Belastingdruk

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Belastingdruk is de mate waarin de belastingheffingen drukken op het besteedbaar inkomen. Belastingdruk is een onderdeel van lastendruk, waar bijvoorbeeld ook premiedruk en huurdruk toe worden gerekend.

Gemiddeld[bewerken]

De gemiddelde belastingdruk is een percentage dat aangeeft hoeveel procent van het bruto inkomen er wordt uitgegeven aan belastingen. Hierbij hoort de formule

\mathit{Gemiddelde~belastingdruk} = \frac{B}{Y}×100%
  • B staat voor het totale belastingbedrag.
  • Y staat voor het totale bruto inkomen.

Marginaal[bewerken]

De marginale belastingdruk is een percentage dat aangeeft hoeveel procent er wordt betaald over de laatstverdiende euro. Hierbij hoort de formule

\mathit{Marginale~belastingdruk} = \frac{\Delta B}{\Delta Y}×100%
  • B staat voor het totale belastingbedrag.
  • Y staat voor het totale bruto inkomen.

(wiskundig, nauwkeuriger: de afgeleide)

Analoog kan de marginale lastendruk of eenvoudig marginale druk gedefinieerd worden, waarbij bijvoorbeeld ook sociale premies meegeteld worden. Toeslagen kunnen ook als negatieve lasten meegeteld worden. Deze zorgen veelal ook voor een extra marginale lastendruk, nl. als ze lager zijn bij een hoger inkomen. Inkomensafhankelijke kosten, bijvoorbeeld voor woonhuur of zorg, dragen ook bij aan de marginale lastendruk. Bij woonhuur in Nederland kan dit oplopen doordat eenmalig inkomen tot blijvende huurverhoging kan leiden.

Een hoge marginale lastendruk beperkt de stimulans om (meer) te gaan werken (als dit het geval is bij een laag inkomen spreekt men van een armoedeval), maar verzacht een inkomensachteruitgang.

De Commissie Van Dijkhuizen heeft voorgesteld het afbouwpercentage van de huurtoeslag, de zorgtoeslag en het kindgebonden budget gezamenlijk (de vermindering van het totaal per euro inkomenstoename) te stellen op 21,5% voor alleenstaanden en 15% voor partners gezamenlijk. Ook stelt de commissie voor om aftrekposten voor de inkomstenbelasting niet meer te laten doorwerken in de toeslagen, om te voorkomen dat het voordeel van een aftrekpost te groot wordt. Dit kan door de aftrekpost om te zetten in een subsidie of een heffingskorting.

Belastingdruk in de EU[bewerken]

De gehele Europese Unie wordt beschouwd als een gebied waar hoge belastingen worden geheven. In 2007 bedroegen de belastingen en de bijdragen aan de sociale voorzieningen in de 27 lidstaten van de Unie gemiddeld 39,8% wat ongeveer 12% meer is dan in Japan en de Verenigde Staten. Ook andere landen uit de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling komen niet aan dit hoge percentage en alleen Nieuw-Zeeland komt in de buurt met een belastingdruk van 35% van het BBP. Binnen de Europese Unie verschilt de belastingdruk van lidstaat tot lidstaat ook sterk. Zo is de belastingdruk in Roemenië met 29,4% het laagst en in Denemarken met 48,7% het hoogst.


Belastingdruk in de Europese Unie in % van het BBP
Land 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007
België 43,8 44,4 44,9 45,5 45,5 45,2 45,2 45,3 44,9 45,0 44,9 44,5 43,0
Bulgarije - - - - 30,6 32,5 30,9 29,6 32,2 33,1 34,0 33,2 34,2
Tsjechië 36,2 34,7 35,0 33,3 34,0 33,8 34,0 34,8 35,7 37,4 37,1 36,7 36,9
Denemarken 48,8 49,2 48,9 49,3 50,1 49,4 48,4 47,8 48,0 49,0 50,8 49,6 48,7
Duitsland 39,8 40,7 40,7 40,9 41,7 41,9 40,0 39,5 39,6 38,7 38,8 39,2 39,5
Estland 36,4 34,4 34,4 34,2 32,7 31,3 30,5 31,1 30,9 30,7 30,9 31,3 33,1
Ierland 33,1 33,1 32,4 31,8 31,8 31,6 29,8 28,5 29,0 30,3 30,7 32,1 31,2
Griekenland 29,1 29,4 30,6 32,5 33,3 34,6 33,2 33,7 32,3 31,2 31,5 31,3 32,1
Spanje 32,7 33,1 33,2 33,0 33,6 33,9 33,5 33,9 33,9 34,5 35,6 36,5 37,1
Frankrijk 42,7 43,9 44,1 44,0 44,9 44,1 43,8 43,1 42,9 43,2 43,6 43,9 43,3
Italië 40,1 41,8 43,7 42,5 42,5 41,8 41,5 40,9 41,3 40,6 40,4 42,1 43,3
Cyprus 26,7 26,4 25,8 27,7 28,0 30,0 30,9 31,2 33,0 33,4 35,5 36,5 41,6
Letland 33,2 30,8 32,1 33,7 32,0 29,5 28,5 28,3 28,5 28,5 29,0 30,4 30,5
Litouwen 28,5 27,9 31,0 32,0 31,8 30,1 28,6 28,4 28,1 28,3 28,5 29,4 29,9
Luxemburg 37,1 37,6 39,3 39,4 38,3 39,1 39,8 39,3 38,1 37,2 37,5 35,8 36,7
Hongarije 41,6 40,6 39,0 39,0 39,1 38,5 38,3 38,0 37,7 37,6 37,5 37,2 39,8
Malta 26,8 25,4 27,5 25,6 27,3 28,2 30,4 31,5 31,4 32,8 33,8 33,7 34,7
Nederland 40,2 40,2 39,7 39,4 40,4 39,9 38,3 37,7 37,4 37,5 37,6 39,1 38,9
Oostenrijk 41,4 42,9 44,4 44,4 44,0 43,2 45,3 43,9 43,8 43,4 42,2 41,7 42,1
Polen 37,1 37,2 36,5 35,4 34,9 32,6 32,2 32,7 32,2 31,5 32,8 33,8 34,8
Portugal 32,1 32,9 33,0 33,2 34,1 34,3 33,9 34,7 34,8 34,1 35,1 35,9 36,8
Roemenië - - - 38,7 31,3 30,4 28,9 28,1 27,7 27,3 27,9 28,6 29,4
Slovenië 39,2 38,1 37,0 37,8 38,2 37,5 37,7 38,0 38,2 38,3 38,7 38,4 38,2
Slowakije 40,3 39,4 37,3 36,7 35,4 34,1 33,2 33,2 33,1 31,6 31,5 29,4 29,4
Finland 45,7 47,0 46,3 46,1 45,8 47,2 44,6 44,6 44,0 43,5 44,0 43,5 43,0
Zweden 47,9 50,4 50,9 51,5 51,8 51,8 49,9 47,9 48,3 48,7 49,6 49,0 48,3
Verenigd Koninkrijk 34,7 34,4 34,8 35,9 36,2 36,7 36,4 34,9 34,7 35,2 36,1 36,9 36,3
EU-27 gemiddelde - - - - 40,8 40,6 39,7 39,0 39,0 38,9 39,2 39,7 39,8

Nederland[bewerken]

De marginale druk geeft aan welk deel van de stijging van het bruto inkomen niet resulteert in een hoger nominaal beschikbaar inkomen, maar in hogere af te dragen belastingen en premies, hogere of lagere heffingskortingen en lagere toeslagen.[1] Tussen bruto inkomen en nominaal beschikbaar inkomen zitten loon- en inkomstenheffing, sociale premies, ziektekostenpremies en pensioenpremie voor zover voor rekening van de werknemer en ontvangen toeslagen voor huur, zorg en kinderen. Wat meegeteld wordt is een kwestie van definitie.

Pensioenpremie voor zover voor rekening van de werknemer wordt hier wel meegerekend, maar kan ook weggelaten worden als zijnde een vorm van sparen.

Bij de genoemde definitie worden sociale lasten voor werkgevers (waaronder ook de IAB) en indirecte belastingen niet meegerekend. Indirect betalen werknemers hier wel min of meer voor, onder meer doordat deze werkgeverswig een rol speelt bij de loononderhandelingen.

Bij de genoemde definitie worden ook indirecte belastingen niet meegerekend.

Bij inkomsten in box 1 vormen de schijventarieven de basis voor de marginale druk.

Bij de arbeidskorting is er een opbouwtraject dat de marginale druk verlaagt en een afbouwtraject dat de marginale druk verhoogt.

Bij de algemene heffingskorting zijn er plannen voor een afbouwtraject dat de marginale druk 3%-punt verhoogt.

Bij arbeidsinkomen van een zelfstandige, pensioen, lijfrente en ontvangen partneralimentatie zorgt de IAB voor een extra marginale druk van 5%-punt.

Bij een genieter van een uitkering WWB is de marginale druk 100%: doordat het inkomen wordt aangevuld tot een norm leidt een extra euro verdiend inkomen tot een aanvulling die een euro kleiner is, waardoor het besteedbaar inkomen niet verandert. Een variant zou kunnen zijn dat bij de WWB niet met alle kosten ter verwerving van het inkomen rekening wordt gehouden zodat men bij meer werken minder besteedbaar inkomen heeft (marginale druk groter dan 100%) of een regeling dat een deel van de inkomsten niet gekort worden op de uitkering (marginale druk kleiner dan 100%).

Volgens het herziene regeerakkoord 2012 zal de marginale druk sterk stijgen bij een inkomen van ongeveer € 20.000, nog verder stijgen tot een inkomen van € 30.000, wat lager zijn tussen € 30.000 en € 80.000, vervolgens tot € 120.000 enkele procenten boven de 52% zitten, en vervolgens 52% zijn.[2][3][4]

Zie ook[bewerken]

Bronnen[bewerken]

  • (en) Eurostat Taxation trends in the European Union, main results: 2009 edition
Bronnen, noten en/of referenties