Homat el Diyar

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Homat el Diyar (letterlijk: bewakers van het land) is het Syrische volkslied.

De tekst is geschreven door de Syrische dichter Khalil Mardam Bey (1895-1959) (die van 1953 tot 1954 ook minister van buitenlandse zaken was) en de muziek is gecomponeerd door de Libanese broers Mohammed Salim Flayfel (1899-1985) en Ahmed Salim Flayfel (1906-1991) die ook samen het volkslied voor Palestina componeerden, alsmede veel andere Arabische liederen.

Homat el Diyar werd in 1936 aangenomen als Syrisch volkslied, maar weer buiten gebruik gesteld toen Syrië in 1958 lid werd van de Verenigde Arabische Republiek. Toen Syrië na een staatsgreep in 1961 uit de V.A.R. trad werd het lied weer in ere hersteld.

Arabische tekst en transcriptie[bewerken]

حـماةَالـديارِعليكمْ سـلامْ
أبَتْ أنْ تـذِلَّ النفـوسُ الكرامْ
عـرينُ العروبةِ بيتٌ حَـرام
وعرشُ الشّموسِ حِمَىً لا يُضَامْ
ربوعُ الشّـآمِ بـروجُ العَـلا
تُحاكي السّـماءَ بعـالي السَّـنا
فأرضٌ زهتْ بالشّموسِ الوِضَا
سَـماءٌ لَعَمـرُكَ أو كالسَّـما
رفيـفُ الأماني وخَفـقُ الفؤادْ
عـلى عَـلَمٍ ضَمَّ شَـمْلَ البلادْ
أما فيهِ منْ كُـلِّ عـينٍ سَـوادْ
ومِـن دمِ كـلِّ شَـهيدٍ مِـدادْ؟
نفـوسٌ أبـاةٌ ومـاضٍ مجيـدْ
وروحُ الأضاحي رقيبٌ عَـتيدْ
فمِـنّا الوليـدُ و مِـنّا الرّشـيدْ
فلـمْ لا نَسُـودُ ولِمْ لا نشـيد
humāta-d-diyāri °alaykum salām
abat an tadhilla-n-nufūsu-l-kirām
°arīnu-l-°urūbati baytun harām
wa °arshu-sh-shumūsi himān lā yudām
rubū°u-sh-shāmi burūju-l-°alā
tuhākī-s-samā'a bi°ālī-s-sanā (2x)
fa'ardun zahat bi-sh-shumūsi-l-widā
samā'un la°amruka aw ka-s-samā
rafīfu-l-amānī wa chafqu-l-fu'ād
°alā °alamin damma shamla-l bilād
amā fīhi min kulli °ainin suwād
wa min dammi kulli shahīdin midād
nufūsun ubātun wa mādin majīd
wa rūhu-l-adāhī raqībun °atīd (2x)
fa minna-l-walīdu wa minna-r-rashīd
fa lim lā nasūdu wa lim lā nashīd


Nederlandse vertaling[bewerken]

Eerste couplet[bewerken]

humāta-d-diyāri °alaykum salām

Verdedigers van het vaderland, gegroet!

abat an tadhilla-n-nufūsu-l-kirām

zij weigeren zich te vernederen, de edele personen

°arīnu-l-°urūbati baytun harām

het leeuwenhol van het Arabisme is een beschermd tehuis

wa °arshu-sh-shumūsi himān lā yudām

en de zetel van de zonnen is een niet te beschadigen heiligdom

rubū°u-sh-shāmi burūju-l-°alā

de gebieden van Syrië zijn burchten van verhevenheid

tuhākī-s-samā'a bi°ālī-s-sanā

zij lijken op de hemel met de zuiverheid van een schittering

fa'ardun zahat bi-sh-shumūsi-l-widā

zodat een land bloeit onder zuivere zonnen

samā'un la°amruka aw ka-s-samā

waarlijk een hemel of gelijk aan een hemel

Tweede couplet[bewerken]

rafīfu-l-amānī wa chafqu-l-fu'ād

het glinsteren van het verlangen en het kloppen van het hart

°alā °alamin damma shamla-l bilād

voor een teken dat de eenwording van het land tot stand brengt

amā fīhi min kulli °ainin suwād

zeker, zij is op het zwart van elk oog

wa min dammi kulli shahīdin midād

en is er inkt uit het bloed van elke martelaar?

nufūsun ubātun wa mādin majīd

een voorouder en een glorieus verleden

wa rūhu-l-adāhī raqībun °atīd

en de geest van de bloedoffers is een attente bewaker

fa minna-l-walīdu wa minna-r-rashīd

want wij hebben de nieuw geborene en wij hebben de rechtgeleide weg

fa lim lā nasūdu wa lim lā nashīd

want waarom zullen wij niet heersen en waarom niet opbouwen?

Externe links[bewerken]

  • Voor een (duidelijke) vocale versie klik hier