Koegras

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Bewoning in Koegras, net buiten de dorpskern van Julianadorp

Het Koegras is een polder in de Nederlandse gemeenten Den Helder en Schagen, in de Kop van Noord-Holland. Het gebied van circa 3875 hectare[1][noot 1] is mede gevormd door vroeg-17e-eeuwse maatregelen voor kustbescherming, maar werd pas volledig omdijkt in 1818.[2] De arme grond met stuifduinen werd in de loop van de 19e eeuw geschikt gemaakt voor veeteelt en akkerbouw. In de 20e eeuw bleek die te kleinschalig, waarna de bollenteelt een grote grondgebruiker werd. Rond een groepje huizen in het centrum van de polder is na 1900 Julianadorp aangelegd. Ten noordwesten ervan ontstond driekwart eeuw later de badplaats Julianadorp aan Zee.

Ligging[bewerken | brontekst bewerken]

Kloksgewijs vanaf het noorden wordt Het Koegras begrensd door de binnenstad van Den Helder, het Noordhollandsch Kanaal, de Zijpe- en Hazepolder en de Zanddijk. De Zanddijk loopt op enkele honderden meters van de Noordzeekust en over de hele lengte ligt een dijkweg. Het zuidelijke, Schagense stuk heet Duinweg en maakt deel uit van de N502. In het midden van de polder ligt Julianadorp, een woonkern in de gemeente Den Helder.

Voorgeschiedenis[bewerken | brontekst bewerken]

In 1610 werd de Oldenbarneveldsdijk aangelegd, nu genoemd de Zanddijk, die een beveiliging tegen de Noordzee moest vormen. De eilanden Callantsoog en Huisduinen werden daardoor over land bereikbaar. Doordat de dijk het gebied beschermde tegen de overheersende westenwinden, slibden in het rustigere water kweldergronden aan. In het droogvallende gebied, toen aangeduid als het Buitenveld, ontstonden meerdere nollen (duintjes) en een daarvan werd Koegras genoemd. Het gebied ten noorden van Huisduinen, de nol De Garst en het huidige De Kooy werd ingepolderd en kreeg de naam Le Maires polder.

De opdracht, begin 1800, van koning Willem I tot het graven van het Noordhollandsch Kanaal was de definitieve aanzet tot de vorming van de polder Het Koegras. Het kanaal was nodig om het scheepvaartverkeer vanaf de Noordzee richting Amsterdam een veiliger vaarroute te geven. De zeeschepen moesten vóór 1825 via de Zuiderzee naar Amsterdam. Langs de vaarroute in de Zuiderzee lagen zandbanken waarop menig zeeschip vastliep. Voor het graven van het Noordhollandsch Kanaal moest een dijk worden aangelegd die het zeewater van de Waddenzee en de Zuiderzee moest afdammen.

Gebiedsontwikkeling en beheer[bewerken | brontekst bewerken]

Gelijktijdig met de kanaaldijk is van 1817 tot 1825 het Noordhollandsch Kanaal aangelegd. Met de bagger die vrijkwam werd een weg aangelegd langs het kanaal, nu de N9. De dijk, de Koegraszeedijk, ligt vanaf het Nieuwediep tot de Zijpe ten oosten van het Noordhollandsch Kanaal. Het kanaal is een belangrijk onderdeel van de waterhuishouding in het gebied.

De omdijking van de polder in 1817 en 1818 bemoeilijkte de ontwikkeling van het gebied, doordat de losse, zanderige grond nog onvoldoende opgeslibd was. Een auteur uit die tijd stelt dat een langsvaart en twee dwarsvaarten in 1821 – vier jaar na hun aanleg – alweer grotendeels dichtgestoven waren.[1]

Hoewel het gebied aangeduid wordt als polder, wordt er niet bemalen volgens een beheersplan uit 2011.[2] Als het water hoger staat dan in het Noordhollandsch Kanaal wordt het daarin geloosd. Staat het water in het kanaal hoger, dan voorkomen keerkleppen dat het de polder instroomt. Ook tussen de polder en de boezem is een halfopen verbinding: in de zomer laten keerkleppen water in de polder, in de winter eruit.[2]

Geschiedenis[bewerken | brontekst bewerken]

Het Koegras in 1841 met een nieuwe verkaveling. Het noorden is op deze kaart rechts. Onderaan het Noordhollandsch Kanaal, langs de Zuiderzee.

De drooggelegde polder Het Koegras bestond vooral uit stuifduinen met laagten waar plantengroei tot ontwikkeling kwam. De dominee-dichter-hoogleraar Nicolaas Beets noemde in zijn verhaal Teun de Jager (opgenomen in Camera Obscura) de polder "de woestijn van het Koegras".[3] De grond was erg arm en het landschap was te vergelijken met het strand. Na de inpoldering werd het ingeplant met helmgras. Het houden van schapen was de enige activiteit. Door gebruik te maken van kunstmest heeft men deze gronden vruchtbaar kunnen maken en kwam de veehouderij tot ontwikkeling. Midden 19e eeuw was er sprake van verbouw van graangewassen; rogge, haver en gerst.[4]

De Staat had van meet af aan de bedoeling Het Koegras te veilen als het voldoende ontwikkeld zou zijn en op 7 november 1849 kocht mr. Pieter Loopuyt nagenoeg het hele Buitenveld.[noot 2] Hij betaalde 689.951 gulden voor een gebied van 3875 hectare inclusief de opstallen.[1][noot 1] In de polder bevonden zich toen onder andere een aantal stolpboerderijen en bijbehorende arbeiderswoningen. Wegen waren nog niet aangelegd en de waterbeheersing door middel van sloten en vaarten moest nog worden geregeld. Wel was er al een school voor alle kinderen uit de polder. Loopuyt schonk in 1870 duizend gulden aan de gemeente Den Helder voor een nieuw schoolgebouw.

Cornelis van Foreest, de schoonzoon van Loopuyt, had in 1849 de koop van het gebied afgehandeld en werd daarna belast met het beheer. Hij nam J. Swerver, te Alkmaar opzichter van Rijkswaterstaat, in dienst en samen pakten zij de ontginning krachtig aan. De ontwatering werd verbeterd door het graven van vier ruwweg parallelle dwarsvaarten die in oost-westelijke richtingen lopen, min of meer haaks op de Zanddijk (de westgrens) en de bestaande langsvaart, de Langevliet of Lange Vliet, die door het midden van de polder loopt.. De oostgrens van het systeem wordt gevormd door het Noordhollandsch Kanaal.

Onderstaande beschrijving geeft de positie van de dwarsvaarten ten opzichte van de woonbebouwing anno 2022:

Deze dwarsvaarten hadden een gezamenlijke lengte van 18,9 kilometer en waren al in 1852 voltooid, evenals 19 nieuwe boerderijen. Ter verbetering van het waterbeheer hebben Van Foreest en Swerver in de loop der jaren grote aantallen duikers en dammen gerealiseerd, evenals twee schutsluizen naar het kanaal, zeven bruggen en vijftien kilometer sloten.[4]

Toen Loopuyt in 1872 overleed en de nalatenschap moest worden geschat voor de erven, werd Het Koegras getaxeerd op 2 miljoen gulden. De waarde was dus bijna verdrievoudigd, weliswaar mede door de opbloei van de Nederlandse landbouw die de grondprijzen opdreef.

In 1909 werden door twaalf mensen, waaronder Pieter Loopuyt, de kleinzoon van de eerste eigenaar, meerdere woningen gebouwd bij de school. Loopuyt deed aan het Koninklijk Huis het verzoek deze nederzetting Julianadorp te mogen noemen, wat door koningin Wilhelmina ingewilligd werd, zodat het dorp in 1909 die naam kreeg.[4]

Mede door technische en organisatorische ontwikkelingen werden de veeteeltbedrijven te klein, terwijl de vraag naar gronden voor de bloembollenteelt in Het Koegras toenam. Bloembollenkwekers uit de Randstad vestigden zich in de nabijgelegen Anna Paulownapolder en kochten ook grasland op in de Koegraspolder om dit geschikt maken voor bloembollenteelt. De bloembollenteelt is de grootste agrarische bedrijfstak in het Koegras. Ook de kustrecreatie in het gebied heeft zich flink ontwikkeld. Zo ontstond vanaf eind 20e eeuw de badplaats Julianadorp aan Zee.

In het oosten van de polder zijn de Koegrasbrug uit 1973 en het railviaduct Koegras uit 1999 naar de polder vernoemd.

Wijk van Den Helder[bewerken | brontekst bewerken]

Koegras is ook de naam van een wijk in Den Helder. Het gaat om landerijen ten zuiden van de Doggersvaart inclusief Friese Buurt en het oude centrum van Julianadorp. In het westen gedeeltelijk grenzend aan de Kanoroute tot de Middenvliet, aan de Langevliet tot Noorderhaven als zuidelijke grens. In het oosten loopt de grens langs het Noordhollandsch Kanaal inclusief De Kooy, Kooypunt en Oostoever.