Radiometrische datering

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Radiometrische datering is een techniek om de ouderdom van materialen te bepalen. Deze techniek van datering is gebaseerd op radioactief verval van natuurlijke isotopen. Er bestaat een groot aantal verschillende methoden, elk gebruikmakend van een ander isotopensysteem, en elk verschillend in onzekerheidsmarges, kosten en de tijdschaal waarop ze toepasbaar zijn.

Achterliggende theorie[bewerken]

Isotopen[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie voor uitgebreidere uitleg ook het artikel isotoop.

Alle materiaal op Aarde bestaat uit verbindingen van chemische elementen. Al deze elementen hebben een eigen atoomnummer, dat het aantal protonen in de atoomkern weergeeft. Een atoomkern bevat ook neutronen, en atomen van hetzelfde element kunnen met verschillende aantallen neutronen in de natuur voorkomen. Twee atomen van hetzelfde element met verschillende aantallen neutronen worden verschillende isotopen van dat element genoemd.

Radioactief verval[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie voor uitgebreidere uitleg ook het artikel radioactiviteit.

Verschillende isotopen van een element hebben een verschillende massa en stabiliteit. Sommige isotopen zijn instabiel en lopen de kans op een willekeurig moment uit elkaar te vallen door radioactief verval. Radioactief verval betekent meestal het afstoten van alfadeeltjes (twee protonen en twee neutronen samen) en bètadeeltjes.

Het moment waarop een bepaalde atoomkern uiteenvalt, is volkomen willekeurig. Echter, materialen bestaan uit enorme aantallen atomen, en van de radioactieve atomen in het materiaal zal altijd een bepaald percentage over een bepaalde hoeveelheid tijd vervallen, Dat percentage is afhankelijk van hoe stabiel de atomen zijn. Deze mate van stabiliteit wordt beschreven door de halveringstijd: de tijd die verloopt tot de helft van alle instabiele atomen is vervallen. Voor iedere isotoop is deze waarde een natuurkundige constante.

De meeste radioactieve isotopen vervallen in een aantal stappen (een vervalreeks) naar een stabiel element, dat de dochter of het dochterelement wordt genoemd. De isotoop zelf wordt de moeder genoemd. De halveringstijd die wordt opgegeven, is meestal de halveringstijd van alle stappen samen die nodig zijn om van moeder naar dochter te komen. Om geschikt te zijn voor ouderdomsbepalingen, moet een isotoop een halveringstijd van duizenden tot miljarden jaren hebben.

Isotopen zijn een nauwkeurige klok[bewerken]

In de meeste gevallen is de halveringstijd alleen afhankelijk van de eigenschappen van de desbetreffende atomen; hij wordt niet beïnvloed door temperatuur, druk, chemische omgeving, magnetische of elektrische velden, of andere externe factoren. Bovendien wordt aangenomen dat de halveringstijd door de tijd heen gelijk blijft. Daarom is de kwantitatieve verhouding tussen moeder- en dochterelement te zien als een nauwkeurige klok, die de tijd aangeeft die is verlopen vanaf het moment dat het moederelement in het materiaal werd aangebracht tot heden.

Aanwezigheid van isotopen in materialen[bewerken]

De processen die materialen vormen, zijn vaak selectief voor welke elementen/isotopen er in het materiaal terechtkomen. In het ideale geval zal het materiaal tijdens vorming alleen het moederelement opnemen en het dochterelement uitsluiten. Als het materiaal dan wordt onderzocht, zal aanwezige stof van het dochterelement alleen door radioactief verval van de moeder zijn ontstaan, dus nadat het materiaal is gevormd.

Als een materiaal dat het dochterelement uitsluit verhit raakt, zullen dochter-atomen die in de loop der tijd zijn ontstaan, door diffusie uit het materiaal verdwijnen, waarbij de klok wordt teruggezet naar "nul". De temperatuur waarbij dit gebeurt, wordt de blokkeringstemperatuur genoemd; deze verschilt per materiaal.

De ouderdomsvergelijking[bewerken]

Als een radioactief moederelement vervalt naar een stabiele dochter, is de ouderdomsvergelijking die radioactief verval en geologische tijd met elkaar verbindt:

 t = \frac{1}{\lambda} \cdot {\ln \left(1+\frac{D}{P}\right)}

met

De vervalconstante λ is het deel van de atomen van het moederelement die vervallen per eenheid tijd, en is omgekeerd evenredig met de halveringstijd:

 {\lambda} = \frac{\ln (2)}{t_{1/2}}

waarbij

 t_{1/2} = de halveringstijd van het moederisotoop

Techniek[bewerken]

Voorwaarden voor goede radiometrische datering[bewerken]

Het te onderzoeken materiaal sluit niet altijd het dochterelement uit – soms kunnen zowel moeder als dochter tijdens de vorming van een materiaal worden opgenomen. In zulke gevallen moet een aanname worden gedaan voor de verhouding van moeder en dochter tijdens de vorming.

De dochter is bij voorkeur geen gas (omdat dit gemakkelijk uit het materiaal zou kunnen lekken) en het moet zelf stabiel genoeg zijn zodat het in behoorlijke concentraties kan worden gemeten.

Bovendien moeten zowel moeder als dochter geen stoffen vormen die gemakkelijk chemische reacties aangaan, of stoffen die in te veel andere vervalreacties geproduceerd worden of vervallen.

Ten slotte moeten de technieken die worden gebruikt bij het isoleren en analyseren van de concentraties betrouwbaar en duidelijk zijn.

Bij datering door middel van een isochron, de simpelste vorm van radiometrische datering, is het niet nodig te weten wat de verhouding tussen moeder- en dochterelement was tijdens de vorming van het materiaal.

Massaspectrometers[bewerken]

Radiometrische datering kan worden toegepast op minder dan een miljardste deel van een gram materiaal, door een massaspectrometer te gebruiken. Dit apparaat werd in de jaren 1940 uitgevonden en wordt sinds de jaren 1950 voor radiometrische dateringen gebruikt. In de massaspectrometer wordt door verhitting een straal geïoniseerde atomen uit het monster getrokken, welke straal door middel van een magnetisch veld wordt gesplitst naar massa en lading van de ionen. De ionen worden gemeten door sensoren die Faraday cups worden genoemd. Als de ionen inslaan in de cups, wordt een zwakke elektrische stroom waargenomen waaruit vervolgens de hoeveelheden en concentraties van verschillende elementen/isotopen kunnen worden bepaald.

Onzekerheden[bewerken]

Hoewel radiometrische datering in principe nauwkeurig kan zijn, is de nauwkeurigheid afhankelijk van de gebruikte techniek en methode. Onzekerheden kunnen bijvoorbeeld zijn:

  • de concentraties van moeder en dochter tijdens de vorming van het materiaal
  • de hoeveelheid van moeder en dochter die sinds de vorming "ontsnapt" of juist toegevoegd is aan het materiaal
  • in een massaspectrometer kunnen metingen worden verstoord door aanwezigheid van andere isotopen met hetzelfde massagetal als moeder of dochter – in dat geval moeten correcties worden uitgevoerd voor deze even zware isotopen
  • massaspectrometers kunnen bloot staan aan veel neveneffecten – de kwaliteit van het vacuüm binnen in de spectrometer is het belangrijkst; als er geen goed vacuüm in het apparaat is, kunnen geïoniseerde atomen worden onderschept door gasmoleculen in plaats van te worden gemeten – de resolutie van de receptor is ook een factor, maar op moderne apparaten is de kwaliteit hiervan toegenomen.

De nauwkeurigheid kan worden verhoogd door in hetzelfde materiaal op verschillende plekken te meten. Aangenomen dat het materiaal op alle plekken dezelfde ouderdom heeft, zouden deze metingen een isochron moeten vormen. Als twee isotopensystemen aanwezig zijn, kunnen de resultaten van de metingen met elkaar worden vergeleken.

De nauwkeurigheid hangt ook af van de halveringstijd van het moederelement. Koolstof-14 (14C) bijvoorbeeld heeft een halveringstijd van minder dan 6000 jaar. Als een organisme 60.000 jaar dood is, is zo weinig 14C over dat het onmogelijk is geworden met de koolstofmethode een precieze ouderdom te meten. Er moet dan een ander isotopensysteem worden gebruikt. Daar staat tegenover dat het koolstofsysteem zo'n sterk verval laat zien dat relatief jonge overblijfselen (jonger dan 10.000 jaar) tot op een paar jaar nauwkeurig kunnen worden gedateerd.

Gebruik van radiometrische dateringen[bewerken]

Gebruikte methoden[bewerken]

Een van de oudste en betrouwbaarste methoden is uranium-looddatering. Deze dateringsmethode wordt veel toegepast op het mineraal zirkoon, dat lood uitsluit maar juist veel uranium bevat. Metingen via deze methode kunnen tegenwoordig een onzekerheid hebben van 2 miljoen jaar bij materialen van meer dan 3 miljard jaar, en de methode wordt veel gebruikt in de geologie. Omdat 235U naar 207Pb vervalt en tegelijkertijd 238U naar 206Pb, heeft de uranium-loodmethode als voordeel dat elke meting in feite twee systemen meet, waardoor een controle plaatsvindt.

Kalium-argondatering maakt gebruik van het verval van 40K naar 40Ar. 40K heeft een hoge halveringstijd en komt veel voor in mica's, veldspaten en hoornblende, maar heeft als nadeel dat de blokkeringstemperaturen erg laag zijn.

Rubidium-strontiumdatering maakt gebruik van 87Rb verval naar 87Sr, welk verval een zeer hoge halveringstijd heeft. Blokkeringstemperaturen zijn hoog bij dit systeem, maar door de hoge halveringstijd is de onnauwkeurigheid van metingen hoog.

Koolstofdatering maakt gebruik van het verval van 14C, dat een relatief zeer korte halveringstijd heeft. Daarom is het een bekende methode voor ouderdomsbepaling in de archeologie.

Een andere methode met een relatief korte halveringstijd is uranium-thoriumdatering, waarbij gebruikgemaakt wordt van verval van 238U naar 230Th, en verval van 235U naar 231Pa.

Andere radiometrische dateringsmethoden zijn:

Het gebruikte isotopensysteem hangt af van de ouderdom van het onderzochte materiaal. Koolstofdatering wordt meestal gebruikt bij een ouderdom tot een paar duizend jaar. Voor de datering van de oudste gesteenten (rond de 4 miljard jaar) wordt de uranium-loodmethode op zirkonen toegepast.

Door kernproeven in de jaren 1952-1958 kwamen grote hoeveelheden 36Cl vrij in de atmosfeer. Omdat 36Cl een erg korte residentietijd in de atmosfeer heeft, wordt de concentratie 36Cl wel gebruikt om te onderzoeken hoe lang grondwater ondergronds heeft gestroomd. Dit is evenwel geen radiometrische datering.

Astrofysische dateringen met verdwenen isotopen[bewerken]

Toen het heelal nog jong was, waren er veel relatief kortlevende radioactieve isotopen (zoals 26Al, 60Fe, 53Mn en 129I) aanwezig in de Zonnenevel. Deze nu verdwenen isotopen waren waarschijnlijk geproduceerd in supernovae. Hun vervalmateriaal kan tegenwoordig nog wel worden gemeten in meteorieten. Door dit soort metingen wordt onderzoek gedaan naar de volgorde van gebeurtenissen tijdens de vorming van het zonnestelsel.

Zie ook[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  • W.M. White, 2001: Geochemistry, hoofdstuk 8: Radiogenic Isotope Geochemistry online handboek laatstelijk bekeken op 2011-04-14.