Grote wolfsklauw

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Grote wolfsklauw
Lycopodium.clavatum.jpg
Taxonomische indeling
Rijk: Plantae (Planten)
Stam: Embryophyta (Landplanten)
Klasse: Lycopsida
(Wolfsklauwen en biesvarens)
Orde: Lycopodiales
Familie: Lycopodiaceae (Wolfsklauwfamilie)
Geslacht: Lycopodium (Wolfsklauw)
Soort
Lycopodium clavatum
L. (1753)
Portaal  Portaalicoon   Biologie
naam in andere talen
Engels Staghorn clubmoss
Amerikaans Engels Common clubmoss, ground pine, running pine
Frans Lycopode à massue
Hongaars kapcsos korpafű
Javaans pakis simbar, purwalata
Laotiaans kout khi khep khur
Portugees Licopódio chifre de veado
Soendanees rane diuk
Thais kut khon, sam yoi rot
Tagalog licopodio
Vietnamees th[aj]ch t[uf]ng d[uf]i


De grote wolfsklauw (Lycopodium clavatum) is een giftige, vaste plant, die behoort tot de wolfsklauwfamilie (Lycopodiaceae). De soort staat op de Nederlandse Rode lijst van planten als zeldzaam en zeer sterk in aantal afgenomen. De plant komt van nature voor in Eurazië, Amerika en de bergen van Afrika.


Algemeen[bewerken]

De plant wordt 5-15 cm hoog en heeft een 0,5-4 m lange, kruipende hoofdstengel. De in spiralen staande, onvruchtbare, 3-5 mm lange en 0,7-1 mm brede bladeren zijn schuin afstaand en naar binnen gekromd. Na tien tot vijftien jaar kunnen de planten zich voortplanten. Aan de top zit een lange, glasachtige haar.

De geelgroene, 2-3 cm lange en 5 mm brede aren verschijnen in juli en augustus en staan met een tot drie bij elkaar aan de einden van de opstijgende zijtakken. De aren bestaan uit vruchtbare bladeren, waarop aan de bovenzijde van de bladvoet grote, dikwandige, niervormige sporangiën zitten. De wortels zijn gaffelvormig vertakt.

De grote wolfsklauw heeft een zeer groot verspreidingsgebied en komt voor op alle continenten uitgezonderd Australië. Het meest wordt hij gevonden in boreale gebieden, in het bijzonder in Siberië. In tropische streken blijft hij beperkt tot de hogere delen van gebergtes. Ten gevolge van dit grote areaal bestaan er vele verschillende vormen waarvan veel als een apart taxon beschreven zijn, maar deze hebben geen systematische waarde.

In Nederland komt de plant voor op voedselarme zandgronden in heidevelden, korstmossen-dennenbossen en schrale bermen.


variabiliteit[bewerken]

De soort is wijdverbreid en zeer variabel. Er bestaat een nagenoeg continue reeks vormen van zeer compacte planten met parallelle takken, aangedrukte bladeren en nauwelijks vertakte aarstelen tot planten die zich veel en alle kanten op vertakken met vertakte aarstelen en afstaand blad. De eerste is typisch voor koudere streken. Op grond hiervan zijn tal van variëteiten, ondersoorten en zelfs enige soorten beschreven, maar er is og discussie of dit onderscheid enige taxonomische waarde heeft.[1]


reproduktie[bewerken]

De sporen blijven drie tot acht jaar in rustfase. Gedurende deze tijd zakken ze drie tot tien centimeter de grond in. De ondergrondse gametofyt is omgekeerd-kegelvormig en ontwikkelt zich traag. Hij bereikt de sexuele fase pas na 6-15 jaar en kan wel 20 jaar in leven blijven. Er zijn verschillende weefseltypes te onderscheiden. De gametofyt leeft in nauwe symbiose met een schimmel - mogelijk een Pythium-soort. Zonder de schimmel sterft de gametofyt wanneer hij nog maar een paar cellen groot is.

De sporofyt kan zich ook zeer goed vegetatief verspreiden met behulp van de lange, kruipende stengels. De soort kan zich nog enige jaren handhaven nadat de boomlaag de kroon sluit, maar uiteindelijk kwijnt hij weg. Als de concurrentiedruk laag blijft kunnen de planten lang leven en uitgestrekte kolonies vormen.


naam[bewerken]

Het epitheton "clavatum" ("geknotst") dankt de soort aan de knotsvormige sporenaren.


gebruik[bewerken]

In tal van culturen is de grote wolfsklauw gebruikt als medicijn. In Europa was het in gebruik als diureticum bij oedeem en als krachtig middel tegen diarree, dysenterie en anurie; verder als zenuwstiller bij spasmes en Watervrees , als laxatief, als versterkend middel bij reuma en als wondpoeder. Ook werd het toegepast als urineretentiemiddel bij tal van problemen met de urinewegen en een veelheid van andere aandoeningen, waaronder dyspepsie, indigestie, hartkloppingen, constipatie, borborygmus, Oesofagale reflux, bloed ophoesten, duizeligheid en flauwvallen.[2][3]

De sporen worden om hun helende eigenschappen in de homeopathie gebruikt, maar niet meer in de allopathie. Ze stonden bekend onder de namen ""lycopodium zaad", "lycopodiumpoeder", "plantaardig zwavel" en "sporae lycopodii". Gedurende eeuwen zijn de sporen gebruikt als bloedstelpend middel en als poeder bij verschillende huidaandoenigen zoals eczeem, erysipelas en ontvellingen. Verder als babypoeder, om te voorkomen dat pillen aan elkaar plakken en om gegoten metaal los te krijgen van de mal. De hoge ontvlambaarheid maakte ze gewild voor flitslicht in theaters.[4] In laboratoria worden de sporen gebruikt bij het monitoren van pollen bij het vaststellen van de hooikoortsverwachting om een bekende base-line te hebben voor de pollen-traps. Sporopollenine van deze soort wordt wel gebruikt als basis bij de synthese van peptiden. Het blijft stabiel bij de chloromethylatie en andere standaardprocedures, en door de gelijkmatige grootte, goede commerciële beschikbaarheid en constante moleculaire structuur is het concurrerend met synthetische harsen.[5]

Grote wolfsklauw wordt verhandeld, maar het is niet bekend in welke hoeveelheden. Tenminste China, Nepal, Oost-Europe, Rusland en de voormalige Sovjetrepublieken exporteren het produkt. In West-Europa komt de soort te weinig voor om nog te verzamelen. Rond 1990 bedroeg de export uit Nepal 40 ton per jaar. De groothandelsprijs bedraagt US$ 110 per kg sporen (2001) en US$ 28 per kg versneden en gezeefde plant.


eigenschappen[bewerken]

De grote wolfsklauw bevat verschillende toxische alkaloiden als lycopodine, chinoline, clavatine, clavatoxine en annotinine. Allemaal verhogen ze de bloeddruk. Lycopodine stimuleert de peristaltiek van de darm. Bij ratten veroorzaakt het baarmoedercontracties en is dodelijk in hogere doses. Verder bevat de plant fenolische kaneelzuurderivaten en flavonoids (apigenine). Het extract inhibeert prolyl-endopeptidase en wordt onderzocht als geheugenverbeteraar De sporen bestaan voor circa 50% uit een groen-gele olie (80-86% C60H30O2 (decyl-isopropyl acrylzuur) en zijn daardoor licht-ontvlambaar. Verder bevatten de sporen onder andere glycerine, eiwit en vetzuren, maar geen alkaloïden. Ze zijn sterk water-afstotend (met sporen gepoederde handen blijven droog als je ze in het water steekt) maar kunnen na langdurig contact allergische en asthmatische klachten veroorzaken[6]. In diepe wonden kunnen ze na maanden tot jaren nog [laesie]]s veroorzaken die doen denken aan tuberculose of neoplasie.


Externe links[bewerken]


Bronnen, noten en/of referenties
  1. Øllgaard, B. (1987). A revised classification of the Lycopodiaceae sensu lato. Opera Botanica 92: 153-178
  2. Quisumbing, E. (1951). Medicinal plants of the Philippines. Technical Bulletin 16. Department of Agriculture and Natural Resources, Manila, The Philippines. pp. 70--72.
  3. van Os, F.H.L. (1968). De wolfsklauw of Lycopodium als geneeskruid. Pharmaceutisch Weekblad 103: 893-898.
  4. Dostal, J. (1984). Lycopodiaceae. In: Hegi, G.: Illustrierte Flora von Mitteleuropa. 3rd edition. Band 1. Teil 1. Dostal, J. & Reichstein, T. (Editors): Pteridophyta. Paul Parey, Berlin, Germany. pp. 16--42.
  5. Tezuka, Y., et al. (1999). Screening of crude drug extracts for prolyl endopeptidase inhibitory activity. Phytomedicine 6(3): 197-203.
  6. Cullinan. P., et al. (1993). Asthma following occupational exposure to Lycopodium clavatum in condom manufacturers. Thorax 48(7): 774-775.