van de diensten nodig zijn voor het uitoefenen van hun taken en bevoegdheden (art. 58)

Al deze bevoegdheden mogen volgens art. 26 en 28 alleen worden ingezet als sprake is van:

Wanneer jegens iemand de bijzondere bevoegdheden van art. 44 (heimelijk openen van brieven), art. 47 (gerichte taps) of art. 58 (heimelijke toegang tot woningen) zijn ingezet, moet na 5 jaar worden gekeken of die persoon daarvan schriftelijk op de hoogte kan worden gebracht, voor zover hiermee geen zwaarwegende belangen van de diensten of van andere landen geschaad worden. Dit staat bekend als de notificatieplicht (art. 59).

De ambtenaren van de AIVD en de MIVD dragen geen wapens en zijn geen opsporingsambtenaar, zodat ze geen mensen mogen arresteren. Dat is een taak van de politie, die daarbij eventueel wel gebruik kan maken van informatie die de AIVD heeft doorgegeven.[31]

Toegang tot databases[bewerken]

Op basis van artikel 39 mogen AIVD en MIVD bij bestuursorganen, ambtenaren en ieder ander (die dan als informant wordt aangemerkt) gegevens opvragen die nodig zijn voor het uitvoeren van hun taak. Dit kan onder meer inhouden dat volledige databases worden overhandigd, dan wel dat de diensten "rechtstreeks geautomatiseerde toegang" tot dergelijke gegevensbestanden krijgen. Het gaat hier om informatie die vrijwillig aan de diensten verstrekt wordt en is dus geen bijzondere bevoegdheid, zodat hiervoor geen toestemming van de minister vereist is.

De rechtstreekse geautomatiseerde toegang tot databestanden geschiedt volgens de memorie van toelichting (MvT) op basis van een zogeheten "hit/no hit-systeem", dat wil zeggen dat alleen als een gezochte term overeenkomt met een term in de betreffende database (een 'hit' of 'treffer'), de gegevens voor de geheime dienst beschikbaar komen.[32]

Op gegevens uit openbare bronnen, uit de eigen databases, uit databases die derden verstrekt hebben en uit databases waartoe directe geautomatiseerde toegang is, mogen de geheime diensten data-analyse toepassen. Dit houdt in dat gegevens uit deze databases met elkaar mogen worden vergeleken, mogen worden doorzocht met behulp van profielen en mogen worden vergeleken om bepaalde patronen op te sporen.

Volgens de MvT was het aanvankelijk de bedoeling dat er geen maatregelen tegen personen mochten worden genomen, louter op basis van profilering, maar uiteindelijk is in lid 3 van art. 60 bepaald dat op de uitkomst van alle vormen van data-analyse een menselijke afweging en interpretatie toegepast dient te worden.[33]

Bewaartermijnen[bewerken]

Gegevens die middels een van de bijzondere bevoegdheden verkregen zijn, moeten op grond van art. 27 zo spoedig mogelijk op hun relevantie onderzocht worden en zodra die relevantie niet meer aanwezig is, terstond worden vernietigd. Voor het overige gelden de volgende bewaartermijnen:

  • De meeste gegevens die de diensten verzamelen op basis van de Wiv en die gedurende 1 jaar (te verlengen tot 1,5 jaar) niet worden gebruikt, moeten worden vernietigd
  • Communicatie tussen een advocaat en cliënt moet meteen worden vernietigd (tenzij voor de verzameling toestemming van de rechtbank is verkregen)
  • Gegevens verkregen met een "onderzoeksopdrachtgericht onderzoek" (ongericht verzamelen) moeten na drie jaar worden verwijderd, behalve het gedeelte dat inmiddels is gebruikt.
  • Materiaal dat DNA bevat dat gedurende 3 maanden (te verlengen tot 6 maanden) niet is getest, moet worden vernietigd.

Op basis van art. 76 kunnen burgers een verzoek indienen ter inzage van de persoonsgegevens die de diensten over hen hebben verwerkt. Art. 80 geeft dit recht ook voor niet-persoonsgegevens over een bepaalde bestuurlijke zaak. De regels voor het aanvragen, toekennen en weigeren van dergelijke inzageverzoeken staan uitgewerkt in hoofdstuk 5 van de wet (artt. 74 t/m 85).

Gegevensverstrekking en samenwerking[bewerken]

In de laatste paragraaf van hoofdstuk 3 (artt. 62 t/m 70) regelt de Wiv 2017 het verstrekken van door AIVD en MIVD verwerkte gegevens. Op basis van art. 62 mogen de diensten gegevens doorgeven aan hun minister, aan bestuursorganen en andere instanties en personen, alsmede aan buitenlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten waar mee wordt samengewerkt. De regels voor zowel binnenlandse als buitenlandse samenwerking staan in hoofdstuk 6 van de wet (artt. 86 t/m 96).

Bij alle gegevens die verstrekt worden, kunnen de diensten de voorwaarde stellen dat deze niet aan derden mogen worden doorgegeven (art. 65). Internationaal staat dit bekend als de third party rule.

Binnenlands[bewerken]

Samenwerking tussen AIVD en MIVD wordt geregeld in de artikelen 86 en 87. Voor de uitvoering van onder meer hackoperaties en van gerichte en ongerichte interceptie werken beide diensten sinds 2014 samen in de Joint Sigint Cyber Unit (JSCU).

Als een van de diensten stuit op informatie die van belang kan zijn voor de opsporing van strafbare feiten, dan kan de minister of het hoofd van de dienst die op basis van art. 66 schriftelijk doorgeven aan het Openbaar Ministerie. Persoonsgegevens mogen alleen worden doorgegeven als de ontvanger ook de bevoegdheid heeft om eventuele maatregelen tegen de betreffende persoon te nemen (art. 68). Omgekeerd moet het Openbaar Ministerie de AIVD, danwel de MIVD op de hoogte brengen van gegevens die voor deze diensten van belang kunnen zijn (art. 93).

Op grond van art. 91 kunnen de Nationale Politie, de Koninklijke Marechaussee, de Belastingdienst, de Immigratie- en Naturalisatiedienst[34] en de Inspectie SZW taken ten behoeve van de AIVD uitvoeren. Bij de politie gebeurt dit door de Regionale Inlichtingendiensten (RID-Wiv). Op vergelijkbare wijze kan de marechaussee ook taken voor de MIVD uitvoeren (art. 92). Voor dergelijke taken staan de ambtenaren van deze diensten onder aanwijzingsbevoegdheid van het hoofd van de AIVD, resp. de MIVD en onder eindverantwoordelijkheid van de minister van Binnenlandse Zaken, resp. Defensie.

AIVD en MIVD kunnen op verzoek ook (technische) ondersteuning verlenen aan de politie en andere instanties die met strafvervolging belast zijn (art. 95).

Buitenlands[bewerken]

Voor het aangaan van een samenwerkingsverband met een buitenlandse dienst is toestemming van de minister nodig, nadat eerst is afgewogen hoe de betreffende buitenlandse dienst er voor staat op het gebied van democratische inbedding, eerbiediging van de mensenrechten, professionaliteit en betrouwbaarheid, wettelijke bevoegdheden en mogelijkheden, alsmede het niveau van gegevensbescherming (art. 88). Dit wordt vastgelegd in een zogeheten wegingsnotitie.

Aan buitenlandse diensten waarmee een dergelijke samenwerkingsrelatie bestaat mogen gegevens worden verstrekt, mits dit niet tegen de belangen en de goede taakuitvoering van de Nederlandse diensten ingaat (art. 89 lid 1). Gaat het echter om ongeëvalueerde gegevens, dan is voorafgaande toestemming van de minister nodig (art. 89 lid 2). Deze toestemming hoeft niet door de TIB getoetst te worden. Ongeëvalueerde gegevens zijn vaak grotere hoeveelheden data, waarvan nog niet is beoordeeld of die relevant zijn voor de dienst.[35]

Bij een dringende en gewichtige reden mogen zowel geëvalueerde als ongeëvalueerde gegevens ook worden gedeeld met buitenlandse diensten waarmee geen samenwerkingsrelatie bestaat. Ook hiervoor is toestemming van de minister vereist, zonder toetsing door de TIB (art. 64).

AIVD en MIVD mogen op verzoek van een buitenlandse dienst ook (technische) ondersteuning verlenen, mits dat niet tegen de belangen en de goede taakuitvoering van de Nederlandse diensten ingaat. Bovendien mag het er niet toe leiden dat een buitenlandse dienst zelf in Nederland gegevens kan gaan verzamelen. Er is tevens voorafgaande toestemming van de minister of van het hoofd van de dienst nodig (art. 89 leden 4-6). Omgekeerd mogen ook de Nederlandse diensten aan buitenlandse partnerdiensten ondersteuning verzoeken. Artikel 90 geeft daarvoor nadere regels.

Toestemming en toetsing[bewerken]

Voor het stelselmatig verzamelen van informatie over bepaalde personen vanuit openbare bronnen is toestemming van de minister nodig, maar deze kan ook in mandaat door het hoofd, of in ondermandaat door een ambtenaar van de dienst gegeven worden (art. 38).

Toestemming door de minister

Voor de inzet van een van de bijzondere bevoegdheden is voorafgaande toestemming van de betrokken minister nodig: voor de AIVD is dat de minister van Binnenlandse Zaken, voor de MIVD die van Defensie. Op schriftelijk verzoek van het hoofd van de betreffende dienst, kan de minister deze toestemming verlenen voor een periode van maximaal 3 maanden, waarna een verzoek kan worden gedaan voor verlenging met dezelfde termijn (art. 29 en 30). Ook voor de verschillende vormen van samenwerking met buitenlandse diensten is toestemming van de minister nodig.

Toestemming door de rechtbank

Gaat het echter om het inzetten van een bijzondere bevoegdheid jegens een advocaat of een journalist, waarbij vertrouwelijke communicatie met een cliënt, respectievelijk gegevens over een bron vergaard kunnen worden, dan moet de rechtbank Den Haag toestemming geven. Dit gebeurt op verzoek van de minister voor een periode van maximaal 4 weken, met de mogelijkheid tot verlenging (art. 30). Wanneer in andere gevallen via een bijzondere bevoegdheid communicatie tussen een advocaat en diens cliënt verkregen wordt, moet deze direct worden vernietigd (art. 27 lid 2).

Toetsing door de TIB

Voor de meeste bijzondere bevoegdheden is in de Wiv 2017 bepaald dat de toestemming van de minister nog eens (bindend) op rechtmatigheid moet worden getoetst door de nieuw ingestelde Toetsingscommissie Inzet Bevoegdheden (TIB). Deze bestaat uit drie leden, die op voordracht van de minister bij koninklijk besluit voor zes jaar worden benoemd. Minstens twee van de drie leden, waaronder de voorzitter, moeten minstens zes jaar als rechter werkzaam zijn geweest. De TIB zal over een eigen secretariaat beschikken (artt. 32 t/m 37). Op 23 januari 2018 ging de Tweede Kamer akkoord met de benoeming van de volgende personen:[36]

De TIB voert regelmatig overleg met toezichthouder CTIVD (zie onder) om tot een eenduidige interpretatie van de Wiv 2017 te komen. Naar aanleiding van een dergelijk rechtseenheidsoverleg stuurden beide toezichthouders op 23 november 2018 twee brieven aan de Eerste en de Tweede Kamer, de ene over de inzet van bijzondere bevoegdheden in relatie tot de samenwerking met buitenlandse diensten en de andere over hoe geautomatiseerde analyse van metadata zal worden getoetst.[37]

Commissie van Toezicht[bewerken]

In de artikelen 97 t/m 134 regelt de wet de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD). Met ingang van deze nieuwe wet bestaat de commissie uit een afdeling toezicht en een afdeling klachtbehandeling.

  • De afdeling toezicht houdt toezicht op de rechtmatigheid van de uitvoering van de Wiv en van de Wet veiligheidsonderzoeken (Wvo). Op basis daarvan wordt zowel het handelen van de AIVD als van de MIVD getoetst, waarbij de afdeling over verregaande onderzoeksbevoegdheden beschikt. De CTIVD brengt hierover niet-bindend advies uit aan de minister.
  • De afdeling klachtbehandeling onderzoekt en beoordeelt klachten over de AIVD, de MIVD, de betrokken ministers en de coördinator van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, alsmede meldingen over vermoedelijke misstanden bij deze diensten. Het oordeel van de afdeling klachtbehandeling is bindend.[28]

De Commissie bestaat uit vier leden, waaronder een voorzitter, die voor een termijn van zes jaar op voordracht van de Tweede Kamer bij koninklijk besluit worden benoemd. De voorzitter van de Commissie is tevens voorzitter van de afdeling toezicht, waarnaast een lid van de Commissie als voorzitter van de afdeling klachtbehandeling fungeert. Beide afdelingen tellen drie leden, inclusief hun voorzitter. De Commissie wordt ondersteund door een eigen secretariaat.

Over door de CTIVD gedane onderzoeken worden rapporten opgesteld. Bovendien wordt elk jaar een verslag van de werkzaamheden uitgebracht aan de beide kamers van de Staten-Generaal. Zowel de rapporten als het jaarverslag zijn openbaar, maar kunnen een geheime bijlage bevatten die alleen door de leden van de Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CIVD, ook wel "Commissie Stiekem") van de Tweede Kamer gelezen mag worden.

Evaluatie[bewerken]

In artikel 167 is bepaald dat de regering elke 5 jaar een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet naar de Tweede Kamer zal sturen. In het regeerakkoord voor het kabinet-Rutte III werd bepaald dat na 2 jaar een onafhankelijke commissie zal beginnen met een eerste evaluatie van de Wiv 2017.[38]

Externe links[bewerken]