Internationaal humanitair recht
| Internationaal recht | |||||
|
Internationaal humanitair recht of humanitair oorlogsrecht (HOR) is het recht dat geldt ten tijde van een gewapend conflict (jus in bello), ongeacht of deze oorlog juridisch gerechtvaardigd is of niet. Dat wordt namelijk gereguleerd door het jus ad bellum. Het humanitair oorlogsrecht heeft als doel het beperken van de schadelijke gevolgen van gewapende conflicten. Dit doet het door middel van regels die als doel hebben mensen te beschermen die niet (meer) direct of indirect meedoen aan het gevecht en limieten te stellen aan de middelen en methoden die gebruikt mogen worden in oorlogsvoering. Het humanitair oorlogsrecht wordt in het Engels ook wel ''international humanitarian law'', ''the law of war'' of ''the law of armed conflict'' genoemd.
Humanitair oorlogsrecht is, anders dan de naam doet vermoeden, niet alleen van toepassing tijdens een oorlog, maar tijdens gewapende conflicten in het algemeen. Dit betekent dat er geen oorlogsverklaring voor nodig is om het humanitair oorlogsrecht te laten gelden. Een feitelijke waarneming dat een situatie de drempel van gewapend conflict heeft bereikt, is voldoende voor het HOR om toepasbaar te zijn. Wel maakt het internationaal humanitair recht onderscheid tussen een gewapend conflict met een internationaal karakter en met een gewapend conflict met een niet-internationaal karakter. Een internationaal gewapend conflict wordt als zodanig geclassificeerd wanneer staten met elkaar in conflict zijn. Echter, wanneer een staat in gevecht is met een gewapende groep of wanneer gewapende groepen met elkaar in gevecht zijn zonder de tussenkomst van een staat, wordt dit gezien als een niet-internationaal gewapend conflict. Dit is belangrijk, omdat deze indeling bepalend is voor de regels binnen het humanitair oorlogsrecht die toepasbaar zijn op een bepaald conflict.
In principe geldt het humanitair oorlogsrecht enkel gedurende een gewapend conflict en is het niet langer toepasselijk wanneer dit conflict eindigt, bijvoorbeeld na de algemene beëindiging van militaire operaties. Een voorbeeld waarbij het humanitair oorlogsrecht toepasselijk blijft buiten een conflict om, is in het geval van een militaire bezetting van een gebied. De verdragen die gelden voor internationale gewapende conflicten zullen hier ook op van toepassing zijn.
De kernprincipes van het humanitair oorlogsrecht zijn zesvoudig:
- Militaire noodzaak;
- Humaniteit;
- Onderscheid;
- Proportionaliteit;
- Voorzorg; en
- Eerlijkheid en goede trouw.
Dit zijn de kernprincipes erkend door Nederland in het Handboek Humanitair Oorlogsrecht 2025. Het kernprincipe 'eerlijkheid en goede trouw' is nieuw geïdentificeerd in dit handboek en wordt internationaal tot zover niet gezien als een van de kernprincipes van het HOR. De meeste regels van het HOR zijn afgeleid van een of meerdere van deze beginselen.
Militaire noodzaak
Dit grondbeginsel staat maatregelen toe die daadwerkelijk noodzakelijk zijn om een legitieme militaire doelstelling te behalen en anderzijds niet verboden zijn door humanitair oorlogsrecht. De enige legitieme militaire doelstelling in een gewapend conflict is het verzwakken van de militaire capaciteit van de andere partijen in het conflict. Militaire noodzaak staat vaak in contrast met humanitaire noodzaak. Humanitair oorlogsrecht probeert daarom een balans te slaan tussen militaire en humanitaire noodzaak.[1]
Humaniteit
Het humaniteitsbeginsel is een van de belangrijkste grondbeginselen van het HOR. Het doel van dit principe is het menselijk lijden van eenieder tijdens een gewapend conflict zo veel mogelijk te beperken. Menig humanitair oorlogsrechtsregel is dan ook afgeleid van deze voorwaarde. Voorbeelden hiervan zijn het verbod om onnodig lijden of overbodig letsel te veroorzaken, hors de combat (personen niet in staat om te strijden) aan te vallen of krijgsgevangen te martelen. De zeer invloedrijke Martens-clausule verankert en bevestigt dit beginsel. De clausule bepaalt dat, zelfs in situaties die niet expliciet door verdragen zijn geregeld, personen beschermd blijven door het grondbeginsel humaniteit, gebruiken en het publiek geweten.
Onderscheid
Dit principe onderschrijft de verplichting voor alle partijen in een conflict om te allen tijde onderscheid te maken tussen de burgerbevolking en de strijders (combattanten) en tussen burgerdoelen en militaire doelen. Hieruit vloeit voort dat de betrokken partijen hun operaties enkel zullen richten tegen militaire doelwitten. Dit grondbeginsel heeft ook veel invloed op de type wapens die wel en niet gebruikt mogen worden in oorlogvoering. Bij sommige wapens kan er namelijk niet gegarandeerd worden dat er onderscheid gemaakt worden tussen het beoogde militaire doel en beschermde personen zoals burgers. Goede voorbeelden van wapens die in haar kern willekeurig zijn, zijn bijvoorbeeld atoombommen, antipersoneelsmijnen, chemische en biologische wapens.
Proportionaliteit
Het grondbeginsel van proportionaliteit verbiedt aanvallen waarvan de schadelijke gevolgen disproportioneel zijn aan het militaire voordeel dat ermee behaald wordt. Dit betekent dat aanvallen die naar verwachting incidenteel verlies van burgerlevens, verwondingen onder burgers, schade aan burgerobjecten of een combinatie daarvan veroorzaken, welke buitensporig zou zijn in verhouding tot het concrete en directe verwachte militaire voordeel, verboden zijn onder dit beginsel.
Voorzorg
Dit grondbeginsel houdt in dat partijen die onderdeel zijn van een conflict alle praktisch uitvoerbare maatregelen moeten nemen om de schadelijke gevolgen van een aanval voor beschermde personen en objecten te voorkomen, of in ieder geval tot een minimum te beperken. Dit beginsel vereist dus zorgvuldigheid maar niet het in praktijk onmogelijke. Het is afgeleid van de beginselen onderscheid en proportionaliteit en vergt dus van een partij dat ze bijvoorbeeld een evacuatiebevel geven aan de burgerbevolking voordat een aanval wordt uitgevoerd (indien haalbaar), een tijdstip kiezen voor een aanval waarvan bekend is dat er minder burgers aanwezig zullen zijn rondom het militaire doelwit of bijvoorbeeld een ander soort munitie gebruiken die de kans op nevenschade zou beperken.
Eerlijkheid en goede trouw
Dit beginsel houdt verband met de bijzondere bescherming die bepaalde personen onder het HOR genieten, zoals burgers en gewonden. Partijen die deelnemen aan het conflict zijn namelijk verplicht deze personen te beschermen en mogen dan ook geen misbruik maken van de bescherming die het humanitair oorlogsrecht biedt. Het verbod op perfidie is hier een belichaming van, omdat het expliciet strijdende partijen verbiedt om door middel van verraad de tegenstander te misleiden. Dit verraad houdt in dat een partij het vertrouwen wekt bij een tegenstander door deze te laten geloven dat hij recht heeft op bescherming volgens de regels van het humanitair oorlogsrecht, om hier vervolgens misbruik van te maken.[2]
De bronnen van het oorlogsrecht zijn gelijk aan die van het internationale recht, namelijk het verdrag, internationaal gewoonterecht, algemene rechtsbeginselen en rechtspraak. Het humanitair oorlogsrecht is echter bijzonder sterk gecodificeerd en is dus voornamelijk terug te vinden in verdragen, met name de Geneefse Conventies in. Verder heeft internationaal gewoonterecht ook een prominente plaats in het oorlogsrecht, dit is van belang omdat staten normaal alleen gebonden kunnen worden aan regels waar zij (door middel van de ratificatie van een verdrag) zelf mee ingestemd hebben. Deze laatste eis geldt niet voor internationaal gewoonterecht. Staten zijn automatisch gebonden aan deze regels wanneer ze zijn vastgesteld als internationaal gewoonterecht. Aangenomen wordt bijvoorbeeld dat grote delen van de Haagse Conventies bestaan uit internationaal gewoonterecht, waardoor zij ook bindend zijn voor staten die geen partij zijn van de originele verdragen uit 1899 en 1907.[3][4] Het Internationaal Comité van het Rode Kruis (ICRC) speelt een belangrijke rol in het identificeren van internationaal gewoonterecht en wordt gezien als een belangrijke bron.
Geschiedenis
[bewerken | brontekst bewerken]Oudheid
[bewerken | brontekst bewerken]Regels omtrent het voeren van oorlog behoren tot de oudste internationale rechtsregels. De oude Soemeriërs beschouwden oorlog reeds als iets dat door het recht moest worden gereguleerd. Dus, moesten oorlogen ingeleid worden door een oorlogsverklaring en beëindigd door een vredesverdrag. Ook garandeerden zij het recht van immuniteit voor onderhandelaars. Vergelijkbare ideeën zijn ook te vinden bij de Babyloniërs, Hettieten en Perzen uit de oudheid, die vaak bijzondere regels hadden over de verzorging van gewonden en gevangenen, of het lot van de inwoners van een capitulerende stad. Ook verboden met betrekking tot bepaalde wapens zijn terug te vinden in sommige oude teksten, zoals de Indiase Mahabharata en de Wetten van Manu. Ook de Grieken en Romeinen hadden regels met betrekking tot het voeren van oorlog. Zij maakten daarbij echter een onderscheid tussen de barbaren en geciviliseerde volken.[5]
Middeleeuwen en renaissance
[bewerken | brontekst bewerken]Tijdens de middeleeuwen werd het voeren van oorlog in Europa aan uitvoerige regels onderworpen. Aanvankelijk waren de christenen nog voornamelijk pacifistisch, daar kwam echter verandering in door het concept van de rechtvaardige oorlog van Sint-Augustinus. Het idee van de rechtvaardige oorlog werd later verder uitgewerkt door Thomas van Aquino. Onder invloed van de rechtvaardige oorlog raakten oorlog en religie met elkaar verbonden, dit leidde er onder andere toe dat het Concilie van Lateranen in 1137 het gebruik van de kruisboog aan banden willen leggen, onder andere vanwege de verschrikkelijke wonden die hij veroorzaakte. Tegen het einde van de middeleeuwen raakten, door de teloorgang van de ridderorden en de opkomst van huurlegers, de christelijke moraal en oorlog echter weer van elkaar vervreemd. Tijdens de godsdienstoorlogen die hierop volgden werden de meest grove gruweldaden begaan. Het is tegen deze achtergrond dat Hugo de Groot (1583-1645) zijn beroemde werk Over het recht van Oorlog en van Vrede schreef. Hugo de Groot was overtuigd dat het recht van toepassing was op het voeren van oorlog en dat dit recht verbindend was tegenover iedereen. Hoewel Hugo de Groot zeker niet de eerste schrijver is die schreef over het oorlogsrecht (Alberico Gentili ging hem reeds voor, en ook bij Francisco de Vitoria zijn sporen van humanitair oorlogsrecht te vinden), wordt hij toch vaak als grondlegger van het internationaal humanitair recht gezien.[6] Hugo de Groot zou een grote invloed blijven houden op het jus in bello tot de Verlichting.
Vroegmoderne tijd
[bewerken | brontekst bewerken]In de 18e eeuw schreef Jean-Jacques Rousseau het boek Du Contrat Social. Daarin stelde hij dat oorlog geen relatie tussen personen is, maar een relatie tussen staten. Personen zijn daarbij alleen toevallig elkaars vijanden, niet als burgers, maar als soldaten die hun land verdedigen. Een staat kan daarbij alleen een andere staat tot vijand hebben en het doel van oorlog is het vernietigen van de andere staat, niet zijn burgers. Een staat kan daarbij de soldaten van de vijand doden, maar als zij zich overgeven worden zij weer gewoon burgers en mogen zij niet gedood worden.[7][8] Het ideaal dat oorlog bedoeld is om de vijandige staat te verslaan en dat de soldaten van de vijand niet te allen tijde gedood mochten worden, zou leidend worden voor de ontwikkeling van het oorlogsrecht. Deze principes vonden hun uitwerking in de Lieber Code uit 1863. De Lieber Code was een handboek geschreven ten behoeve van President Lincoln voor gebruik in de Amerikaanse Burgeroorlog. Het beschreef uitvoerig de rechten en plichten van soldaten in de oorlog op basis van de wetten en gebruiken van de oorlog. Het besteedde daarbij aandacht aan de humane verzorging van gewonden en gevangenen, het beginsel dat geen burgerdoelen mochten worden aangevallen en de regels omtrent een staakt-het-vuren (ceasefire) en wapenstilstand (armistice). Opmerkelijk was daarbij dat de Unie onder leiding van president Lincoln de Confederatieven niet als staat erkende; in veel opzichten erkende de Lieber Code daarom meer rechten aan de partijen in een niet-internationaal conflict dan momenteel het geval is.[9] Anderzijds waren de toegestane represailles tegen vijandelijkheden door burgers bijzonder verregaand.
Oprichting van Rode Kruis
[bewerken | brontekst bewerken]Henri Dunant was een Geneefse zakenman die actief was in de Franse koloniën. In 1859 was hij onderweg naar Solferino getuige van de Slag bij Solferino tijdens de Tweede Italiaanse Onafhankelijkheidsoorlog tussen de Franse en Sardijnse soldaten onder leiding van Napoleon III en Oostenrijkse soldaten onder leiding van Frans Josef I van Oostenrijk. Dunant was gechoqueerd door de vele gewonden, doden en stervenden die op het slagveld lagen en het gebrek aan verzorging voor de vele gewonden. Dunant nam daarom zelf het initiatief om met vrijwilligers de gewonden te helpen. Wanneer hij terugkeerde naar Genève, besloot hij een boek te schrijven over zijn ervaringen genaamd Un Souvenir de Solferino (A Memory of Solferino). In dit boek zette Dunant twee belangrijke ideeën uiteen. Ten eerste moet een onafhankelijke, neutrale organisatie zijn die iedereen kan helpen en erkend wordt door alle strijdende partijen. Dit idee leidde later tot de oprichting van het Rode Kruis. Ten tweede moeten staten afspraken maken over die neutraliteit. Dit zou later worden gereflecteerd in de Verdragen van Genève. Dunant zou uiteindelijk in 1863 verantwoordelijk zijn voor de oprichting van het Internationaal Comité van het Rode Kruis.[9] In oktober 1863 werd de eerste Geneefse internationale conferentie gehouden onder de auspiciën van het ICRC waarbij het Rode Kruis werd opgericht.[10] In 1864 kwam vervolgens het Eerste Verdrag van Genève van 1864 tot stand. Het zou het eerste verdrag worden in een reeks van Geneefse Verdragen, die – in tegenstelling tot de Haagse Verdragen – het recht voornamelijk vanuit het perspectief van de slachtoffers van oorlogen beschrijven. De Geneefse Verdragen geven dus voornamelijk voorschriften die bepaalde kwetsbare groepen trachten te beschermen.[11]
De eerste codificaties
[bewerken | brontekst bewerken]Halverwege de 19e eeuw zouden de eerste codificaties van het oorlogsrecht op gang komen, die de tot dan toe voornamelijk in gewoonterecht bestaande regels op schrift zouden stellen. Een eerste stap was de Verklaring van Sint-Petersburg van 1869,[12] waarin diverse grote mogendheden besloten om een verbod te vestigen op bepaalde wapens die onnodig lijden veroorzaakten. In de preambule van de verklaring staat: 'dat de vooruitgang van de beschaving het effect dient te hebben om de rampen die verbonden zijn aan de oorlog zo veel mogelijk te verlichten; dat het enige legitieme doel van Staten tijdens een oorlog moet zijn het verzwakken van de vijand; dat het voor dit doel voldoende is om het grootst aantal personen te verwonden; dat het dit doel voorbij zou schieten indien wapens worden toegestaan die onnodig het lijden van gewonde personen zou vergroten, of hun dood onvermijdelijk zou maken; dat zulke wapens, daarom, tegen de wetten der menselijkheid indruisen.'[13] Met deze verklaring was het - nog immer geldende - beginsel geboren dat wapens die opzettelijk onnodig lijden veroorzaken verboden zijn.[11][14] De volgende stap werd in 1874 gemaakt toen Alexander II van Rusland een internationale conferentie hield om het internationaal humanitair gewoonterecht te codificeren. De partijen konden het er niet over eens worden of de voorschriften bindend waren, waardoor er alleen een niet-bindend document tot stand kwam, namelijk de Verklaring van Brussel (1874). Dit was de eerste codificatie die probeerde het gehele scala aan oorlogsrecht op papier te stellen en zou de basis vormen voor het Handboek van de wetten en gebruiken van de oorlog van het Instituut voor Internationaal Recht (beter bekend als de Oxford-handleiding van 1880). Beide instrumenten waren niet bindend tegenover staten. Toch zouden zij een grote invloed uitoefenen op de Haagse Verdragen van 1899 en 1907. Bovendien gelden sommige passages uit de Verklaring als internationaal gewoonterecht.[15]
De Haagse Verdragen
[bewerken | brontekst bewerken]De Haagse Verdragen zijn – in tegenstelling tot de Geneefse Verdragen – geschreven vanuit het standpunt van de soldaat, en bevatten voornamelijk de rechten en plichten voor militairen.[11]
De Geneefse Verdragen
[bewerken | brontekst bewerken]Daarna krijgt het internationaal humanitair recht onder meer gestalte in:
- de Haagse Regels inzake de Luchtoorlog (1923)
- het Handvest van de Verenigde Naties (1945)
- de Aanvullende Protocollen I en II bij de Geneefse Conventies (1977)
- het oprichtingsstatuut van het Joegoslavië-tribunaal (1993)
- het oprichtingsstatuut van het Rwanda-tribunaal (1994)
- het Statuut van Rome (1998)
Dimensies van het humanitair oorlogsrecht
[bewerken | brontekst bewerken]Het humanitair oorlogsrecht heeft verschillende dimensies. Allereerst schrijven deze regels voor hoe mensen moeten worden beschermd die niet, of niet meer, aan het gewapende conflict deelnemen. Voorbeelden hiervan zijn zieke en gewonde militairen, burgers en krijgsgevangenen. Daarnaast moeten vrouwen en kinderen in het bijzonder worden beschermd tegen de verschrikkingen van oorlog. Kinderen onder vijftien jaar mogen bijvoorbeeld niet als soldaat worden ingezet en vrouwen verdienen extra bescherming in tijden van oorlog, bijvoorbeeld tegen seksueel geweld.
Een ander deel van het internationaal humanitair recht gaat over de middelen die verboden zijn om oorlog mee te voeren. Bepaalde wapens veroorzaken namelijk zoveel onnodig lijden, dat het gebruik van deze wapens is verboden. Bovendien is het verboden om aanvallen uit te voeren met wapens waarmee geen onderscheid kan worden gemaakt tussen militaire doelen en burgerobjecten. Een voorbeeld van een verboden wapen is het gebruik van exploderende of brandstichtende kogels.
De regels van het humanitair oorlogsrecht zijn bindend voor de staten die het desbetreffende verdrag ondertekend hebben, tenzij een regel is geïdentificeerd als internationaal gewoonterecht. Ten tijden van gewapend conflict wordt eenieder dus beschermd en/of gebonden door het humanitair oorlogsrecht. Het humanitair oorlogsrecht dient door elke partij van het conflict te allen tijde nageleefd te worden, ongeacht de naleving van andere partijen.
In eerste instantie was het internationaal humanitair recht alleen bedoeld voor staten die met elkaar in oorlog waren. Tegenwoordig komen niet alleen staten met elkaar in conflict, maar wordt er ook gevochten tussen niet-statelijke groeperingen. In niet-internationale conflicten (ook wel burgeroorlog genoemd) vecht de staat tegen gewapende groepen of vechten gewapende groepen onderling tegen elkaar. Er wordt onderscheid gemaakt in de verdragen of de regels enkel voor internationale gewapende conflicten geldt, of ook voor niet-internationale gewapende conflicten. Gemeenschappelijk artikel 3 van de Verdragen van Genève en Aanvullend Protocol II uit 1977 van de Verdragen van Genève zijn toepasselijk voor niet-internationale gewapende conflicten (NIAC). Verder zijn alle gewoonterechtsregels ook toepasselijk voor NIACs.
Het humanitair oorlogsrecht vloeit voornamelijk voort uit de Geneefse Conventies en de Haagse Conventies. Het ICRC (Internationaal Comité van het Rode Kruis) houdt zich bezig met de ontwikkeling en verspreiding van het humanitair oorlogsrecht.
Zie ook
[bewerken | brontekst bewerken]- Internationaal Instituut voor Humanitair Recht
- Internationaal strafrecht
- Oorlogsmisdrijf
- Rechten van de mens
- 1886. Jacobus Catharinus Cornelis den Beer Poortugael (1832-1913). Krijgsgebruiken in de oorlog te land (oorlogsrecht) en de rechten der neutralen. Handleiding der officieren en ten dienste van het militair onderwijs. Broese & Comp. Breda.
- ↑ Military necessity | How does law protect in war? - Online casebook. casebook.icrc.org. Geraadpleegd op 15 april 2026.
- ↑ Defensie, Ministerie van, Handboek Humanitair Oorlogsrecht | Defensie.nl. www.defensie.nl (20 maart 2026). Geraadpleegd op 15 april 2026.
- ↑ D. Fleck 2013, p. 27.
- ↑ Gearchiveerde kopie. Gearchiveerd op 9 maart 2016. Geraadpleegd op 8 augustus 2023.
- ↑ D. Fleck 2013, p. 16.
- ↑ D. Fleck 2013, p. 18-19.
- ↑ Tekst in het artikel is een eigen vrije vertaling van de bewerker. De originele tekst van Rousseau: "La guerre n’est donc point une relation d’homme à homme, mais une relation d’État à État, dans laquelle les particuliers ne sont ennemis qu’accidentellement, non point comme hommes, ni même comme citoyens (a), mais comme soldats; non point comme membres de la patrie, mais comme ses défenseurs. Enfin chaque État ne peut avoir pour ennemis que d’autres États, et non pas des hommes, attendu qu’entre choses de diverses natures on ne peut fixer aucun vrai rapport. Même en pleine guerre, un prince juste s’empare bien, en pays ennemi, de tout ce qui appartient au public; mais il respecte la personne et les biens des particuliers; il respecte des droits sur lesquels sont fondés les siens. La fin de la guerre étant la destruction de l’État ennemi, on a droit d’en tuer les défenseurs tant qu’ils ont les armes à la main; mais sitôt qu’ils les posent et se rendent, cessant d’être ennemis ou instruments de l’ennemi, ils redeviennent simplement hommes, et l’on n’a plus de droit sur leur vie." J.J. Rousseau, Du Contrat Social, Livre I, Chapitre IV.
- ↑ D. Fleck 2013, p. 19.
- 1 2 D. Fleck 2013, p. 21.
- ↑ https://www.icrc.org/applic/ihl/ihl.nsf/Treaty.xsp?documentId=5120E889210B512AC12563CD002D65DD&action=openDocument
- 1 2 3 D. Fleck 2013, p. 22.
- ↑ Staatsblad 1869, nr. 16.
- ↑ Originele tekst: That the progress of civilization should have the effect of alleviating as much as possible the calamities of war; That the only legitimate object which States should endeavour to accomplish during war is to weaken the military forces of the enemy; That for this purpose it is sufficient to disable the greatest possible number of men; That this object would be exceeded by the employment of arms which uselessly aggravate the sufferings of disabled men, or render their death inevitable; That the employment of such arms would, therefore, be contrary to the laws of humanity.
- ↑ J.F. Berry: Hollow point bullet: how history has hijacked their use in combat and why it is time to reexamine the 1899 Hague Declaration concerning expanding bullets, 206 Military Law Review (2010), p. 102.
- ↑ D. Fleck 2013, p. 23.