Deventer moordzaak

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De Deventer moordzaak is de naam die gegeven wordt aan de rechtszaak na de moord op de weduwe Wittenberg in 1999 te Deventer, één van de langst lopende zaken uit de geschiedenis van het Nederlandse strafrecht. De zaak is vooral bekend geworden doordat de Hoge Raad in 2003 besliste dat er gronden waren voor revisie, nadat de veronderstelde dader in eerste instantie was veroordeeld en later vrijgesproken. De zaak nam een onverwachte wending toen vervolgens het gerechtshof te 's-Hertogenbosch alsnog tot een veroordeling kwam wegens moord. In 2006 besloot het Openbaar Ministerie tot nieuw onderzoek naar het bewijsmateriaal, dat evenwel niet leidde tot andere conclusies dan die de rechters al eerder hadden getrokken. De vraag die al jaren in deze zaak centraal staat is of het Nederlandse rechtssysteem fouten heeft gemaakt met betrekking tot het bewijsmateriaal op grond waarvan de vermeende dader is veroordeeld, of dat de veroordeling toch terecht was.

Inhoud

[bewerken] De moord

De weduwe Jacqueline Wittenberg werd op 23 september 1999 in haar woning in Deventer vermoord. Twee maanden later werd de accountant van de vrouw, Ernest Louwes, gearresteerd. De verdenking jegens Louwes concentreerde zich in eerste instantie op twee aspecten. Uit telefoongegevens was gebleken dat Louwes op de dag van de moord als laatste telefonisch contact had gehad met de weduwe en op dat moment in Deventer was. Bovendien zou uit een geurproef zijn gebleken dat er een verband bestond tussen Louwes en het veronderstelde moordwapen. Louwes verklaarde dat hij ten tijde van het plegen van dit telefoongesprek bij de A28 was en niet in Deventer.

Ondanks die aanwijzingen achtte de rechtbank te Zwolle niet wettig en overtuigend bewezen dat Louwes de moord had gepleegd. Het sprak hem in maart 2000 vrij. In hoger beroep oordeelde het gerechtshof te Arnhem in december 2000 echter anders. Louwes werd veroordeeld wegens moord en kreeg een straf van twaalf jaar. Louwes stelde hiertegen beroep in cassatie in. Dit cassatieberoep werd verworpen, waarna bij de Hoge Raad der Nederlanden een herzieningsverzoek ingediend werd door mr. Boksem, Louwes' toenmalige advocaat. Om Louwes was inmiddels een groep medestanders (zogenoemde 'burgerdeskundigen') ontstaan die van mening waren dat het dossier aantoonde dat hij onschuldig was.

In juli 2003 wees de Hoge Raad dit herzieningsverzoek toe, omdat was gebleken dat de geurproeven onbetrouwbaar waren geweest en het veronderstelde moordwapen niet het echte was. Het gerechtshof te 's-Hertogenbosch diende de zaak dus opnieuw te beoordelen. Daarbij besliste de Hoge Raad tevens dat de gevangenisstraf van Louwes werd geschorst zoals de wet voorschrijft, waardoor Louwes voorlopig op vrije voeten kwam. Tijdens de nieuwe behandeling ter terechtzitting bij het Gerechtshof 's-Hertogenbosch kwam het Openbaar Ministerie met nieuw DNA-bewijs gegenereerd door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) dat van de blouse van de weduwe Wittenberg afkomstig was. Op grond van dat nieuwe bewijs kwam het gerechtshof 's-Hertogenbosch in februari 2004 tot het oordeel dat Louwes terecht veroordeeld was, en werd de uitspraak van het Arnhemse gerechtshof gehandhaafd onder verbetering van gronden (dat wil zeggen verbetering van het bewijs). Daarmee kwam het mes als bewijs te vervallen en werden de conclusies die uit het DNA-onderzoek werden getrokken in plaats daarvan als bewijs opgenomen. Ook de gevangenisstraf van twaalf jaar werd door het hof in stand gelaten en Louwes werd direct weer gevangengenomen. Het cassatieverzoek tegen het arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch werd op 22 februari 2005 door de Hoge Raad afgewezen.

Het DNA-bewijs is door het hof toegelaten nadat justitie kon verklaren dat de blouse waarop het DNA gevonden is, altijd goed bewaard was gebleven. Dit proces-verbaal, chain of custody, is ondertekend door twee rechercheurs die vanaf het begin bij de zaak betrokken waren. Een van hen had echter enige maanden ervoor aan de officier van justitie in een brief bekendgemaakt niet op de hoogte te zijn waar de blouse zich bevond ("er kan dus in de tussentijd van alles mee gebeurd zijn"), de ander heeft later aangegeven kort na de ontdekking van de moord niet meer betrokken te zijn geweest bij de zaak. Hoofdofficier Tomesen verklaarde aan de rechter "dat deze tweede rechercheur ten onrechte het PV heeft getekend, maar dat dat niets afdoet aan de inhoud ervan". Een aangifte tegen deze rechercheurs is nooit in behandeling genomen door het OM. Via een artikel 12-procedure wordt alsnog geprobeerd de rechercheurs te vervolgen voor meineed.

[bewerken] Nieuw onderzoek

Op 31 januari 2006 maakte het Ministerie van Justitie bekend dat een nieuw oriënterend onderzoek zou worden gestart. Aanleiding daartoe was een verzoek van professor Peter van Koppen, aangevuld met gegevens die waren verzameld door Maurice de Hond c.s. die er op zouden wijzen dat er fouten in het strafrechtelijke onderzoek waren gemaakt. De Hond beoogde nader onderzoek naar mogelijk voor Louwes ontlastende feiten, en nader onderzoek naar de rol die iemand die bekend staat als "de klusjesman" van de weduwe bij de moord gespeeld zou kunnen hebben.

Een verzoek van de huidige advocaat van Louwes, mr. Geert-Jan Knoops, bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens is kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, hoewel deze uitspraak niet is gepubliceerd.[bron?]

Op 31 maart 2006 werd DNA-bewijs waarop Louwes eerder werd veroordeeld opnieuw beoordeeld door dr. Kenny van de Britse Forensic Science Service (FSS). De rapportage van het FSS werd door de diverse partijen verschillend geïnterpreteerd. Zo stelde de advocaat van Louwes dat het FSS-onderzoek aangeeft dat de gevonden sporen van Louwes geen zogenoemde dadersporen hoeven te zijn. Rechtspsycholoog Peter van Koppen was echter van mening dat het FSS-onderzoek nog belastender was voor de veroordeelde dan de eerdere analyse van het NFI. Ook mr. Machielse, advocaat-generaal bij de Hoge Raad, kwam op 20 maart 2007 tot die conclusie ook nadat het FLDO (Prof. De Knijff) de bewering van het FSS had onderzocht dat er mogelijk DNA van derden in het spel was. Deze stelling zou worden tegengesproken door zeer gevoelig Y-chromosomaal onderzoek dat geen DNA van anderen dan de verdachte had aangetoond.

In juni 2006 besliste het Openbaar Ministerie naar aanleiding van het eigen oriënterend onderzoek dat er geen aanwijzingen waren voor een gerechtelijke dwaling die een volledig nieuw onderzoek zouden rechtvaardigen. Het oriënterend vooronderzoek dat het college van procureurs-generaal liet uitvoeren, leidde volgens het OM niet tot andere conclusies dan die de strafrechter eerder al had getrokken. Deze kwamen erop neer dat fiscaal-jurist Ernest Louwes de dader is, en zou zelfs tot meer DNA-sporen geleid hebben (onder de nagels van het slachtoffer) die in de richting van Louwes wijzen. Van betrokkenheid van een ander dan Louwes bij de moord was niet gebleken. Het eindrapport van het OM is eind 2007 openbaar gemaakt. Onduidelijk is waarom het OM een aantal getuigen die belastende verklaringen hebben afgelegd tegen de "klusjesman" opnieuw niet heeft willen horen.

Advocaat Knoops diende in juli 2006 een nieuw herzieningsverzoek in bij de Hoge Raad der Nederlanden. Bij een procedure bij de Hoge Raad werd door een vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie allereerst een zogenaamde "conclusie" (een afdoeningsadvies) ingediend. Op 20 maart 2007 concludeerde advocaat-generaal mr. Machielse dat het DNA-bewijs niet tot herziening kon leiden. Machielse achtte het echter wenselijk dat een raadsheer van de Hoge Raad als raadsheer-commissaris een aantal verbalisanten (politiemensen) nog nader zou horen, alvorens te beslissen op het herzieningsverzoek.

Op 5 juni 2007 besliste de Hoge Raad bij tussenarrest raadsheer-commissaris uit eigen midden te benoemen om de door advocaat-generaal Machielse voorgestelde verbalisanten te horen. Deze verbalisanten werden op 29 augustus 2007 gehoord door raadsheer-commissaris Van Dorst. Op 31 oktober 2007 maakte de Hoge Raad bekend ook de klusjesman als getuige te willen horen. Uiteindelijk wees de Hoge Raad op 18 maart 2008 het herzieningsverzoek af. Louwes kondigde direct na de uitspraak aan dat hij zou blijven strijden om zijn gestelde onschuld te bewijzen.

Omdat hij zijn straf had uitgezeten, werd Louwes op 22 april 2009 vrijgelaten.

[bewerken] Opening graf slachtoffer

Maurice de Hond kwam in 2006 met een nieuwe getuigenverklaring van een medewerker van de begraafplaats in Deventer. Deze medewerker zou de klusjesman met een etui hebben zien lopen in de buurt van het graf van de weduwe, en hebben gezien dat de klusjesman de begraafplaats weer verliet zonder dit etui. De Hond hield er op basis van deze getuigenverklaring rekening mee dat het moordwapen in het graf verborgen lag. Tests met een metaaldetector wezen uit dat er inderdaad iets van metaal onder de steen lag. Het Openbaar Ministerie weigerde aanvankelijk onderzoek te doen bij het graf, maar in een kort geding dwong De Hond verwijdering van de grafsteen af. Diezelfde dag nog, op 9 november 2006, werd de steen op het graf gelicht. Er werd geen mes gevonden maar een stuk oud ijzer. Ook werd vastgesteld dat de grafrust niet eerder was geschonden. Niettemin is het echte moordwapen waarmee de weduwe Wittenberg om het leven is gebracht -- dat in feite het meest cruciale bewijs gevormd zou hebben bij het verkrijgen van meer zekerheid in deze hele zaak -- nooit gevonden.


[bewerken] Twijfel blijft

Volgens Maurice de Hond c.s. blijft er twijfel over de schuld van Ernest Louwes en is een ander de dader. Deze 'andere persoon', Michaël de Jong, ook wel de klusjesman genoemd, heeft samen met zijn vriendin zijn verklaringen omtrent zijn bezigheden op de avond van de moord, zijn alibi, tot twee maal toe veranderd en het stemt nog steeds niet overeen met het telefoonverkeer van hem en zijn vriendin (daarentegen lijken veel feiten die Louwes in zijn eigen verklaring over waar hij op de avond van de moord was heeft genoemd wel overeen te stemmen met de werkelijkheid). Hier komt bij dat De Jong volgens een aantal getuigen diezelfde avond een afspraak met de weduwe omtrent een regeling van financiële zaken had, hoewel hier geen sluitend bewijs voor is en De Jong dit zelf altijd ten stelligste heeft ontkend[1][2]. Ook over de aanschaf van een mes drie dagen na de moord hebben De Jong en zijn vriendin aanvankelijk onjuiste verklaringen afgelegd. Hoewel zij eerst vertelden dat hij een magneetstrip had gekocht, hebben zij in 2007, nadat de betreffende winkel de verkoop van zo een magneetstrip had ontkend, die verklaring omgezet in de aanschaf van een mes[3]. Volgens het schriftkundigenechtpaar Waiszvisz is de partner van De Jong de schrijfster van twee briefjes die de politie schijnbaar op een dwaalspoor moesten brengen. De gang van zaken rondom het onderzoek naar deze briefjes in 2006 door het OM roept volgens sommigen veel vragen op. De rechercheurs die het onderzoek hebben uitgevoerd, hebben ontkend daar iets van te weten. De bijbehorende processen-verbaal zijn op belangrijke onderdelen aantoonbaar onjuist. In 2009 is een rijksrechercheonderzoek gestart naar het verloop van dit onderzoek.

Het bij voortduring aanwijzen van De Jong als dader heeft desondanks uiteindelijk tot gevolg gehad dat Maurice de Hond door de rechter is veroordeeld zijn smaad te staken op straffe van een dwangsom. De Jong en zijn vriendin hebben tevens een civielrechtelijke zaak lopen tegen De Hond. Hierin veroordeelde de rechtbank te Amsterdam hem op 25 april 2007 wegens smaad tot het betalen van € 120.000 schadevergoeding. Het hoger beroep in deze zaak is in oktober 2008 behandeld, en in april 2009 gelastte de rechter De Hond tot een schadevergoeding van € 45.000 aan De Jong en zijn vriendin.

Ook waren er burgers die zich bezig hielden met het hier boven genoemde onderzoek door Justitie naar de bij de plaats van het misdrijf aangetroffen briefjes en het vergelijkend handschriftonderzoek dat in het kader van het oriënterend onderzoek is verricht. Dit handschriftonderzoek zou volgens deze groep zijn vervalst om te verhullen dat de vriendin van de klusjesman de twee anonieme briefjes heeft geschreven. De Rijksrecherche heeft naar aanleiding van de aangiftes over deze kwestie een onderzoek naar de gang van zaken rond deze schrijfproeven gedaan. Zij vond in juli 2009 "geen aanwijzingen dat met de schrijfproeven in de Deventer moordzaak valsheid in geschrifte is gepleegd".

Voorts is er een groep geïnteresseerden die stelt dat er voldoende aanwijzingen zijn, dat zowel Ernest Louwes als De Jong niets met de moord van doen hebben. Bovendien wijzen zij erop dat er zeer veel bewijsstukken zijn die aantonen dat de moord pas vlak voor de ontdekking er van werd gepleegd. Het ontbreken van aandacht voor de resultaten van het technisch onderzoek en het gebrek aan aandacht voor de resultaten van het forensisch onderzoek is er volgens deze groep verantwoordelijk voor dat het onderzoek op een volstrekt verkeerd spoor belandde.

Louwes’ advocaat Knoops verkreeg in 2010, na met een kort geding te hebben gedreigd, gegevens van het Nederlands Forensisch Instituut over de uitvoering van het DNA-onderzoek. Deze gegevens speelde hij door naar twee forensische experts in de Verenigde Staten. Knoops hoopt dat hun onderzoek een zogeheten novum oplevert, een nieuw feit op basis waarvan de Hoge Raad opnieuw herziening van de zaak zou kunnen bevelen.[4]

[bewerken] Literatuur

[bewerken] Zie ook

[bewerken] Externe links


Referenties
Persoonlijke instellingen
Naamruimten
Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Hulpmiddelen
Afdrukken/exporteren
In andere talen