Internationaal humanitair recht

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Internationaal humanitair recht of humanitair oorlogsrecht (soms ook kortweg oorlogsrecht genoemd) is het recht dat geldt ten tijde van een gewapend conflict. Het internationaal humanitair recht gaat alleen over het recht dat geldt tijdens een oorlog (jus in bello) en gaat er niet om of het wel gerechtvaardigd was om die oorlog te beginnen (jus ad bellum). Ook het recht van neutraliteit valt niet onder het humanitair oorlogsrecht omdat het doel niet humanitair van aard is. Internationaal humanitair recht heeft wel betrekking op de behandeling van personen tijdens een gewapend conflict, alsmede de methoden van oorlogsvoering (waaronder verboden wapens) en het bestuur van bezette gebieden.[1]

Humanitair oorlogsrecht is, anders dan de naam doet vermoeden, niet alleen van toepassing tijdens een oorlog, maar ook tijdens andere gewapende conflicten. Wel maakt het internationaal humanitair recht soms onderscheid tussen een gewapend conflict met een internationaal karakter en met een gewapend conflict met een niet-internationaal karakter. Ook kan het humanitair oorlogsrecht nog van toepassing zijn nadat de gevechten officieel gestaakt zijn, bijvoorbeeld in het geval van bezetting loopt de toepassing gewoon door. De bronnen van het oorlogsrecht zijn gelijk aan die van het internationale recht, namelijk het verdrag, internationaal gewoonterecht, algemene rechtsbeginselen en rechterlijke uitspraken. Een centrale plaats in het internationaal humanitair recht nemen de verdragen van de Geneefse Conventies in. Verder heeft internationaal gewoonterecht ook een prominente plaats in het oorlogsrecht, dit is van belang omdat staten normaal alleen gebonden kunnen worden aan regels waar zij (door middel van de ratificatie van een verdrag) zelf mee ingestemd hebben. Deze laatste eis geldt niet voor internationaal gewoonterecht, daardoor kunnen staten die geen partij zijn bij een verdrag soms toch gebonden worden aan de regels die daar in staan. Aangenomen wordt bijvoorbeeld dat grote delen van de Haagse Conventies bestaan uit internationaal gewoonterecht, waardoor zij ook verbindend zijn tegenover staten die geen partij zijn bij de originele verdragen uit 1899 en 1907.[2][3]

Geschiedenis[bewerken]

Oudheid[bewerken]

Regels omtrent het voeren van oorlog behoren tot de oudste internationale rechtsregels. De oude Soemeriërs beschouwden oorlog reeds als iets dat door het recht moest worden gereguleerd. Dus, moesten oorlogen ingeleid worden door een oorlogsverklaring en beeindigd door een vredesverdrag. Ook garandeerden zij het recht van immuniteit voor onderhandelaars. Vergelijkbare ideeën zijn ook te vinden bij de Babyloniërs, Hettieten en Perzen uit de oudheid, die vaak bijzondere regels hadden over de verzorging van gewonden en gevangenen, of het lot van de inwoners van een capitulerende stad. Ook verboden met betrekking tot bepaalde wapens zijn terug te vinden in sommige oude teksten, zoals bijvoorbeeld de Indische Mahabharata en de wetten van Manu. Ook de Grieken en Romeinen hadden regels met betrekking tot het voeren van oorlog, zij maakten daarbij echter een onderscheid tussen de barbaren en geciviliseerde volken.[4]

Middeleeuwen en renaissance[bewerken]

Tijdens de middeleeuwen werd het voeren van oorlog in Europa aan uitvoerige regels onderworpen. Aanvankelijk waren de christenen nog voornamelijk pacifistisch, daar kwam echter verandering in door het concept van de rechtvaardigde oorlog van Sint-Augustinus. De idee van de rechtvaardige oorlog werd later verder uitgewerkt door Thomas van Aquino. Onder invloed van de rechtvaardige oorlog raakten oorlog en religie met elkaar verbonden, dit leidde er onder andere toe dat het Concilie van Lateranen in 1137 het gebruik van de kruisboog aan banden willen leggen, onder andere vanwege de verschikkelijke wonden die het veroorzaakte. Tegen het einde van de middeleeuwen raakten, door de teloorgang van de ridderorden en de opkomst van huurlegers, de christelijke moraal en oorlog echter weer van elkaar vervreemd. Tijdens de godsdienstoorlogen die hierop volgden werden de meest grove gruweldaden begaan. Het is tegen deze achtergrond dat Hugo de Groot (1583-1645) zijn beroemde werk 'Over het recht van Oorlog en van Vrede' schreef. Hugo de Groot was overtuigd dat het recht van toepassing was op het voeren van oorlog en dat dit recht verbindend was tegenover iedereen. Hoewel Hugo de Groot zeker niet de eerste schrijver is die schreef over het oorlogsrecht (Alberico Gentili ging hem reeds voor, en ook bij Francisco de Vitoria zijn sporen van humanitair oorlogsrecht te vinden), wordt hij toch vaak als grondlegger van het internationaal humanitair recht gezien.[5] Hugo de Groot zou een grote invloed blijven op het jus in bello tot de Verlichting.

Vroegmoderne tijd[bewerken]

In de 18e eeuw schreef Jean-Jacques Rousseau het boek Du Contrat Social. Daarin stelde hij dat oorlog geen relatie tussen personen is, maar een relatie tussen staten. Personen zijn daarbij alleen toevallig elkaars vijanden, niet als burgers, maar als soldaten die hun land verdedigen. Een staat kan daarbij alleen een andere staat tot vijand hebben en het doel van oorlog is het vernietigen van de andere staat, niet haar burgers. Een staat kan daarbij de soldaten van de vijand doden, maar als zij zich overgeven worden zij weer gewoon burgers en mogen zij niet gedood worden.[6][7] Het ideaal dat oorlog bedoeld is om de vijandige staat te verslaan en dat de soldaten van de vijand niet te allen tijde gedood mochten worden, zou leidend worden voor de ontwikkeling van het oorlogsrecht. Deze principes vonden hun uitwerking in de Lieber Code uit 1863. De Lieber Code was een handboek geschreven ter behoeve van President Lincoln voor gebruik in de Amerikaanse Burgeroorlog. Het beschreef uitvoerig de rechten en plichten van soldaten in de oorlog op basis van de wetten en gebruiken van de oorlog. Het besteedde daarbij aandacht aan de humane verzorging van gewonden en gevangenen, het beginsel dat geen burgerdoelen mochten worden aangevallen en de regels omtrent een staakt-het-vuren (ceasefire) en wapenstilstand (armistice). Opmerkelijk was daarbij dat de Unie onder leiding van President Lincoln de Confederatieven niet als staat erkende; in veel opzichten erkende de Lieber Code daarom meer rechten aan de partijen in een niet-internationaal conflict dan momenteel het geval is.[8]

Oprichting Rode Kruis[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Rode Kruis voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Henri Dunant was een Geneefse zakenman die in 1859 getuige was van de Slag om Solferino tijdens de Tweede Italiaanse Onafhankelijkheidsoorlog tussen de Franse en Sardijnse soldaten onder leiding van Napoleon III en Oostenrijkse soldaten onder leiding van Frans Josef I van Oostenrijk. Dunant was gechoqueerd door de vele gewonden, doden en sterfenden die op het slagveld lagen en het gebrek aan verzorging voor de vele gewonden. Dunant nam daarom zelf het initiatief om met vrijwilligers de gewonden te helpen. Dunant zou uiteindelijk in 1863 verantwoordelijk zijn voor de oprichting van het Internationaal Comité van het Rode Kruis.[8] In oktober 1863 werd de eerste Geneefse internationale converentie gehouden onder de auspicen van het ICRC waarbij het Rode Kruis werd opgericht.[9] In 1864 kwam vervolgens het Eerste Verdrag van Genève van 1864 tot stand. Het zou het eerste verdrag worden in een reeks van Geneefse Verdragen, die – in contrast met de Haagse Verdragen – het recht voornamelijk vanuit het perspectief van de slachtoffers van oorlogen beschrijven. De Geneefse Verdragen geven dus voornamelijk voorschriften die bepaalde kwetsbare groepen trachten te beschermen.[10]

De eerste codificaties[bewerken]

Halverwege de 19e eeuw zouden de eerste codificaties van het oorlogsrecht op gang komen, die de tot dan toe voornamelijk in gewoonterecht bestaande regels op schrift zouden stellen. Een eerste stap was de Verklaring van Sint-Petersburg van 1869,[11] waarin diverse grote mogendheden besloten om een verbod te vestigen op bepaalde wapens die onnodig lijden veroorzaakten. In de preambule van de verklaring staat: 'dat de vooruitgang van de beschaving het effect dient te hebben om de rampen die verbonden zijn aan de oorlog zo veel mogelijk te verlichten; dat het enige legitieme doel van Staten tijdens een oorlog moet zijn het verzwakken van de vijand; dat het voor dit doel voldoende is om het grootst aantal personen te verwonden; dat het dit doel voorbij zou schieten indien wapens worden toegestaan die onnodig het lijden van gewonde personen zou vergroten, of hun dood onvermijdelijk zou maken; dat zulke wapens, daarom, tegen de wetten der menselijkheid indruisen.'[12] Met deze verklaring was het - nog immer geldende - beginsel geboren dat wapens die opzettelijk onnodig lijden veroorzaken verboden zijn.[10][13] De volgende stap werd in 1874 gemaakt toen Alexander II van Rusland een internationale conferentie hield om het internationaal humanitair gewoonterecht te codificeren. De partijen konden het niet eens worden over de verbindendheid van de voorschriften, waardoor er alleen een niet-bindend document tot stand kwam, namelijk de Verklaring van Brussel van 1874. De Verklaring was de eerste codificatie die probeerde het gehele scala aan oorlogsrecht op papier te stellen en zou de basis vormen voor het Handboek van de wetten en gebruiken van de oorlog van het Instituut voor Internationaal Recht (beter bekend als de Oxford-handleiding van 1880). Beide instrumenten waren echter niet bindend tegenover staten, toch zouden zij een grote invloed uitoefenen op de Haagse Verdragen van 1899 en 1907. Bovendien gelden sommige passages uit de Verklaring als internationaal gewoonterecht.[14]

De Haagse Verdragen[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Vredesconferentie van Den Haag voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De Haagse Verdrag zijn – in tegenstelling tot de Geneefse Verdragen – geschreven vanuit het standpunt van de soldaat, en bevatten voornamelijk de rechten en plichten voor militairen.[10]

De Geneefse Verdragen[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Geneefse Conventies voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Daarna krijgt het internationaal humanitair recht onder meer gestalte in:

Dimensies van internationaal humanitair recht[bewerken]

Het internationaal humanitair recht heeft verschillende dimensies. Allereerst schrijft het internationaal humanitair recht voor hoe mensen moeten worden beschermd die niet, of niet meer, aan het gewapende conflict deelnemen. Voorbeelden hiervan zijn zieke en gewonde militairen, burgers en krijgsgevangenen. Daarnaast moeten vrouwen en kinderen in het bijzonder worden beschermd tegen de verschrikkingen van oorlog. Kinderen onder vijftien jaar mogen bijvoorbeeld niet als soldaat worden ingezet en vrouwen verdienen extra bescherming in tijden van oorlog, bijvoorbeeld tegen seksueel geweld.

Een ander deel van het internationaal humanitair recht gaat over de middelen die verboden zijn om oorlog mee te voeren. Bepaalde wapens veroorzaken namelijk zoveel onnodig lijden, dat het gebruik van deze wapens is verboden. Bovendien is het verboden om aanvallen uit te voeren met wapens waarmee geen onderscheid kan worden gemaakt tussen militaire doelen en burgerobjecten. Een voorbeeld van een verboden wapen is het gebruik van exploderende of brandstichtende kogels.

De bepalingen uit het internationaal humanitair recht zijn gericht aan staten. Schendingen van de bepalingen van internationaal humanitair recht is daarom in beginsel een kwestie tussen de betrokken staten. Van oudsher vormen represailles (bijvoorbeeld tegen de burgerbevolking van de vijand) een van de belangrijkste correctiemethoden binnen het oorlogsrecht. Daarnaast kunnen staten elkaar dagen voor het Internationaal Gerechtshof voor schendingen van het international humanitair recht. Tot slot zijn grove schendingen (grave breaches) van de Geneefse Conventies ook tevens een oorlogsmisdrijf, waarvoor individuen aansprakelijk kunnen worden gesteld. Voor bestraffing kan gebruik worden gemaakt van zowel nationale als internationale rechtbanken, hoven en tribunalen. Voorbeelden van internationale berechting zijn de tribunalen voor het voormalige Joegoslavië, het Rwanda-tribunaal en – sinds 2002 – het permanente Internationaal Strafhof in Den Haag.

In eerste instantie was het internationaal humanitair recht alleen bedoeld voor Staten die met elkaar in oorlog waren. Tegenwoordig komen niet alleen Staten met elkaar in conflict, maar wordt er ook gevochten tussen niet-statelijke groeperingen. In niet-internationale conflicten (ook wel burgeroorlog genoemd) vecht de Staat tegen rebellen of vechten rebellen onderling tegen elkaar. Het internationaal humanitair recht dat voortvloeit uit verdragen is echter niet zonder meer van toepassing op deze groeperingen. Wel wordt aangenomen dat als deze groeperingen expliciet aangeven zich aan het internationaal humanitair recht te houden, dat dit recht dan ook tussen de partijen in niet-internationaal conflict geldt.

Het internationaal humanitair recht vloeit voornamelijk voort uit de Geneefse Conventies en de Haagse Conventies. Het ICRC (Internationaal Comité van het Rode Kruis) houdt zich bezig met de ontwikkeling en verspreiding van het internationaal humanitair recht.

Schrijvers over het recht in de oorlog en over het recht der neutralen[bewerken]

  • Alberico Gentili (1552-1608), hoogleraar in het Romeins recht aan de Universiteit van Oxford. Zijn werken over het oorlogsrecht, de Jure belli, werden in 2 delen uitgegeven.
  • Hugo de Groot (1583-1645) bestreed in zijn beroemde werk Over het recht van Oorlog en van Vrede, in het Latijn uitgegeven, het fanatisme, dat de vervolging en uitroeiing van andersgelovigen als een godvallig werk verkondigt, alsmede het ruw geweld in de oorlog, waarbij aan alle hartstochten de teugel wordt gevierd. Hij sprak voor het eerst het beginsel uit, dat de zee vrij is voor alle naties en resumeerde het eerst het gevoelen van wijsgeren en de praktijk der veldheren. Bij een vermenging van het positieve met het filosofische recht, helt het karakter van zijn werk naar laatstgemelde rechtsopvatting over.
  • Samuel von Pufendorf (1631-1694) loochende de kracht van het positieve volkenrecht en erkende slechts een natuurrecht, gekuist door zedenleer en godsdienst. Volgens hem is het volkenrecht niets als het natuurrecht van het individu overgebracht op de volken. Indien er iets positiefs bijkomt, heeft dit toch, wegens gebrek aan algemene volksverdragingen, geen verbindbaarheid.
  • Cornelis van Bijnkershoek (1673-1743) verwierp - hoewel voorstander van positief recht - gesteund op traditie, geschiedenis en rechtspraak, de filosofische elementen in het volkenrecht niet en nam zowel de rede als de usantie als bronnen van dat recht aan.
  • Moser (1701-1786), Duits geleerde, kende slechts aan de feiten gezag toe.
  • Immanuel Kant (1724-1804) verwierp het natuurrecht en was voorstander van de vereniging van enige staten als een permanent congres tot voortdurende bewaring van de vrede.
  • Christian Wolff (filosoof) (1679-1754) maakte zich beroemd door de beginselen van Hugo de Groot, die hij in hoofdzaak beaamde, meer positief, meer mathematisch te behandelen.
  • Martin Hübner (1723-1795), een Deens rechtsgeleerde, verwierf grote naam en invloed door zijn in 1759 te Den Haag uitgegeven werk De la saisie des batiments neutres.
  • Georg Friedrich von Martens (1756-1821) verrijkte de literatuur van het volkenrecht door zijn Causes célèbres du droit des gens en zijn Erzählungen merkwürdiger Fälle des neueren europätischen Völkenrechts. In zijn werk Précis du droit des gens moderne de l'Europe kent hij slechts gezag toe aan traktaten en gebruiken.
  • Heffter, hoogleraar aan de hogeschool te Berlijn beschouwde in zijn werk Le droit international public de l'Europe vele rechtsbegrippen vanuit een dan modern standpunt. Hij betoogde dat de Europese Staten een familie uitmaken en dat het internationaal recht, in Europa ontstaan, zich bij de Christelijke naties van in en buiten Europa op volkomen wijze had ontwikkeld, maar dat ten opzichte van de niet-Christelijke staten, zowel als van die, welkenog niet op regelmatige wijze in de boezem van de Europese volkenfamilie waren opgenomen, de toepassing van dat recht niet noodzakelijk, maar geheel vrij was en op een zuiver conventionele wederkerigheid steunde.
  • Johann Ludwig Klüber (1762-1836), hoogleraar te Erlangen en Heidelberg werd bekend door zijn Le droit des gens moderne de l'Europe.
  • Leopold von Neumann, hoogleraar in de rechten aan de hogeschool te Wenen en lid van het Hogerhuis, gaf in 1855 ten dienste van de Oostenrijkse Militaire Academie, een Gründriss des heutigen europäischen Völkerrechts uit.
  • Robert Phillimore, advocaat bij de Britse Admiraliteit, door talent, vooral op het gebied van neutraliteitsrecht, gezaghebbend, nam in zijn werk Commentaries upon international law, in 1873-1874 uitgegeven, waarvan het derde deel over het Oorlogsrecht handelt, meer de uitspraken der Engelse prijsgerichten dan algemene internationale rechtsbeginselen tot grondslag van zijn beschouwingen.
  • Eugène Cauchy schreef Le droit maritime international consideré dans ses origines et dans ses rapports avec le progrès de la civilisation met als strekking het devies mare natura omnibus patet.
  • Théodore Ortolan, een zeeofficier, schreef Règles internationales et diplomatie de la mer.
  • De Pistoye en Duverdy brachten te samen in een Traité des prises maritimes een grote hoeveelheid belangrijke Franse en Engelse rechtsgedingen omtrent prijzen op zee bijeen.
  • Hautefeuille (gestorven in 1875) verwierf groot gezag door zijn tussen 1847 en 1849 uitgegeven werk les droits et devoirs des nations neutrales en temps de guerre maritime; zijn uitgangspunt was het natuurrecht door de voorzienigheid beheerst, dus een goddelijk recht. Zijn hoofdbeginselen waren: de zee is vrij, de handel is vrij. Voornamelijk door hem heeft de regel Schip is territoir algemeen burgerrecht verkregen.
  • Henry Wheaton, Amerikaans staatsman, wiens werken Eléments du droit international en Histoire des progrès du droit des gens grote naam verwierven.
  • Henry Halleck, beroemd generaal en rechtsgeleerde schreef in 1861 een werk International law or rules regulating the intercourse of States in peace and war.
  • Francis Lieber, hoogleraar en rechtsgeleerde in de Verenigde Staten vervaardigde, gedurende de oorlog van de Noordelijke tegen de Zuidelijke Staten, in het jaar 1863 een Instructie voor de legers der Verenigde Staten. De rechtsregels, daarin voor de oorlog te land voorgesteld, werden, na door een commissie van officieren te zijn onderzocht, door president Abraham Lincoln bekrachtigd. In 157 artikelen vervat, werden daarin, hoewel voor een enkele oorlog vervaardigd, beginselen aangenomen, die grotendeels in het algemeen volkenrecht pasten en in overeenstemming waren met het dan rechts-bewustzijn en de oorlogsgebruiken van beschaafde naties.
  • Sir Travers Twiss, raadsheer der koningin van Engeland, bekend door zijn werk The law of nations considered as independent political communities (1863).
  • Gessner, Raad van Legatie te Berlijn, schreef Le droit des neutrales (1865).
  • Carlos Calvo, Buenos Aires, achtereenvolgens Zuid-Amerikaans consul te Parijs, Londen en Berlijn schreef Le droit international théoretique et pratique (parijs, 1870-1872); Examen des trois règles du traité de Washington (1874), en Recuil historique des traité, conventions, capitulations armistices etc. des tous les Etats de l'Amerique latine de 1493 jusqu'à nos jours. Hij erkende dat het algemeen begrip van rechtvaardigheid de betrekkingen tussen verschillende Staten ten goede, en in het algemeen belang kan wijzigen, maar gaf de voorkeur aan de beginselen in de traktaten beschreven en aan de regels, die natuurlijk en logisch het gevolg waren van de conventies.
  • Johann Caspar Bluntschli, hoogleraar aan de Universiteit van Heidelberg maakte vooral naam door zijn werk Das moderne Völkerrecht (1868), waarin hij trachtte naar een codificatie in in bepaalde, duidelijke korte regels en voorschriften van het volkenrecht, zoals het indertijd algemeen werd erkend of betracht. Deze eerste poging van wat tot dan toe tot algemene redenering bleef bepaald, kon niet volmaakt zijn maar had grote verdiensten, ook vanwege de ruime opvatting der beginselen. Al in het begin van 1866, toen de oorlog tussen Frankrijk en Duitsland (Frans-Duitse Oorlog) dreigde uit te barsten, had hij een gedeelte van dat werk gereed en haastte hij zich om het onder de titel Das moderne Kriegsrecht der civilisirten Staten als Rechtsbuch dargestellt het licht te doen zien. In 1878 gaf hij nog, nar aanleiding van het verzoek van een Russische maatschappij voor handel en zeevaart in Moskou uit Das Beuterecht im Krieg und das Seebeuterecht insbesondere.
  • Felix Dahn, professor in het volkenrecht aan de Hogeschool te Würzburg schreef in 1870 Das Kriegsrecht om de kennis van het oorlogsrecht bij het Duitse leger te verspreiden.
  • Gustave Rolin-Jaequemyns, minister van buitenlandse zaken in België, toetste in 1870 in de Revue de droit international etc. het oorlogsrecht aan de praktijk. Zijn artikelen over La guerre actuelle dansses rapports avec le droit international getuigden van een scherp oordeel en onderzoek.
  • Baron von Holtzendorff, hoogleraar, eerst te Berlijn, later te München schreef in zijn Encyclopedie der Rechtswissenschaft verschillende belangrijke artikelen over het recht in de oorlog te land en ter zee.
  • J. von Hartmann, Pruisisch generaal der cavalerie verkondigde in het tweede gedeelte van zijn Kritische Versuche, handelend over Militärische Nothwendigkeit und Humanität (1878) ideeën die indruisden tegen de bestaande regels en beginselen van het oorlogsrecht. Hij verwierp de stelling dat de oorlog wrd gevoerd door de Staten en niet door privaat-personen en wilde dat de oorlog werd gevoerd met het meest mogelijke geweld en de grootste hartstocht, zich storend aan niets en zich in vrije oorspronkelijkheid geheel losmakend van de banden der beschaving. De brief, die Helmuth Karl Bernhard von Moltke de 11de december 1880 schreef aan Dr. Bluntschi te Heidelberg over de waarde van het oorlogsrecht scheen gedeeltelijk door het werk van generaal von Hartmann te zijn geïnspireerd.
  • Bulmerincq, geboren te Riga, gewezen hoogleraar te Dorpat werd vooral bekend door zijn werk Les prises maritimes (1880) waarin hij de jurisdictie der prijsgerichten in de verschillende landen uiteen zette en het gehele prijsrecht behandelde op een manier die getuigde van zijn kennis van dit onderwerp.
  • Guelle, kapitein en leraar aan de Ecole de St. Cyr, schreef in 1884 een degelijk werk Précis des lois de la guerre sur terre, met een voorwoord van Pradier-Fodéré.
  • Jan Helunus Ferguson, minister-resident van Nederland in China, voormalig zeeofficier, gaf in 1884 in het Engels een werk uit onder de titel van Manual of international law for the use of Navies, Colonies and Consulates.

Zie ook[bewerken]