Haagse School (schilderkunst)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Hendrik Willem Mesdag, Pinken in de branding, olieverf op doek, 181 x 90 cm, ca. 1875/85, Coll. Rijksmuseum
Jan Hendrik Weissenbruch, Koeien melken onder de wilgen, olieverf op doek, 32,5 x 21 cm, ca. 1850-1900, Coll. Museum Boijmans Van Beuningen

De Haagse school is een schilderstijl en een groep gelijkgestemde kunstschilders ontstaan tussen 1860 en 1900 in Den Haag.

Haagse School in de schilderkunst[bewerken]

Tien jaar na de Franse School van Barbizon en ongeveer gelijklopend met het Franse Impressionisme was er in Den Haag een aantal kunstschilders dat ernaar streefde zowel interieur als landschap op een opvallend realistische manier weer te geven. Daarbij viel op dat zowel het observeren van dingen als het schilderend weergeven ervan impressionistisch van aard was. Deze typering merkt men het vroegst in het werk van Jozef Israëls, Johannes Bosboom en Johan Hendrik Weissenbruch. In 1847 lag deze laatste al aan de basis van het ontstaan van het schilderkunstige genootschap Pulchri Studio, ten huize van de Haagse kunstschilder Lambertus Hardenberg. Uit deze Pulchri Studio zou de Haagse School geboren worden en, in 1875, haar naam krijgen. Het was de criticus Jacob (Jacques) van Santen Kolff die, in het tijdschrift De Banier, voor het eerst deze naam vermeldde in zijn artikel Een blik in de Hollandsche schilderkunst onzer dagen.

Ook Hendrik Willem Mesdag, Anton Mauve, Gerke Henkes en Jacob Maris werden tot de groep aangetrokken. In het werk van Gerard Bilders, van Matthijs Maris en van de derde broer Willem Maris zal men dezelfde stijlweergave terugvinden. De meeste van deze kunstschilders hadden vooraf met het Franse Barbizon-werk kennisgemaakt, zodat de impressionistische stijlverwantschap niet eens verwondering hoeft te wekken. De overwegend grijze tonaliteit en vaak nevelige sluiertechniek kenmerken het Haagse werk. Enkele van deze schilders, waarbij ook Albert Neuhuys, zullen zich later in Laren vestigen, waar dan de even bekende en even verwante Larense School zal ontstaan.

Gedurende het eerste kwart van de 20e eeuw kent de Haagse schilderschool een zogenaamde 'nabloei', waartoe onder anderen worden gerekend: W.B. Tholen, Eduard Karsen, Isaac Israëls, Jan Voerman sr., Jan Willem van Borselen, Théophile de Bock, Floris Arntzenius, Marinus Heijnes, Adriaan Groenewegen en Bernard Blommers. Zelfs de jonge George Breitner hoort erbij, voor hij met de Amsterdamse Impressionisten het stadsleven intrekt.

Zie ook[bewerken]

Literatuur[bewerken]

  • John Sillevis en Anne Tabak, 'Het Haagse School boek' (2001). Waanders Uitgevers, Zwolle, Gemeentemuseum Den Haag, ISBN 904009540X
  • Ronald de Leeuw, John Sillevis, Charles Dumas ; 'De Haagse School, Hollandse meesters van de 19de eeuw', Catalogus bij de tentoonstelling georganiseerd door het Haags Gemeentemuseum en de Dienst Verspreide Rijkskollekties, Den Haag, in samenwerking met de Réunion des musées nationaux, Parijs en de Royal Academy of Arts, Londen ; Grand Palais, Parijs, Royal Academy of Arts, Londen, Haags Gemeentemuseum, Den Haag (1983).