Copernicus-programma

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Copernicus logo

Het Copernicus-programma, of vroeger GMES (Global Monitoring for Environment and Security) genoemd, is een initiatief dat een kader schept voor Europese activiteiten in het gebied van aardobservatie. Het is een gezamenlijk initiatief van de Europese Commissie en de Europese Ruimtevaartorganisatie. Het doel is activiteiten in Europese aardobservatie te stroomlijnen, de besluitvorming bij te staan ​​van publieke en particuliere instanties in Europa en het ondersteunen van onderzoek.

De data wordt verzameld uit twee hoofdbronnen: de ruimtecomponent en de in-situ-metingen. De Europese Ruimtevaartorganisatie is verantwoordelijk voor de ontwikkeling van de ruimte-component, terwijl het Europees Milieuagentschap verantwoordelijk is voor de ontwikkeling van de in-situdata. Deze data worden dan gebruikt voor de derde component: de servicecomponent.

Er wordt geschat dat de economische voordelen van het Copernicus-programma tussen 2006 en 2030 ongeveer 80 miljard euro zullen zijn[1].

Geschiedenis[bewerken]

Het GMES-concept werd gestart in 1998 door een beslissing gemaakt op de bijeenkomst van de Europese Raad in Gotenburg. Het bereikte politiek momentum toen het eerst verscheen op de agenda van de opeenvolgende EU-voorzitterschappen. In 2001 starten de Europese Commissie en de Europese Ruimtevaartorganisatie met het project. In 2012 veranderde de naam van GMES naar het Copernicus-programma. Het Copernicus-programma werd operationeel met de lancering van de eerste satelliet (Sentinel-1) op 3 april 2014.

Componenten[bewerken]

Ruimtecomponent[bewerken]

De ruimtecomponent levert data van twee types van observatiesatelliet-missies: de bijdragende missies en de Sentinel-missies. De bijdragende missies zijn al bestaande of geplande missies van observatiesatellieten van Europese, nationale of commerciële organisaties die werden ontwikkeld voor andere doeleinden. De Sentinel-satellieten werden speciaal ontworpen voor het Copernicus-programma. Ze bestaan uit zeven verschillende families:

  • Sentinel-1: Synthetic aperture radar (SAR)
  • Sentinel-2: multispectrale beeldvorming
  • Sentinel-3: globale monitoring van oceaan en land
  • Sentinel-4: geostationare monitoring van de atmosfeer
  • Sentinel-5P: oftewel Sentinel-5 Precursor, is de voorloper van Sentinel-5 om de onderbreking tussen Envisat en Sentinel-5 op te vangen, in het bijzonder het Sciamachy instrument. Doet onderzoek aan gassen en aerosols in de atmosfeer die de luchtkwaliteit en het klimaat beïnvloeden.
  • Sentinel-5: lagebaanmonitoring van de atmosfeer
  • Sentinel-6: bevat een radarhoogtemeter om de hoogte van het zeeoppervlak te meten voor operationele oceanografie en klimaatstudies.

In-situcomponent[bewerken]

Naast satellietwaarnemingen steunt Copernicus ook op in-situmetingen. Deze kunnen komen van sensors op de grond, op zee of in de lucht. Het is de taak van het Europees Milieuagentschap een kader te bouwen voor de in-situmetingen.

Servicecomponent[bewerken]

De servicecomponent gebruikt de ruimte- en in-situcomponent en levert deze data aan de gebruikers op een gestandaardiseerde manier. Deze services kunnen worden ingedeeld in zes domeinen: drie aarde-systeem-domeinen (Atmosfeer, Oceaan en Land) en drie horizontale domeinen (Emergency Management, Veiligheid en Klimaatverandering). Gegevens van Sentinel-satellieten en de producten van Copernicusdiensten zijn vrij beschikbaar. De enige toegangbeperkingen zullen verband houden met gevoelige beveiligingsinformatie. Gegevens van de bijdragende missies worden onder de licentievoorwaarden van de eigenaar ter beschikking gesteld.

Externe links[bewerken]