Giethoorn

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Giethoorn
Plaats in Nederland Vlag van Nederland
Wapen van Giethoorn
(Details)
Giethoorn
Giethoorn
Situering
Provincie Vlag Overijssel Overijssel
Gemeente Steenwijkerland
Coördinaten 52° 44′ NB, 6° 5′ OL
Algemeen
Inwoners 2620
Foto's
Bridge in Giethoorn.jpg
Brug in Giethoorn
Portaal  Portaalicoon   Nederland

Giethoorn (Stellingwerfs: Gietern) is een waterstreekdorp in de kop van Overijssel, in de gemeente Steenwijkerland in de Nederlandse provincie Overijssel en ligt tussen Steenwijk en Meppel.

Giethoorn was tot 1973 een zelfstandige gemeente. Giethoorn ging toen samen met Wanneperveen, Blokzijl en Vollenhove deel uitmaken van de gemeente Brederwiede. Op 1 januari 2001 fuseerden de gemeenten Brederwiede, Steenwijk en IJsselham tot de gemeente Steenwijkerland.

Het dorp telt 2620 inwoners en is bekend door zijn bruggetjes, waterwegen en punters. Het wordt wel het 'Hollands Venetië' genoemd. Giethoorn is langgerekt en bestaat uit drie buurten die steeds versprongen van elkaar liggen. In het noorden is dat het Noordeinde, dan volgt de Middenbuurt en tenslotte het Zuideinde. De Dorpsgracht is de centrale as van Giethoorn en eindigt in het zuiden in het Zuideindiger Wijde. De boerderijen en huizen zijn gescheiden door kavelsloten waarover vlonders liggen die de huispercelen verbinden. De bultrugboerderij is kenmerkend voor Giethoorn. De boerderij lijkt een bult te hebben doordat de schuur hoger is dan het woonhuis.[1]

Door de vervening ontstonden plassen en meren. Om de turf te vervoeren groef men vaarten en sloten. Vele huizen zijn als het ware op eilandjes gebouwd, die alleen via bruggetjes te bereiken zijn. De meeste van de meer dan 176 bruggen zijn privé-eigendom.

De enige doorgaande verbinding over land is een fiets- annex wandelpad dat dwars door het dorp loopt, het voornaamste verkeer vindt plaats over het water. Daarvoor wordt vaak gebruikgemaakt van de punter, voortbewogen met een punterboom.

Naam[bewerken]

De eerste vermelding van Giethoorn dateert uit 1225.[2] Flagellanten worden vaak vermeld als stichters van Giethoorn[3]. Gait Berk schrijft erover: "Als dat waar is, is het fantastisch. Stel u voor, een troep haveloze dwepers die zich al maar geselen en uitzinnig ronddolen om dan voorouders te worden van een degelijk gekleed en kalm ploeterend volk."[4] Gait Berk legt ook een verband met het klooster dat in Giethoorn-Noord gestaan heeft.[4] Deze pioniers vonden veel geitenhoorns die door de stormvloed van 1170 vanuit de Zuiderzee omgekomen waren. Zij noemden de nederzetting dan ook Geytenhorn, later werd dat Geythorn, en dankzij het dialect is het Giethoorn geworden. De geitenhoorn is terug te vinden in het wapen van Giethoorn. Volgens taalwetenschappers heeft "hoorn" echter de betekenis "in het water uitspringende hoek land", hetgeen de vorm "Gethorne" (1230) ook laat vermoeden.[5]

Geschiedenis[bewerken]

Een kruidenier brengt per punter zijn waren rond in 1955
Bruiloft te Giethoorn op 7 augustus 1947 met punters waarbij ook een punter met melkbussen en een bok met vee in beeld komt
Beelden uit Giethoorn in 1942.Een man en vrouw gaan in een Gieters botie naar het hooiland, onderweg komen ze de postbode in een botie tegen, een biezensnijder in een punter en een visser die zijn paling in een bun levend bewaard in een botie. Het hooi wordt op de bok geladen en naar de boerderij geboomd. Op de terugweg komen ze een zeilende bok met vee tegen. Terwijl ze het hooi naar binnen halen komt de bakker langs in een punter

Giethoorn was een nederzetting van veenontginners. De ontginning startte vanaf de oostoever van het Giethoornse Meer en bestond uit naar het oosten gerichte kluften die gescheiden werden door watergangen, zoals de Cornelisgracht en de Walengracht. De Dwarsgracht vormde een achterkade van een dergelijke ontginning[2]. Naarmate de ontginning door de eeuwen vorderde werd het dorp oostwaarts verplaatst. De laatste keer gebeurde dat in de 17e eeuw, waarbij het dorp van de Gieterse Dijk, die later Beukersweg genoemd werd, naar het gebied van de huidige Dorpsgracht verplaatst werd.[2][6] Rond 1750 schakelde het dorp over van vervening als basis van het bestaan naar veehouderij.[2] De Grachten waren aanvankelijk gegraven voor de afvoer van turf, maar kregen meer en meer betekenis voor het landbouwbedrijf. Na de laatste verplaatsing van het dorp naar de Dorpsgracht, kreeg Giethoorn het karakter van een waterdorp met een gracht begeleid door een voetpad met voor de scheepvaart afneembare vonders. Daarnaast kwamen de typerende hoge bruggetjes. Deze moesten hoog zijn om in de boot staande punteraars en hoog met hooi beladen bokken onbelemmerde doorgang te kunnen verlenen. De Gietersen gebruikten hun boten ook voor vervoer naar omliggende steden als Steenwijk, Meppel, Zwartsluis en Blokzijl.[6]

Er ontwikkelde zich een vaarcultuur met eigen Gieterse scheepstypen. De Gieterse punter is daarvan de bekendste. Dit is een boot van ongeveer 6,30 meter lang en met een grootste breedte van 1,45 meter. De punter werd gebruikt voor allerlei transport. Winkeliers, zoals de bakker, gingen er mee rond door het dorp om hun waar te verkopen. Arbeiders die werkzaam waren in de turfmakerij of het snijden van biezen en riet, gingen er mee naar hun werk en konden dan een deel van de oogst meenemen in de punter. Verder werd de punter gebruikt voor begrafenissen of huwelijksfeesten.[3] Ook veermannen die op marktdagen naar Steenwijk of Meppel afreisden om handelswaar te kopen of te verkopen gebruikten hiervoor lange tijd de punter. Ook visite kwam vaak per punter op bezoek. In Giethoorn werd de punter geboomd, bij gunstige wind ook gezeild met een sprietzeil en een zwaard dat bij overstag gaan of gijpen aan de andere boord gehangen werd.[7][8][9].

Punters werden ook gebruikt bij het "heveslepen". Bij hoge waterstand voer men naar een kragge, een bodem bestaande uit halfvergane plantenresten bijeengehouden door wortels van waterplanten, die door de luchtkanalen in de wortels blijft drijven. Deze kragge werd versneden in stroken van een meter breed en op de zij gerold. Vervolgens werden ze achter elkaar vastgebonden. Deze reeks kraggen werd achter een punter versleept naar een plek waar men land wilde winnen. Dit transport vond ook plaats door de dorpsgracht.[10][3]

Een slag groter dan de punter is het Gieterse vlot, tussen de 8 en 11 meter lang en de breedte schommelde rond de 2 meter. Het werd gebruik voor transport van melkbussen, hooi, turf, hout, mest en riet. Met behulp van een veervlot is een tijd een veerdienst naar de markt in Meppel onderhouden. Vlotten werden geboomd en bij gunstige wind gezeild [11][12][13].

Het grootste schip dat in Giethoorn gebruikt werd, was de bok, die meer dan 12 meter lang kon zijn en soms was uitgerust met een kajuit.[14] De bok werd gebruikt voor de zwaarste transporten, grote hoeveelheden hooi, maar ook grootvee werd vervoerd met de bok. Bokken werden ook de puntermakers verhuurd aan bijvoorbeeld boeren, soms voor een jaar, die deze dan weer onderverhuurden aan anderen voor bepaalde werkzaamheden. Bokken werden geboomd en bij gunstige wind ook gezeild.[15][16]

De roeiboot was de kleinste boot die traditioneel in Giethoorn werd gebruikt en werd plaatselijk 'botie' genoemd. Deze waren 4 à 5 meter lang. Deze werd in tegenstelling tot de andere vaartuigen (gezamenlijk in Giethoorn "gevaer" genoemd) geroeid. Deze bootjes werden gebruikt om te melken of om kleine snelle tripjes te doen.[17][18]

Dit vele gebruik van boten leidde tot een aantal punterwerven. Soms worden er aantallen van 14 tot 20 punterwerven in Giethoorn genoemd.[19] Bij Berk wordt dit in twijfel getrokken.[20] en Niek van den Sigtenhorst komt uit op 4 tot 6 punterwerven in Giethoorn.[21].

Naast de eerdergenoemde veeteelt en turfwinning was ook rietsnijden en het snijden van andere waterplanten ("dulen") voor dakbedekking een bron van inkomsten. Visserij was ook van belang in het Giethoorn in de 19e eeuw/begin 20ste eeuw. Het winnen van krabbescheer als meststof (scherentrekken) was ook een economische activiteit. Aan zandwinning werd ook gedaan. Dat zand werd met behulp van punter van de bodem van het Bovenwijde gehaald.[22]

Door de stormvloeden van 1775, 1776 en 1825, sloegen in het verveende gebied, met brede trekgaten de smalle ribben weg en ontstonden het Bovenwijde en het Molengat. Doordat het veen niet dieper was dan 1 meter en daaronder er een stevige zandlaag was, is de maximale diepte van deze meren ook beperkt tot 1 meter, uitgezonderd een plek in het zuidwesten van het Bovenwijde waar op grootschaliger wijze zand gewonnen is. In 1825 waren er geen dodelijke slachtoffers in Giethoorn doordat de bevolking zich met hun vaartuigen in veiligheid kon brengen.[23]. Ook direct ten westen van Giethoorn lag een meer[24][23]. Dit meer is in de 19e eeuw droog gemalen en werd de Gietersche Polder genoemd. [2].

Vanaf 1928 werd Polder Giethoorn (een andere polder dan de bovengenoemde Giethoornsche polder) aangelegd. De gronden werden onteigend terwijl de bevolking van Giethoorn daartegen hevig protesteerde. Met behulp van tewerkgestelde werklozen werden het moerassige gebied ontgonnen en kwamen er andere boerderijen met een meer moderne bedrijfsvoering, zonder de kenmerkende vaarcultuur van Giethoorn. Een enkele Gieterse boer kon in deze polder zijn bedrijf voortzetten maar de meeste agrariërs kwamen uit andere delen van het land. De Gietersen zetten daarna gronden ten oosten van Giethoorn om in weidegrond.[25][26].

In 1950 kwam, na een korte opleving in de Tweede Wereldoorlog, de turfwinning in het gebied rond Giethoorn ten einde.[25]

Fanfare[bewerken]

Bert Haanstra nam in Giethoorn in 1958 zijn speelfilmdebuut Fanfare op, een film over twee rivaliserende fanfares in het fictieve dorpje Lagerwiede. Na het verschijnen van de film Fanfare nam het toerisme sterk toe. Het werd de belangrijkste bron van inkomsten. Bladriet werd tot 1966 gebruikt als afdekkking voor bollenvelden en leverde de Gieterse boeren inkomsten op. Na 1966 werd daarvoor stro gebruikt. De vaarboeren verdwenen uit het dorpsbeeld. De boerderijen werden omgebouwd tot woningen en werden bewoond door mensen van elders. De gronden van vaarboeren komen geleidelijk aan in het bezit van de Natuurmonumenten die in de streek rond Giethoorn het grote reservaat De Wieden opbouwt.[27] De N334 wordt omgebouwd tot een goede doorgaande verbinding doordat in de jaren vijftig van de twintigste eeuw de weg door de Belterwijde wordt aangelegd en in de jaren zestig ten een brede weg langs het Kanaal Beukers-Steenwijk richting Steenwijk.[28] Er verschijnt een nieuwbouwwijk aan noordrand van de Giethoornsche Polder. Langs de het Kanaal Beukers-Steenwijk komen jachthavens en andere voorzieningen voor de watersport.

Religie[bewerken]

Doopsgezinde kerk van Giethoorn

In de veertiende eeuw werd de eerste kerk in Giethoorn gebouwd, een Katholieke. In 1551 werd er een doopsgezinde gemeente in Giethoorn gesticht, een van de eersten in Nederland.[2]

Kerkelijk gezien week Giethoorn af door een relatief sterk doopsgezind karakter. Er hebben tot eind 19e eeuw 2 Doopsgezinde kerken in Giethoorn gestaan. In Giethoorn-Noord stond een een kerk van strengere mennisten[29], waarvan de laatsten zich in 1890 aansloten bij de Zuidergemeente. In 1894 werd het kerkje werd afgebroken. De doopsgezinden vormden een vrijzinnige enclave te midden van een orthodox gebied met dorpen als Staphorst, Genemuiden en Hasselt. Het aandeel doopsgezinden bedroeg in 1925 41%, 40% was Nederlands-Hervormd. In 1955 zou het aandeel doopsgezinden zijn teruggelopen tot 20%. Het aandeel buitenkerkelijken is in de loop van de 20ste eeuw sterk gestegen. [30]. De huidige doopsgezinde dorpskerk De Vermaning werd in 1871 gebouwd.

Beroemde inwoners[bewerken]

Giethoorn heeft verschillende schilders aangetrokken. Zij kozen Gieterse taferelen tot hun onderwerp. Veel van deze schilders behoorden tot de Haagse of Larense School, zoals Cornelis Vreedenburgh, W.B. Tholen en G.F. van Schagen. Zij verbleven hiervoor enkele weken in het dorp om dan weer te vertrekken. Ze logeerden dan bijvoorbeeld bij café Sloothaak aan het Zuideinde. Een schilder die zich gevestigd heeft in Giethoorn was Piet Zwiers. De schilder Hendrik Broer was geboren te Giethoorn.

Van 1912 tot 1929 was Tjeerd Hylkema verbonden aan de Doopsgezinde gemeente van Giethoorn. Naar hem werd de ds. T.O. Hylkemaweg genoemd, die in de volksmond ook wel als het "Peerdepad" bekendstaat. Vanaf de jaren zeventig van de twintigste eeuw raakte Giethoorn in trek als woonplaats voor beroemde Nederlanders. Acteur Rijk de Gooyer was daarin de trendsetter. Na hem volgden o.a. de schrijvers Herman Pieter de Boer en Eelke de Jong en striptekenaar Peter van Straaten.

In 1974 ging de woonboerderij van Rijk de Gooijer in vlammen op. Topkok Jonnie Boer is geboren in Giethoorn. De echtgenote van René Froger, Natasja Froger-Kunst heeft korte tijd in Giethoorn gewoond.

De langebaan-schaatser Tim Roelofsen komt ook uit Giethoorn.

Toeristische trekpleisters[bewerken]

Het Kraggehuis in het Giethoornse Bovenwijde
  • Nationaal Park Weerribben-Wieden. Giethoorn is gelegen in de Wieden, en aan de rand van een zeer uitgestrekt Nationaal Park. De Wieden bestaan, voor zover eigendom van de Vereniging Natuurmonumenten, uit ongeveer 6000 ha aan plassen, rietlanden, moerasbossen, natte weilanden en ander natuurgebied.
  • Giethoorn ligt in een zeer waterrijk gebied met verschillende grote en kleinere meren, waarop veel aan watersport wordt gedaan. Nabij het dorp zelf liggen het Bovenwijde en het Zuideindigerwijde, iets zuidelijker liggen de zeer uitgestrekte plassen Belterwijde en Beulakerwijde. Watersportcentra liggen o.a. bij Blauwe Hand en bij Ronduite.
  • Op veel plaatsen in het dorp zijn boten te huur. Voor een groot deel betreft het motor- en fluisterbootjes, maar ook punters van polyester of hout, met of zonder motor zijn te huur. De punters zonder motor moeten dan door het dorp gepunterd worden. Ook zijn er zeilpunters te huur. Veel bedrijven bieden rondvaarten aan door het dorp.
  • Museumboerderij 't Olde Maat Uus. Dit is een Giethoornse boerderij uit ± 1800 met een expositie over 100 jaar wonen en werken in Giethoorn. De boerderij is ingericht in oude stijl, inclusief grutterswinkeltje, vissershuisje, tjaskermolen en hooiberg.
  • Scheepswerf Schreur en scheepswerf Wildeboer. Hier worden Gieterse punters en streekeigen platbodems gebouwd.
  • Museum "De Oude Aarde". Hier bevindt zich een expositie van edelstenen, sierstenen en mineralen, en een terrarium.
  • Schelpengalerie Gloria Maris
  • Automuseum "Histomobil". Naast auto's en andere vervoermiddelen worden hier ook schaatsen, weegtoestellen etc. tentoongesteld.
  • Pottenbakkerij Rhoda. Vervaardigt aan de Dorpsgracht in Giethoorn al 30 jaar handgedraaid keramiek in onder andere de kleur "Gieters blauw".

Een deel van Giethoorn is een beschermd dorpsgezicht. Verder zijn er in het dorp enkele tientallen rijksmonumenten.

Windmolens[bewerken]

Bij Giethoorn staat een drietal eenvoudige poldermolentjes van het type tjasker, te weten: Molengat, Noord, Zuid. Ten zuiden van het dorp staat een kleine Amerikaanse windmotor.

Referenties[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Ronald Stenvert, Chris Kolman, Ben Olde Meierink, Jan ten Hove, Marieke Knuijt en Ben Kooij, Monumenten in Nederland. Overijssel. Rijksdienst voor de Monumentenzorg, Zeist / Waanders Uitgevers, Zwolle 1998, geraadpleegd op dbnl.org op 30 augustus 2014
  2. a b c d e f Ronald Stenvert, Chris Kolman, Ben Olde Meierink, Jan ten Hove, Marieke Knuijt en Ben Kooij, Monumenten in Nederland. Overijssel. Rijksdienst voor de Monumentenzorg, Zeist / Waanders Uitgevers, Zwolle 1998, geraadpleegd op dbnl.org op 31 augustus 2014
  3. a b c Bernardus Bueninck: Giethoorn, in: De aarde en haar volken, Haarlem 1900, blz. 1-15. geraadpleegd op overijssel1880-1930.blogspot.nl op 1 september 2014
  4. a b Gait L. Berk: Zij leefden van water. Herinneringen aan de Noordwesthoek van Overijssel. Derde druk, uitgegeven door Boom Meppel 1979 ISBN 90-6009-744-0, blz. 26
  5. Gerald van Berkel, Klaas Samplonius, Nederlandse plaatsnamen, Het Spectrum, 1995 ISBN 90-274-4059-X.
  6. a b Niek van den Sigtenhorst: Gieters Gevaer van botie tot bok. Sporen van een puntercultuur. Giethoorn 2007 ISBN 978-90-902205-5-0, blz. 69
  7. Gait L. Berk, De Punter, tweede druk Haarlem 1999. ISBN 90-74082-05-X, blz. 35
  8. Niek van den Sigtenhorst: Gieters Gevaer van botie tot bok. Sporen van een puntercultuur. Giethoorn 2007 ISBN 978-90-902205-5-0, blz. 116-135
  9. J.J. Hof: Giethoorn, Ons Hollands Venetië, zoals ik het gekend heb. Tweede uitgave door Broekhuis 1981, ISBN 90-70162-024 blz 80, 84-86.
  10. J.J. Hof: Giethoorn, Ons Hollands Venetië, zoals ik het gekend heb. Tweede uitgave door Broekhuis 1981, ISBN 90-70162-024 blz. 40-45,
  11. J.J. Hof: Giethoorn, Ons Hollands Venentië, zoals ik het gekend heb. Tweede uitgave door Broekhuis 1981, ISBN 90-70162-024 blz. 84-86, afbeelding 84.
  12. Gait L. Berk, De Punter, tweede druk Haarlem 1999. ISBN 90-74082-05-X, blz. 109-113
  13. Niek van den Sigtenhorst: Gieters Gevaer van botie tot bok. Sporen van een puntercultuur. Giethoorn 2007 ISBN 978-90-902205-5-0, blz. 192-203
  14. J.J. Hof: Giethoorn, Ons Hollands Venetië, zoals ik het gekend heb. Tweede uitgave door Broekhuis 1981, ISBN 90-70162-024, afbeelding 4.
  15. Niek van den Sigtenhorst: Gieters Gevaer van botie tot bok. Sporen van een puntercultuur. Giethoorn 2007 ISBN 978-90-902205-5-0, blz. 204-223
  16. Gait L. Berk, De Punter, tweede druk Haarlem 1999. ISBN 90-74082-05-X, blz. 113-117
  17. Gait L. Berk, De Punter, tweede druk Haarlem 1999. ISBN 90-74082-05-X, blz. 105-108
  18. Niek van den Sigtenhorst: Gieters Gevaer van botie tot bok. Sporen van een puntercultuur. Giethoorn 2007 ISBN 978-90-902205-5-0, blz. 99-115
  19. J.J. Hof: Giethoorn, Ons Hollands Venetië, zoals ik het gekend heb. Tweede uitgave door Broekhuis 1981, ISBN 90-70162-024, blz. 62-66.
  20. Gait L. Berk, De Punter, tweede druk Haarlem 1999. ISBN 90-74082-05-X, blz. 66-67
  21. Niek van den Sigtenhorst: Gieters Gevaer van botie tot bok. Sporen van een puntercultuur. Giethoorn 2007 ISBN 978-90-902205-5-0, blz. 224-226
  22. J.J. Hof: Giethoorn, Ons Hollands Venetië, zoals ik het gekend heb. Tweede uitgave door Broekhuis 1981, ISBN 90-70162-024, blz. 50-62.
  23. a b Niek van den Sigtenhorst: Gieters Gevaer van botie tot bok. Sporen van een puntercultuur. Giethoorn 2007 ISBN 978-90-902205-5-0, blz. 77-81
  24. De kadasterkaart uit 1832 geraadpleegd op www.hisgis.nl op 31 augustus 2014
  25. a b G.J. Schutten: Verdwenen schepen. De houten kleine beroepsvaartuigen, vrachtvaarders en visserschepen van de Lage Landen. Walburg Pers Den Haag. Tweede druk, 2007. ISBN 978-90-5730-486-6, blz. 37
  26. 30 Gemeente Giethoorn 1796-1942 en Rietvlechtschool 1918-1928 ( Gemeente Steenwijkerland ) geraadpleegd op www.archieven.nl op 4 september 2014
  27. G.J. Schutten: Verdwenen schepen. De houten kleine beroepsvaartuigen, vrachtvaarders en visserschepen van de Lage Landen. Walburg Pers Den Haag. Tweede druk, 2007. ISBN 978-90-5730-486-6, blz. 40-41
  28. Artikel op www.wegenwiki.nl over de N334, geraadpleegd op 5 september 2014
  29. Perceel FID 23247 Kadaster 1832 percelen Overijssel, geraadpleegd op www.hisgis.nl op 3 september 2014
  30. A.L. Broer: Giethoorn, dorp tussen de Wieden, uitgave Martin Lammes Promotions Wogmeer. ISBN 90-6379-141-0, blz. 76-77
Wikivoyage Wikivoyage heeft een reisgids over dit onderwerp: Giethoorn.