Onze-Lieve-Vrouwepoort

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Onze-Lieve-Vrouwepoort
Onze-Lieve-Vrouwepoort (Arnoud Schaepkens, ca 1850)
Onze-Lieve-Vrouwepoort (Arnoud Schaepkens, ca 1850)
Locatie Maastricht, Graanmarkt / Het Bat
Oorspr. functie stadspoort
Start bouw 13e eeuw?
Sluiting 1867 (opheffing vesting); 1868 (sloop)
Afbeeldingen
Eerste middeleeuwse stadswal met Onze-Lieve-Vrouwewal (14) en -poort (15). 16 is de Batpoort
Eerste middeleeuwse stadswal met Onze-Lieve-Vrouwewal (14) en -poort (15). 16 is de Batpoort
Portaal  Portaalicoon   Civiele techniek en bouwkunde

De Onze-Lieve-Vrouwepoort, ook wel (Hoge) Kolenpoort genoemd, was een middeleeuwse stadspoort langs de rivier de Maas in de Nederlandse stad Maastricht. De poort was onderdeel van de eerste middeleeuwse stadsmuur en was gelegen aan de Graanmarkt, waar ze toegang gaf tot de Maaskade (Het Bat). De oorspronkelijke poort dateerde waarschijnlijk uit de 13e eeuw, maar werd in de loop der eeuwen diverse malen vernieuwd. De poort werd in 1868 gesloopt.

Bouw middeleeuwse stadsmuren en Onze-Lieve-Vrouwepoort[bewerken]

Over het precieze bouwjaar van de eerste middeleeuwse stadsmuur van Maastricht is geen duidelijkheid. In 1229 gaf de hertog van Brabant toestemming om een stenen muur om de stad te bouwen. Eerder was er al een aarden wal opgeworpen met daarop palissaden, maar deze was door de bisschop van Luik, medeheer van het tweeherige Maastricht, verwoest tijdens het Beleg van Maastricht (1204). De nieuwe muur op de linker Maasoever bestond uit kolenzandsteen, strekte zich uit over een lengte van ongeveer 2,5 kilometer, was 6 à 8 meter hoog en had in totaal 11 poorten. Van de poorten is alleen de Helpoort overgebleven.[1]

De Maaskade op het panorama van Simon de Bellomonte, ca. 1570
De omgeving van de Onze-Lieve-Vrouwepoort op de Maquette van Maastricht, ca. 1750
Het Bat omstreeks 1800. Links de Onze-Lieve-Vrouwepoort

De Onze-Lieve-Vrouwepoort vormde vanouds de belangrijkste toegang tot de Maaskade, ter plaatse Koolbat genoemd. De naam Koolbat is waarschijnlijk ontleend aan de steenkool die hier per schip vanuit het Luikerland werd aangevoerd en opgeslagen. In 1439 wordt de Onze-Lieve-Vrouwepoort aangeduid als Koleporte, in 1463 als Koelreport. Op het stadspanorama van Simon de Bellomonte wordt de Onze-Lieve-Vrouwepoort Porta Carbonaria superior genoemd en de iets noordelijker gelegen Jodenpoort Porta Carbonaria inferior (Hoge en Lage Koolpoort).[2] Enigszins verwarrend werd ook het Wycker Waterpoortje Koolpoort genoemd.

Matthaeus Herbenus sprak omstreeks 1500 van de Porta Regia (Koningspoort), maar bedoelde wellicht een andere poort.[3] Vanaf de 17e eeuw wordt vrijwel uitsluitend de naam Onze-Lieve-Vrouwepoort gebruikt. In 1655 werd de poort op kosten van Onze-Lieve-Vrouwekapittel en het stadsbestuur verbreed. De kanunniken van Onze-Lieve-Vrouwe zouden ook als enige de sleutel van de poort in bezit hebben.[4]

In de Onze-Lieve-Vrouwewal bevonden zich een aantal andere stadspoorten en een wisselend aantal poternes, kleine poorten die bij oorlogsdreiging gemakkelijk dichtgemetseld konden worden. Na het gereedkomen van de tweede middeleeuwse stadsmuur bleef de Onze-Lieve-Vrouwepoort gewoon in gebruik, aangezien er langs de Maas geen ruimte was voor een wijdere enceinte (vestinggordel). In het laatste kwart van de 15e eeuw bleek het door verbeterde gevechtstechnieken noodzakelijk de stadsmuren verder te versterken met bolwerken. Ook aan de Maaskade, tussen de Maasbrug en de Onze-Lieve-Vrouwepoort, kwam een bolwerk tot stand. In de 17e eeuw werd de stadsmuur langs de Maas op diverse plaatsen herbouwd en versterkt met een aarden wal.

De Onze-Lieve-Vrouwepoort was een eenvoudig bouwwerk op een grondplan van een onregelmatige rechthoek met een uitkragende verdieping en een zadel- of lessenaardak. De poort sprong aan de Maaszijde meer dan 3 meter uit ten opzichte van de stadsmuur. De poortdoorgang was enkele meters diep en werd afgesloten door twee poortvleugels. Later werd de bovenbouw afgebroken en vervangen door een bakstenen borstwering. In 1774 werd het orgelhuisje van de poort met het mechaniek voor het valhek verwijderd. Tegelijkertijd werd de wolfskuil aan de Maaszijde gedempt en de bijbehorende valbrug verwijderd.[5]

Voor de poort was een vaste brug over de Jeker, die iets ten noorden van deze brug in de Maas stroomde. Door het graven van het Kanaal Luik-Maastricht in 1845-'50 moest de Onze-Lieve-Vrouwepoort in 1849 worden verbouwd. De poortdoorgang werd vergroot aangezien het terrein enkele meters was opgehoogd. De Batpoort moest zelfs helemaal wijken voor de aanleg van het kanaal. Met de stenen van die poort werd op de dijk tussen de Jeker en het kanaal een tamboer aangelegd, een klein verdedigingswerk bestaande uit twee vleugelmuren met schietgaten en stenen stijlen, waarin balken konden worden geplaatst om de toegang te versperren. Een van die stijlen is bewaard gebleven. Links en rechts voor de poort lagen aan het kanaal twee kleine brugwachterswoningen.

Ontmanteling vesting en sloop Onze-Lieve-Vrouwepoort[bewerken]

In het midden van de 17e eeuw luidde de afbraak van de Leugenpoort en de Gevangenpoort op de Houtmarkt (voor de bouw van het Stadhuis van Maastricht) de teloorgang van de eerste stadsmuur in. Al eerder was de Veerlinxpoort wegens bouwvalligheid gesloopt. In de loop van de 18e eeuw verdwenen ook de meeste andere poorten van de eerste omwalling: in 1734 de Tweebergenpoort, de Lenculenpoort en de Minderbroederspoort, in 1772 de Looierspoort.[6] Door de aanleg van het Kanaal Luik-Maastricht in 1845-'50 verdwenen delen van de stadsmuur langs de Maas, inclusief de Batpoort en de Molenpoort.

Op 29 mei 1867 ondertekende koning Willem III der Nederlanden, na lang aandringen van onder andere de gemeente Maastricht, het besluit tot opheffing van de vestingstatus van Maastricht, Venlo, Bergen op Zoom, Vlissingen en enkele andere vestingen. In de jaren daarna werden groot delen van de middeleeuwse stadsmuur en de meeste buitenwerken in opdracht van het Ministerie van Oorlog geslecht, waarna de gronden werden overgedragen aan de Dienst der Registratie en Domeinen. De stadspoorten van Maastricht - op één na - werden tussen 1867 en 1874 gesloopt. De ontmanteling van de vesting Maastricht werd door de meeste tijdgenoten gezien als het begin van een periode van grotere welvaart. Tegen de afbraak van de eeuwenoude stadspoorten rees dan ook nauwelijks protest.[7] Bij de start van de afbraak van de Tongersepoort in december 1867 was geen enkele bepaling opgenomen over documentatie en oudheden. Door toedoen van de kunstenaar Alexander Schaepkens en de jonge Victor de Stuers werd bij de sloopbestekken van de andere poorten bepaald dat gedetailleerde tekeningen en foto's gemaakt moesten worden. De tekenaar Johannes Brabant maakte in opdracht van het Geschied- en Oudheidkundig Genootschap schetsen en de fotograaf Theodor Weijnen foto's van de te slopen vestingwerken.[8]

De sloop van de Onze-Lieve-Vrouwepoort vond plaats in 1868. Tijdens de sloopwerkzaamheden werden de fundamenten van een ouder poortje ontdekt. Volgens Victor de Stuers, voorvechter voor het behoud van oude monumenten, was dat de door Herbenus genoemde Koninklijke Poort (Porta Regia), de poort waar in de Romeinse tijd de Koninklijke Weg doorheen liep, die via de Maasbrug naar Aken voerde. Op de plek van de poort werden in het plaveisel twee stenen gelegd met het opschrift Porta Regia. Romeins zal de Onze-Lieve-Vrouwepoort zeker niet geweest zijn; de poort die aansloot op de Romeinse brug van Maastricht zou ter hoogte van de Plankstraat moeten hebben gelegen.[9] De afbraak van de stadsmuur langs de Maaskades ging nog door tot begin 20e eeuw.[10]

Cultuurhistorische erfenis[bewerken]

Van de eeuwenoude Onze-Lieve-Vrouwepoort is niets overgebleven, op een enkele sleutel na in de collectie van het Centre Céramique. Wat wel bewaard bleef is het wachthuis naast de poort. Deze 'binnenwacht' verving een ouder wachthuis en werd in 1786 ontworpen naar ontwerp van Mathias Soiron. Op een litho van Alexander Schaepkens is te zien dat het wachthuis omstreeks het midden van de 19e eeuw omgeven was door een hoge muur met schietgaten. Het betreft een neoclassicistisch bouwwerk van Naamse steen met een open portiek onder een afgeknot schilddak met twee frontons. Oorspronkelijk had het wachthuis alleen een voorgevel aan de zijde van de Stokstraat. Het fronton bevond zich in het midden van die gevel. Bij een verbouwing in het tweede kwart van de 19e eeuw werd een deel van de Stokstraatgevel afgebroken en verplaatst naar de zijde van de Graanmarkt. De nieuwe gevel kreeg tevens een identiek portiek met fronton. Aan de westzijde van het gebouw bevindt zich een paardendrinkbak, wellicht bedoeld voor de cavaleriepaarden.[11]

Van de stadsmuur langs de Maas is maar weinig bewaard gebleven. Alleen de van kolenzandsteen gebouwde Onze Lieve Vrouwewal geeft nog een idee van de hoogte en zwaarte van de muren.

Zie ook[bewerken]