Saterfries

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Saterfries (Seeltersk)
Gesproken in Saterland, Landkreis Cloppenburg, Nedersaksen
Vitaliteit 3. Ernstig bedreigd
Sprekers 1,000
Taalfamilie

Indo-Europees

Dialecten

geen

Alfabet Latijns
Portaal  Portaalicoon   Taal
friesetaalgebied

Het Saterfries (eigenbenaming Seeltersk) is een Friese taalvariant die nog gesproken wordt door een minderheid van de inwoners van Saterland, Landkreis Cloppenburg, Nedersaksen. Het is het enige nog levende overblijfsel van het Oosterlauwers Fries, dat tot het einde der Middeleeuwen in heel de provincie Groningen en de regio Oost-Friesland gesproken werd. Met het teloorgaan van de Friese vrijheid en het door handelscontacten versaksischen van de stad Groningen gingen de Oostfriese streken gaandeweg van het Fries over op het Nedersaksisch, maar op een paar afgelegen plaatsen kon het zich handhaven. Een van die plaatsen was het Saterland, een zandeiland in een volkomen ondoordringbaar veengebied. Ook op andere min of meer afgezonderde plaatsen hielden varianten van het Fries zich langer staande, zoals het Harlingerfries, het Wurstfries en het Wangeroogs, dat tot in de twintigste eeuw heeft bestaan.

Het Saterfries wordt, eventueel samen met de bovengenoemde uitgestorven varianten, ook wel Oostfries genoemd. Hier wordt deze term echter gereserveerd voor het Nedersaksische dialect dat men heden ten dage in Oostfriesland spreekt, juist zoals Westfries in Nederland gewoonlijk naar een streektaal in Noord-Holland verwijst, niet naar het Westerlauwers Fries.

Gebruik[bewerken]

De taal was tot de jaren 50 nog algemeen gebruikelijk in het Saterland. Vluchtelingen uit de door Polen geannexeerde Duitse gebieden die in het Saterland kwamen wonen moesten onmiddellijk Saterfries leren. In die tijd begon echter de achteruitgang: Ouders begonnen hun kinderen in het Nederduits op te voeden, waarmee ze in heel de regio terecht konden, of in het Hoogduits, waarmee ze zich in het hele land verstaanbaar konden maken. Ook kwam er langzaam een immigratiegolf op gang. Bovendien waren veel sprekers al tijdens de crisisjaren geëmigreerd naar onder meer de Verenigde Staten. In de loop van de jaren 90 begon de belangstelling voor het Saterfries weer op te leven: ouders begonnen hier en daar hun kinderen weer in het Saterfries op te voeden en de kinderen werden naar scholen gestuurd waar ze de taal om zich heen hoorden. Ook werd de taal één van de twee officiële talen van de gemeente, naast het Duits uiteraard, en verschenen er tweetalige plaatsnaamborden.

Het Saterfries wordt vandaag nog door een beperkt aantal mensen gesproken; schattingen lopen uiteen van maar ca. 900 (in het Unesco Red Book of Endangered Languages) tot een paar duizend. Tweeduizend vloeiende sprekers (moedertaalspreker is niet zo'n scherp omlijnd begrip als het schijnt) lijkt een reële schatting. De meeste sprekers zijn vijftigplussers en kinderen. Emigranten, van wie sommigen nog altijd in leven zijn, worden hierbij niet meegerekend.

Kenmerken[bewerken]

Het Saterfries is een Friese taal die verwantschap heeft met het Westerlauwers Fries. Die verwantschap is soms overduidelijk in het woordbeeld aanwezig, maar meestal moet ze beredeneerd worden aan de hand van klankwetten en het Oudfries. De talen zijn dan ook onderling niet verstaanbaar, zodat het weinig zin heeft te spreken van één Friese taal (denk hierbij ook aan het Noordfries, dat nog veel verder verwijderd is van zowel het Westerlauwers Fries als het Saterfries).

Grammatica[bewerken]

Het Saterfries heeft, in tegenstelling tot het Westerlauwers Fries, drie woordgeslachten. De lidwoorden schikken zich naar het geslacht van hun zelfstandige naamwoord: Di Moon, ju Fauene, dät Diert, doo Bäidene ("de man, het meisje, het dier, de kinderen"). De gewone meervoudsuitgangen zijn -e voor mannelijk en onzijdig en -en voor vrouwelijk, net als in het Duits. Er is een rudiment bewaard gebleven van de derde en vierde naamval (lidwoord dän voor het mannelijk, overige geslachten geen verschil).

De werkwoorden worden bij benadering zo vervoegd als in het Westerlauwers Fries, inclusief de twee klassen van zwakke werkwoorden (op -e en op -je). Een bijzonderheid is dat de derde persoon enkelvoud op -d uitgaat.

De telwoorden kennen een kleine bijzonderheid: de getallen één, twee en drie hebben aparte vormen voor vrouwelijk en onzijdig enerzijds en mannelijk anderzijds (1: een/aan; 2: twoo/twäin; 3: t(r)joo/träi).

Dialecten[bewerken]

Doordat de Saterlanders altijd onder elkaar zijn gebleven, verschillen de spraken van de dorpen Scharrel (Schäddel), Ramsloh (Roomelse) en Strücklingen (Strukelje) niet zeer veel van elkaar. De verschillen blijven beperkt tot de realisatie van een aantal tweeklanken (bijvoorbeeld äi of öi) en een zeer beperkt aantal woorden. In Sedelsberg, het vierde dorp uit de gemeente, wordt niet veel Saterfries gesproken - dit is namelijk een kolonie van na de Eerste Wereldoorlog gevluchte Pommeren, die vanouds al Nederduits spraken.

Onderzoek[bewerken]

Het Saterfries werd voor het eerst onderzocht door ene Detten, die in 1798 een woordenlijstje publiceerde. In de negentiende eeuw richtten meer onderzoekers zich op de taal, waaronder de Nederlandse Friezen Hettema en Posthumus. Veel van deze onderzoekers tekenden volksverhalen op. Sinds de jaren 60 wordt het onderzoek naar de taal gedomineerd door de Nederlander Pyt Kramer, die onder meer een woordenboek publiceerde en zich tegenwoordig ook op het internet met de taal bezighoudt.

Literatuur[bewerken]

In de jaren 30 werd door Gesina Lechte-Siemer een voorzichtig begin gemaakt met literatuur in deze taal. De literatuur blijft echter beperkt tot geregelde publicaties in een regionaal dagblad en daaruit samengestelde boekjes. Margaretha Grosser uit Ramsloh is nog steeds een bekende naam.

Voorbeelden[bewerken]

Seeltersk is ne Wäästgermaniske Sproake, ju fon soowät 2200 Moanskene boald wäd in Seelterlound in dät Wääste fon Ooldenbuurich (Niedersachsen), sun 50 km uur dät holloundske Scheed.
Saterfries: Die Wänt strookede dät Wucht uum ju Keeuwe un oapede hier ap do Sooken.
Noordfries (Mooring): Di dreng aide dåt foomen am dåt kan än mäket har aw da siike.
West(erlauwers) Fries: De jonge streake it famke om it kin en tute har op 'e wangen.
Oostfries Nederduits: De Jung straktde dat Wicht üm't Kinn to un tuutjede hör up de Wangen.
Gronings:t Jong fleerde t wicht om kin tou en tuutjede heur op wangen.
Nederlands: De jongen aaide het meisje over haar kin en kuste haar op de wangen.
Duits: Der Junge streichelte das Mädchen ums Kinn und küsste sie auf die Wangen.
Engels: The boy caressed the girl round the chin and kissed her on the cheeks.
Deens: Drengen klappede pigen omkring hagen og kyssede hende på kinderne.
West-Vlaams: De joengn streeëk over 't meistj' eur kinne en totteg' eur ip de koakn.
Noors (Nynorsk):Guten klappa jenta rundt haka og kyssa ho på kinna.

Externe links[bewerken]

Wikipedia-logo-v2.svg Zie de Saterfriese uitgave van Wikipedia.
Wikibooks Wikibooks heeft een studieboek over dit onderwerp: Saterfries.