Fokker D.VII

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Fokker D.VII
Fokker D VII 2.jpg
Algemeen
Rol Jachtvliegtuig
Bemanning 1
Status
Gebruik Zie tekst
Afmetingen
Lengte 6,95 m
Hoogte 2,75 m
Spanwijdte 8,90 m
Vleugeloppervlak 20,2 m²
Gewicht
Leeggewicht 698 kg
Startgewicht 850 kg
Max. gewicht 878 kg
Krachtbron
Motor(en) 1×BMW IIIa
Vermogen 134 kW
Prestaties
Topsnelheid 186 km/u
Klimsnelheid 2,9 m/s
Actieradius 350 km
Dienstplafond 6000 m
Bewapening
Boordgeschut 2×7,92 mm LMG 08/15 -mitrailleurs
Portaal  Portaalicoon   Luchtvaart

De D.VII was een Duits jachtvliegtuig dat tegen het einde van de Eerste Wereldoorlog, geproduceerd werd door Fokker. Het toestel was ontworpen door Reinhold Platz. Geïntroduceerd op het slagveld in 1918 bleek het toestel superieur in vergelijking met de bestaande geallieerde vliegtuigen. Het toestel was zo berucht dat het het enige wapen was dat specifiek werd opgeëist door de geallieerden in de overgaveonderhandelingen aan het eind van de oorlog.

Eind 1917 bouwde Fokker de V.11 experimentele dubbeldekker, uitgerust met een standaard Mercedes D.IIIa motor.

Manfred von Richthofen vloog in dit toestel en vond het een toestel dat lastig en oncomfortabel vloog en richtingsinstabiel was tijdens duikvluchten. Fokker paste hierop de V.11 aan door de romp te verlengen en een vaste staart vóór het roer te plaatsen. Hierna vond von Richthofen dat het het beste toestel was in de competitiestrijd tussen vliegtuigtypes die in productie moesten worden genomen. Voornamelijk daardoor werd er een order geplaatst voor 400 toestellen van dit type. Hij heeft zelf nooit het toestel gevlogen in luchtgevechten omdat hij stierf vlak voordat het in gebruik werd genomen.

Omdat Fokker capaciteitsproblemen had, moesten de concurrenten Albatros en AEG de VII meebouwen onder licentie, hoewel AEG er uiteindelijk geen heeft gebouwd. De oorlog liep ten einde en de Duitse industrie bleek niet meer in staat om meer dan 1700 toestellen te produceren.

De Fokker werd ingezet op het slagveld in mei 1918 en bleek al snel superieur ten opzichte van de bestaande Albatros- en Pfalz-verkenners. Zijn beste eigenschappen bleken duiken zonder kans op structurele schade, klimmen onder grote aanvalshoeken, zijn 'zachte' overtrekeigenschappen en de lage kans op spinnen. Dit in tegenstelling tot de Sopwith Camel en de Spad XIII die plots konden overtrekken en in een heftige spin konden belanden. De nadelen van de VII waren de hitte van de motor die de munitie kon laten ontbranden (er werden later koelvinnen geïnstalleerd). Brandstoftanks braken vaak op de naden en ook de ribben op de bovenste vleugel begaven het vaak.

Aanvankelijk werd een Mercedes D.IIIa motor van 127 kW gebruikt, later werd een BMW motor van 138 kW gebruikt wat een aanzienlijke verbetering bleek. Toen de oorlog in november eindigde waren er 775 van dit type in gebruik. Na de oorlog werd het type nog door tal van landen gebruikt. 142 buitgemaakte exemplaren werden naar de Verenigde Staten overgebracht waar het toestel in gebruik werd genomen. Anthony Fokker smokkelde een groot aantal onvoltooide toestellen naar Nederland waar ze in zijn nieuwe fabriek in Amsterdam werden afgebouwd. Nog in 1929 werden nieuwe D.VII's onder licentie voor de Zwitserse luchtmacht geproduceerd.

Originele exemplaren kunnen nog gevonden worden in het Militaire Luchtvaart Museum in Soesterberg, het Brome County Historical Society in Canada, het Deutsches Museum in München het RAF-museum in Engeland, het Musée de l'Air in Frankrijk en het National Air And Space Museum in Washington.

Landen in dienst[bewerken]

Vergelijkbare toestellen[bewerken]

Externe link[bewerken]