Naar inhoud springen

Santa Maria del Popolo

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Santa Maria del Popolo
Voorgevel van de Santa Maria del Popolo
Voorgevel van de Santa Maria del Popolo
Locatie
Land Vlag van Italië Italië
Plaats Rome
Adres Piazza del Popolo, 12 - RomaBewerken op Wikidata
Coördinaten 41° 55 NB, 12° 29 OL
Gewijd aan Maria
Status en tijdlijn
Gebouwd in 15de eeuw
Monumentale status Italiaans nationaal erfgoed[1]Bewerken op Wikidata
Bouwkundige informatie
Architect(en) Baccio PontelliBewerken op Wikidata
Stijl­periode renaissanceBewerken op Wikidata
Kerkprovincie en -genootschap
Denominatie katholicismeBewerken op Wikidata
Patroonheilige MariaBewerken op Wikidata
Titulair kardinaal Stanisław Dziwisz
Bisdom             bisdom RomeBewerken op Wikidata
Katholieke rite Romeinse ritusBewerken op Wikidata
Links
Website
Portaal  Portaalicoon   Christendom

De Santa Maria del Popolo is een basiliek in Rome, gelegen aan de noordzijde van de Piazza del Popolo. De kerk heeft een centraal middenschip met twee zijbeuken die worden omringd door 12 zijkapellen. Ze werd in renaissancestijl gebouwd op het einde van de 15de eeuw, en kreeg rijke barokdecoratie in de tweede helft van de 17de eeuw. Ze herbergt werken van de belangrijkste Italiaanse kunstenaars zoals Caravaggio, Rafaël en Bramante. Voor pelgrims die vanuit het noorden Rome binnenkwamen langs de Porta Flaminia (nu meestal Porta del Popolo genoemd), was dit de eerste kerk die ze aantroffen in de stad.

Het Italiaanse woord popolo betekent in het algemeen "volk", maar kan ook de specifieke betekenis hebben "gemeenschap van gelovigen" of "parochie". De naam zou dan betekenen "Santa Maria van de parochiegemeenschap". Deze verklaring van de naam wordt bevestigd door de gerespecteerde Enciclopedia Italiana. [2]

Daarnaast werden ook andere verklaringen bedacht voor de oorsprong van de naam:

  • Het volk (Italiaans popolo, Latijn pǒpolus) van Rome zou de bouw van de kerk gefinancierd hebben, waardoor de kerk de naam kreeg del popolo, "van het volk".
  • Een andere verklaring leidt popolo af van het Latijnse pōpulus (populier, Italiaans pioppo), waaruit dan verder wordt afgeleid dat er vroeger op het plein bij de basiliek populieren zouden hebben gestaan. Deze verklaring is nog minder aannemelijk aangezien er geen enkele aanwijzing is voor dergelijke bomen in die omgeving.

Op de plaats van de huidige kerk stond aanvankelijk een kleine kapel, waarvan de stichting verbonden is met een legende. In de middeleeuwen werd beweerd dat de geest van keizer Nero in deze omgeving ronddwaalde rond een notelaar, en in de raven hier spookachtig rondzwierven zag men de aanwezigheid van duivels. Om het volk te verlossen van die angst voor die boze geesten, heeft paus Paschalis II in 1099 die notelaar laten omhakken en verbranden, en de as in de Tiber laten werpen. Op de plaats van die notelaar heeft hij dan een eerste kapel laten bouwen die hij wijdde aan Maria. Een andere verklaring stelt dat Paschalis II in 1099 de eerste kapel op deze plaats heeft laten bouwen als dank voor de herovering van het Heilig Graf te Jeruzalem in datzelfde jaar 1099 bij de eerste kruistocht.

Paus Gregorius IX liet deze kapel in 1227 vergroten tot kerk, volgens sommigen in het kader van een pestepidemie die de stad teisterde.

Die kerk werd in de periode 1472-1478 door paus Sixtus IV (geboren als Francesco della Rovere) in aanloop naar het Heilig Jaar 1475 afgebroken en vervangen door het huidige kerkgebouw in renaissancestijl. Als architect worden de namen van Baccio Pontelli, Meo del Caprina en Andrea Bregno genoemd, maar daarover bestaat geen uitsluitsel. De familie Della Rovere zou steeds nauw verbonden blijven met deze kerk, zoals blijkt uit verschillende grafkapellen van die familie en uit de werken die de latere pausen Julius II (Giuliano della Rovere) en Alexander VII (Fabio Chigi-della Rovere) er hebben laten uitvoeren.

Vanaf 1256 werd het heiligdom bediend door augustijner monniken die waren overgekomen vanuit de streek van Siena. In 1472 werd die taak overgedragen aan de congregatie van de augustijnen uit Lombardije, die het klooster bouwden dat tegen de kerk aanleunt. Tot op heden zijn het de augustijnen die deze kerk bedienen.

In 1587 werd de kerk door paus Sixtus V verheven tot basiliek.

De bouw en decoratie van de basiliek zijn grotendeels in twee verschillende periodes te situeren, waardoor twee verschillende kunstrichtingen elkaar treffen: de eerder sobere, rationele renaissancestijl uit het einde van de 15de eeuw en de weelderige barokdecoratie uit het midden van de 17de eeuw. Deze kerk was erg geliefd bij vele hoge geestelijken die er dan ook hun laatste rustplaats wensten. Hun artistieke graven, grafmonumenten en grafkapellen maken van deze kerk een waar museum.

Santa Maria del Popolo, exterieur

De gevel is bekleed met travertijn en is erg sober, wat typisch is voor de vroege renaissance: hij bestaat uit grote vlakken die worden gescheiden door platte lisenen, haast zonder diepte-effect. De enige originele gevelversieringen zijn te zien boven het centrale portaal: de marmeren deurlijsten rondom het hoofdportaal met daarboven het reliëf van Maria met Kind, en het rozetvenster. Boven de zijdeuren zijn de naam van de opdrachtgever en het jaartal 1477 te lezen. De bogen die de eerste orde van de gevel verbinden met de tweede orde, en de slingers naar het driehoekige fronton zijn pas in de barokperiode toegevoegd door Gian Lorenzo Bernini in opdracht van paus Alexander VII. De 6 heuvels op de top van het fronton waarop het kruis rust, alluderen op het wapenschild van deze paus.

Evenals het rozetvenster in de gevel is de “geschubde” kegelvormige klokkentoren eerder typisch voor Noord-Italië. Hieruit spreekt de invloed van de uit Lombardije afkomstige kloostergemeenschap aan wie de bediening van de kerk vanaf 1472 werd toevertrouwd.

De kerk heeft één centrale koepel boven de viering van schip en dwarsbeuk, en twee kleinere koepels die geplaatst zijn boven de Cybo-kapel en de Chigi-kapel (2 en 22 op het plan).

Aan de zijde van de Pincio-heuvel rest tegen de zijkant van de basiliek nog een klein gedeelte van het augustijnerklooster. Een groter kloosterhof werd in 1811 afgebroken om plaats te maken voor de verruiming van de Piazza del Popolo. Het gebouw dat tegen de basiliek aanleunt werd circa 1820 toegevoegd door de architect Giuseppe Valadier.

Schip en dwarsbeuken

[bewerken | brontekst bewerken]
grondplan

Het middenschip is overwelfd door kruisgewelven. Het is van de zijschepen afgescheiden door zware pilasters waartegen halfzuilen aanleunen. De pilasters zijn verbonden met rondbogen, waarboven in de barokperiode telkens twee liggende beelden van heiligen in stucwerk zijn toegevoegd. Deze toevoeging gebeurde onder het pontificaat van Alexander VII, wiens wapenschild te zien is op de boog die de voorste twee pilasters verbindt over het middenschip heen.

Boven de kruising van middenschip en dwarsbeuk verrijst de koepel. Het fresco op de binnenzijde ervan stelt de Glorie van de Maagd Maria voor (1657). In de pendentieven zijn vier vrouwelijke personages uit het Oude Testament afgebeeld: Ruth, Deborah, Esther en Judith.

De wanden van beide zijschepen dragen vele artistieke grafmonumenten en geven elk aansluiting op vier grafkapellen met grote artistieke waarde.

Het dwarsschip is aan beide zijden afgesloten met een ondiepe apsis (6 en 18 op het plan) met een altaar. De altaarschilderijen erboven zijn naar ontwerp van Bernini sculpturaal omkaderd met figuren die in theatrale houdingen het schilderij presenteren.

Aan weerszijden van het priestergedeelte sluiten twee grafkapellen aan op het dwarsschip (7 en 8; 16 en 17 op het plan). Daarboven bevindt zich zowel links als rechts van het priestergedeelte een orgel. Het rechtse orgel is naar ontwerp van Bernini gedecoreerd in de vorm van een eik die z'n takken rondom de orgelpijpen slingert: een allusie op de naam van de opdrachtgever paus Alexander VII, geboren als Fabio Chigi-della Rovere (het Italiaans woord rovere betekent wintereik). Onder het rechtse orgelbalkon houdt een zwevende engel het wapenschild van Alexander VII omhoog.

Priestergedeelte

[bewerken | brontekst bewerken]
hoogaltaar en triomfboog

De triomfboog dateert uit 1627 en is in barokstijl versierd met verguld stucwerk. De 5 grote panelen op de binnenzijde ervan, naar het altaar gericht, beelden de stichtingslegende uit van de bouw van de eerste kapel op deze locatie: paus Paschalis II hakt de notelaar om, om de boze geesten te verdrijven. Op de kleinere panelen die naar het schip zijn toegewend, staan engelen en allegorische voorstellingen. Bovenaan op de triomfboog prijkt het wapenschild kardinaal Antonio Maria Sauli die de triomfboog en het hoofdaltaar heeft laten uitvoeren.

Boven het altaar is de "Madonna del Popolo" tentoongesteld: een icoon waarvan vroeger werd verondersteld dat hij zou geschilderd zijn door Sint Lucas en die dan ook sterk werd vereerd. Later is achterhaald dat hij het werk is van Filippo Rusuti en dateert uit de 13de eeuw. Deze icoon is gevat in een rijkelijk gedecoreerd aedicula uit 1627 (9 op het plan).

Aan weerszijden van het hoofdaltaar is onder een heiligenbeeld een doorgang naar het achterliggende koorgedeelte dat in het eerste decennium van de 16de eeuw werd toegevoegd door Bramante in zuivere renaissancestijl. Het gewelf van het koor werd in 1508 door Pinturicchio beschilderd met een geraffineerd fresco (10 op het plan) waarin de kroning van Maria en verder de vier evangelisten, vier sibillen en vier kerkvaders zijn voorgesteld. Tegen de wanden van het koor staan de graven die paus Julius II heeft laten oprichten voor de kardinalen Ascanio Sforza[3] en Girolamo Basso della Rovere, werken uit het begin van de 16de eeuw van de hand van Andrea Sansovino.

Achteraan in de apsis bevinden zich twee van de oudste composities van glas-in-loodramen van Rome. Ze werden in 1509 vervaardigd door Franse glazeniers in opdracht van paus Julius II en beelden scènes uit het leven van Maria en uit de kindertijd van Jezus uit.

De basiliek is vooral beroemd om de artistieke waarde van de 12 zijkapellen die door rijke families werden ingericht als grafkapel en zijn gedecoreerd door grote Italiaanse kunstenaars.

Kapellen aan de rechterzijde

[bewerken | brontekst bewerken]
kapel Basso-Della Rovere
  • In de Della Rovere-kapel (1 op het plan) dateert uit het einde van de 15de eeuw. Tegen de zijmuren staan de grafmonumenten van de kardinalen Domenico en Cristoforo della Rovere, naamgenoten (maar geen familieleden[4]) van paus Sixtus IV. Deze monumenten werden ontworpen door Andrea Bregno. Boven het altaar van deze kapel schilderde Pinturicchio het fresco "De aanbidding van het Kind": de pasgeboren Jezus ligt tussen Jozef en Maria, en wordt aanbeden door de herders terwijl in de verte de koningen de heuvel afdalen. De inscriptie onder het altaarfresco wijdt kapel aan Moeder Maria en Sint Hiëronymus. Legenden uit het leven van deze heilige zijn te zien in de lunetten van het parapluvormige gewelf van deze kapel.
  • De Cybo-kapel (2 op het plan) is genoemd naar de familie Cybo de deze kapel in 1685 liet herinrichten[5] door Carlo Fontana. De kapel heeft de vorm van een Grieks kruis en is bezet met veelkleurig marmer, met onder andere 16 zuilen van jaspis. Het altaarschilderij is werk van Carlo Maratta.
  • De Basso-Della Rovere-kapel (3 op het plan) dateert uit het einde van de 15de eeuw. Ze is gewijd aan de heilige Augustinus van Hippo, naar wie de orde is genoemd die deze basiliek bedient. De kapel is gebouwd door kardinaal Girolamo Basso della Rovere die is begraven in het marmeren grafmonument tegen de rechterwand (1483). Het altaarfresco stelt Maria met Kind voor, omringd door de heiligen Augustinus, Franciscus en Antonius van Padua (werk van de school van Pinturicchio). Op de linkerwand van de kapel: fresco van de Tenhemelopneming van Maria. De lunetten in het parapluvormige gewelf bieden scènes uit het leven van Maria. Opvallend is het perspectiefeffect dat werd bereikt met de (geschilderde) zuilen en hun voetstukken tussen de ramen, in de grisailles die doorlopen onder de fresco's en de ramen, en in de afbeelding van (eveneens geschilderde) zitbanken. Op een ervan lijken zelfs nog een paar gebedenboeken te zijn achtergelaten. Deze grisailles zijn het werk van kunstenaars uit Bologna.
  • De Costa-kapel uit 1489 (4 op het plan): hoewel ook deze kapel eerst tot de familie Della Rovere behoorde, werd ze nadien toegekend aan de Portugese kardinaal Jorge da Costa die er ook begraven werd. Ook in deze kapel bevinden zich fresco's van de school van Pinturicchio.

Kapellen aan de linkerzijde

[bewerken | brontekst bewerken]
Cerasi-kapel
  • De Cerasi-kapel (16 op het plan) bevindt zich links van het hoofdaltaar. Ze is door Carlo Maderno ingericht in opdracht van kardinaal Tiberio Cerasi[6] en is gewijd aan de heiligen Petrus en Paulus, de twee patroonheiligen van de stad Rome. De drie schilderijen dateren alle uit 1600-1601, maar tonen een groot stijlverschil tussen de twee kunstenaars die hier werkzaam waren.
    • Centraal: Maria wordt ten hemel opgenomen tot grote verwondering van de apostelen. Werk van Annibale Carracci.
    • Linkerwand: de Kruisiging van Sint Pieter, werk van Caravaggio. Omdat Petrus zich niet waardig achtte om te sterven op dezelfde manier als Christus, liet hij zich volgens de legende met het hoofd naar beneden kruisigen. Duidelijker dan het lichaam van de heilige komt de zware krachtsinspanning tot uiting van de eenvoudige knechten die de zware klus moeten uitvoeren.
    • Rechterwand: de Bekering van Sint Paulus, eveneens werk van Caravaggio. Paulus is afgeworpen door zijn paard dat was geschrokken door de bliksem, en geeft zich over aan Gods stem die hij hoort roepen "Saul, waarom vervolgt gij Mij?".
    • Beide werken van Caravaggio vertonen een sterk clair-obscur effect. In beide is de compositie diagonaal opgesteld, meegaand met richting waarin de toeschouwer ze gadeslaat vanuit de ingang van de kapel. Het rauwe realisme waarmee vooral de kruisiging van de heilige Petrus werd voorgesteld, werd door Caravaggio's tijdgenoten als bijzonder aanstootgevend ervaren.
  • Theodoli-kapel (17 op het plan).
  • De Cybo-Soderini-kapel (20 op het plan), ook kapel van het Kruis genoemd naar het crucifix uit de 15de eeuw boven het altaar. De fresco's op de zijmuren stellen de ontdekking van het Ware Kruis voor en zijn in 1635-1640 gerealiseerd door de Antwerpse kunstenaar Pieter van Lint.
  • De Mellini-kapel (21 op het plan) is gewijd aan de heilige Nicolaas van Tolentijn en bevat graven van leden van de familie uit het einde van de 15de eeuw en uit 1629.
    Chigi-kapel
  • De Montemirabilekapel (23 op het plan) die nu wordt gebruikt als doopkapel.

Andere grafmonumenten

[bewerken | brontekst bewerken]
grafmonument van Maria Flaminia Odescalchi

Behalve de grafmonumenten in de zijkapellen bevat de basiliek nog talrijke andere opmerkenswaardige gedenktekens, waaronder de volgende:

  • Het grafmonument voor Maria Flaminia Odescalchi echtgenote Chigi staat tussen de kapellen genummerd 22 en 23 op het plan. Zij overleed in 1771 op twintigjarige leeftijd bij haar derde bevalling. Haar monument is getooid met de heraldische symbolen van haar adellijke familie Odescalchi (de leeuw, de adelaar en het wierookvat) en die van de familie van haar echtgenoot Chigi (de eik, de ster en de zes heuvels). Het aantal van 20 sterren op de rand rondom haar portret stemt overeen met haar leeftijd. Op de onderste rand van het gebeeldhouwde doek dat haar portret draagt, wisselen de symbolen van beide families elkaar af: de ster en het wierookvat.
  • Rechts van de centrale deur van de basiliek is het merkwaardige grafmonument dat de veelzijdige kunstenaar Giovanni Battista Gisleni voor zichzelf ontwierp omstreeks 1672. Onder zijn portret leest de Latijnse tekst "Hier [was hij] niet levend" en onder het gekerkerde skelet "en hier [is hij] niet dood". Daartussen staan in bronzen medaillons een rups die zich ontpopt tot vlinder: symbool voor de ziel die na de dood overgaat tot het echte leven.

Op 13 april 1587verhief paus Sixtus V de kerk tot basiliek. Kardinaal Scipione Gonzaga was de eerste titularis (1587-1593). Titularis sinds 2008 en tot op heden is Stanisław Dziwisz, aartsbisschop van Krakau en voormalig secretaris van paus Johannes Paulus II

Wetenswaardigheden

[bewerken | brontekst bewerken]

Geraadpleegde bronnen

[bewerken | brontekst bewerken]
Zie de categorie Santa Maria del Popolo (Rome) van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.
  1. dati.beniculturali.it.
  2. Zie https://www.treccani.it/vocabolario/popolo1/ sub 1.c, waar ook deze verklaring voor de naam van de basiliek wordt bevestigd.
  3. Ascanio Sforza was de broer van Ludovico Sforza bijgenaamd "il Moro", hertog van Bari en regent van Milaan. Hoewel de pauselijke staat door de jaren heen diverse conflicten met de familie Sforza had gekend, hoopte Julius II met dit eerbetoon de heersers van Milaan gunstig te stemmen.
  4. Zie https://www.treccani.it/enciclopedia/cristoforo-della-rovere_(Dizionario-Biografico)/. Cristoforo overleed in 1478, Domenico in 1501.
  5. Oorspronkelijk was ook deze kapel beschilderd door Pinturicchio.
  6. Tiberio Cerasi was de schatbewaarder van paus Clemens VIII.
  7. Raffaello werkte ook aan de decoratie van de villa van Agostino Chigi die later de Villa Farnesina werd genoemd.
  8. Agostino Chigi was de bankier van verschillende pausen, onder andere van Julius II (Giuliano della Rovere). Deze laatste verleende aan zijn bankier en diens broer en hun afstammelingen de eer om de familienaam Della Rovere toe te voegen aan de eigen naam Chigi, en om in het familiewapen de eik (Italiaans: rovere) toe te voegen aan de zes heuvels die de Chigi's reeds in hun wapen voerden. Vandaar de dubbele naam Chigi-Della Rovere en de vier kwartieren in hun wapenschild.