Pieter Philippus Jansen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Pieter Philippus Jansen (Dordrecht, 11 augustus 1902 - 5 juli 1982) was een Nederlands civiel ingenieur en waterbouwkundige in dienst van Rijkswaterstaat. Hij was nauw betrokken bij de naoorlogse droogmaking van Walcheren en de eerste fase van de Deltawerken.

Jansen volgde een opleiding aan de Technische Hogeschool Delft waar hij in 1926 het diploma civiel ingenieur verwierf en in dienst trad bij Rijkswaterstaat. Hij begon zijn loopbaan bij de Zuiderzeewerken (1927- 1931) en was onder andere betrokken bij de aanleg van de Afsluitdijk. Later hield hij zich zowel bezig met de waterstaat in de grote rivieren (verbetering van de Maas, kanalisatie van de IJssel) als aan de kust (Arrondissement Hoorn). In 1944 was hij in Breda betrokken met de voorbereidingen van de dijkverbeteringen in de Biesbosch en omgeving.

Op 1 oktober 1944 kreeg hij de leiding over de Dienst Droogmaking Walcheren, speciaal ingesteld om het eiland Walcheren na de inundatie weer droog te krijgen. In de roman Het verjaagde water dat A. den Doolaard over de droogmaking van Walcheren schreef figureert Jansen onder de naam Van Hummel.

In 1956 werd hij hoofd van de Deltadienst, de dienst van Rijkswaterstaat die zich bezighield met de aanleg van de Deltawerken. Onder zijn leiding kwamen de eerste afsluitingen, de Zandkreekdam en de Veerse Gatdam, tot stand en legde hij de basis voor de aanleg van de Grevelingendam, de Volkerakdam en de Haringvlietdam. Om gezondheidsredenen legde hij zijn functie in 1962 neer waarna J.J. Volkers hem opvolgde.

In 1946 aanvaardde hij de functie van hoogleraar in de afdeling Weg en Waterbouwkunde van de Technische Hogeschool te Delft. Hij bleef in deze functie adviseur van Rijkswaterstaat. Na zijn benoeming tot hoofd van de Deltadienst werd dit omgezet in een buitengewoon hoogleraarschap.