Josef Dietrich
Josef (Sepp) Dietrich (Hawangen, 28 mei 1892 – Ludwigsburg, 24 april 1966) was een Duitse SS'er en in die hoedanigheid bevelhebber van de Leibstandarte-SS Adolf Hitler en bevelhebber van het Zesde Pantserleger dat een rol speelde tijdens het Ardennenoffensief.
Tijdens het Ardennenoffensief was zijn belangrijkste speerpunt Kampfgruppe Peiper. In het noordelijk gedeelte kwam deze Kampfgruppe het verst totdat zij terug moesten trekken met achterlating van hun tanks wegens gebrek aan brandstof en met medeneming van al hun krijgsgevangenen.
Na de oorlog werden, tijdens het Malmedy-proces te Dachau in 1946, Joachim Peiper tot de strop en Dietrich tot levenslange gevangenisstraf veroordeeld. Tijdens de Duitse opmars in de Ardennen waren namelijk bij een kruispunt in de omgeving van Malmedy Amerikaanse krijgsgevangenen die zich al hadden overgegeven, door SS'ers zonder genade neergeschoten. Dit werd bekend als het Bloedbad van Malmedy.
Aangezien er grove onregelmatigheden hadden plaatsgevonden tijdens het vooronderzoek waartegen de Amerikaanse publieke opinie in opstand kwam, konden Dietrich en Peiper de gevangenis van Landsberg in 1957 'on parole' (erewoord) verlaten. De vasthoudendheid van een Amerikaanse advocaat, Willis Everett uit Atlanta (Georgia), heeft dit uiteindelijk bewerkstelligd.
Adolf Hitler omschreef Dietrich vaak als de man van wie hij wenste dat hij ooit zijn zoon zou zijn geweest (iets soortgelijks zei Hitler echter ook van de Belgische SS'er Léon Degrelle).
Dietrich vocht in de Eerste Wereldoorlog in het Beierse leger en was daarna tot 1927 als politiefunctionaris in Beieren werkzaam. Van 1932 tot 1945 was hij voor de NSDAP lid van de Rijksdag.
| Zie de categorie Sepp Dietrich van Wikimedia Commons voor meer mediabestanden. |