Schildersdorp

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Een schildersdorp is een dorp waar bekende kunstenaars enige tijd gewoond en gewerkt hebben. Het dorp en zijn omgeving vormen belangrijke thema’s in het geproduceerde werk. Vaak is er ook sprake van stijlovereenkomsten tussen de in het schildersdorp gevestigde kunstenaars.

Ontstaan[bewerken]

In de tweede helft van de 19e eeuw ontstonden er op verschillende plaatsen in Europa concentraties van beeldende kunstenaars. Vaak werden geïsoleerd gelegen plaatsen gekozen om in afwijking van de heersende artistieke normen te experimenteren met nieuwe uitdrukkingsvormen. In de snel industrialiserende samenleving van de 19e eeuw vormden kleine plattelandskernen in een aantrekkelijke omgeving ideale plaatsen om afstand te nemen van de drukte van alledag. De kunstenaars zochten in de ongerepte natuur of de lokale bevolking inspiratie voor hun werk.

Het klassieke voorbeeld van een schildersdorp is het Franse Barbizon, gelegen aan de rand van de bossen van Fontainebleau. Vincent van Gogh schreef over Barbizon: ‘Die daar oorspronkelijk begonnen, toen ze er kwamen, lang niet allen waren uiterlijk wat ze au fond wel waren. Het land vormde hen, zij wisten alleen: in de stad deugt het niet, ik moet naar buiten; zij dachten, stel ik me voor, ik moet werken leeren, iets heel anders, ja tegenovergestelds worden van wat ik nu ben. Zij zeiden: nu deug ik niet, ik ga mij vernieuwen in de natuur’ (Sillevis, 1985/86, 7.).

Soms is de verbondenheid van de kunstenaars en de stijlverwantschap zo groot, dat men spreekt van een kunstenaarskolonie. Strikt genomen veronderstelt een kunstenaarskolonie een zekere mate van geslotenheid ten opzichte van de omgeving. Daarom is er eigenlijk in Nederland geen sprake geweest van kunstenaarskolonies, wel van schildersdorpen.

Nederlandse schildersdorpen[bewerken]

Bergen[bewerken]

Bergen in Noord-Holland was een van de broedplaatsen van het Nederlandse expressionisme. De in deze stijl werkende schilders uit de periode 1910-1930 worden gerekend tot de Bergense School.

Al in de 18e eeuw was de bosrijke omgeving van ‘Rampenbosch’ en ‘Het Hof’ een dankbaar onderwerp voor topografische tekenaars. In het begin van de 20e eeuw werd Bergen aantrekkelijk als toeristische bestemming en bovendien kwam het dorp in trek als woonplaats. In 1907 vestigden schilders als Etha Fles en Dirk Smorenberg zich in Bergen en na 1910 kwam de stroom van schilders en letterkundigen goed op gang. Herman Gorter en Henriëtte Roland Holst gingen er wonen, later ook Adriaan Roland Holst, die in 1970 tot ereburger van Bergen werd benoemd. Arnout Colnot en Dirk Filarski kwamen in 1910 gevolgd door Leo Gestel in 1912 en Matthieu Wiegman en Piet Wiegman in 1913. Nog iets later kwam Charley Toorop. Belangrijk was de komst van de verzamelaar Piet Boendermaker in 1917. Hij kocht in 1917 Huize De Klomp en breidde de villa uit met een zaaltje waar zijn groeiende verzameling van schilders van de Bergense School ondergebracht werd. In 1928 werd in de tuin van deze villa de Kunstzaal gebouwd. Momenteel is veel werk van de Bergse School te zien in het Museum Kranenburgh, dat op 29 april 1993 werd geopend, op initiatief van drie Bergense kunstenaars: Karel Colnot, David Kouwenaar en Kees den Tex.

Tussen 1916 en 1919 was in Bergen De Nieuwe Kring actief, een groep van kunstenaars en filosofen, die zich zorgen maakten over de maatschappelijke ontwikkeling. Erg bepalend voor de ideeën van De Nieuwe Kring waren de opvattingen van de literator Charles Wijnschenk Dom en de wiskundige (en latere benedictijn) Pieter Talma. Hun ideeën blijken uiteindelijk door de andere leden van dit gezelschap niet uitgevoerd te kunnen worden, waardoor De Nieuwe Kring uiteenviel. Schilders die tot deze kring behoorden waren Henri ten Holt, Jaap Weijand, Thé Lau en Matthieu Wiegman. Ook de beeldhouwer John Rädecker en de componist Jacob van Domselaer waren lid.

Beeldbepalend voor de woonarchitectuur in het dorp was het Park Meerwijk. Hier staan 17 villa’s gebouwd in de stijl van de Amsterdamse School. Het villapark was een initiatief van de tegelhandelaar Arnold Heystee. Het park werd in 1918 geopend.

Domburg[bewerken]

Het Marie Tak van Poortvliet museum in Domburg

Domburg op Walcheren genoot al in de 19e eeuw grote bekendheid als badplaats en kuuroord. Voor een deel was die faam te danken aan Johan Georg Mezger, die hier vanaf 1887 als dokter werkzaam was en Domburg als kuuroord op de Europese kaart zette. Domburg werd een geliefde badplaats voor de Europese elite. Sommigen van hen lieten er riante villa’s bouwen.

Als schildersdorp kende Domburg zijn bloeiperiode tussen 1900 en 1920. Jan Toorop, die in die tijd werd gezien als een vernieuwer en op het toppunt van zijn roem was, woonde na 1903 vele zomers in Domburg. Hij werd al spoedig het middelpunt van een grote kring schilders en schrijvers. Tot de kring rondom Toorop behoorden: Lodewijk Schelfhout, Conrad Kickert, Henri Le Fauconnier, Jacoba van Heemskerck, Otto van Rees, Ferdinand Hart Nibbrig. Piet Mondriaan kwam in 1908 naar Domburg. Hij was zeer geïnteresseerd in de ideeënwereld van de theosofie onder andere te zien in zijn drieluik ‘Evolutie’ uit 1911. Vergelijkbare denkbeelden waren te vinden bij Jacoba van Heemskerck en haar vriendin Marie Tak van Poortvliet. Deze waren aanhangers van de antroposofische leer van Rudolf Steiner, waarin kleur een grote rol speelde.

Mies Elout Drabbe was een leerlinge van Toorop. Haar atelier werd een trefpunt voor de Domburg bezoekende schilders en schrijvers (onder de laatsten Arthur van Schendel en Rik Roland Holst).

Domburg was tijdens de Eerste Wereldoorlog een toevluchtsoord voor uit België gevluchte kunstenaars. Onder hen Maurice en Anna Góth, die met hun dochter Sárika in augustus 1914 uit België waren gevlucht. Zowel Maurice Góth als Ada Góth-Löwith en Sárika Góth namen deel aan de bekende Domburgse tentoonstellingen in de periode 1911-1921. Het tentoonstellingsgebouwtje stond tegenover het Badpaviljoen en het deed dienst als expositieruimte voor de ‘Walchersche schilders’. Na zware stormen in de winter van 1921-22 werd het gesloopt. Een replica van het oude tentoonstellingszaaltje werd achter de Ooststraat gebouwd. Het dient sinds 1994 als onderkomen voor het Marie Tak van Poortvliet Museum.

Egmond[bewerken]

De Egmondse School is de verzamelnaam voor een groep kunstschilders, veelal van buitenlandse afkomst, die tussen 1884 en 1905 werkzaam waren in en rond Egmond in Noord-Holland. Centrale figuur binnen de kolonie was de Amerikaan George Hitchcock, die er een "Art Summer School" startte. Een ander belangrijke figuur was Gari Melchers. De Egmondse school onderscheidde zich van andere scholen en kolonies door een eigenzinnig fel kleurgebruik en een sterke aandacht voor belijningen. Het meest typerend waren echter de oer-Hollandse onderwerpkeuzes, waarbij gezocht werd naar de atmosfeer (de ‘ziel’) van het lokale gemeenschapsleven.

Hattem[bewerken]

Al halverwege de 19e eeuw was Hattem in trek bij schilders als Johannes Bosboom en Cornelis Springer. Maar het is vooral het werk van Jan Voerman sr. geweest waardoor Hattem (en het IJssellandschap) als schilderscentrum bekendheid kreeg. Studiegenoten van Jan Voerman onder wie Willy Martens en Piet Meiners werkten eveneens enige tijd in Hattem. Jo Koster werkte en woonde er van 1910 tot 1924. Van de buitenlandse schilders kunnen worden genoemd: Henry Bisbing, Mathilde Browne, Amy Cross en Walter McEwen.

De oorspronkelijke oudheidskamer van Hattem werd in 1973 omgevormd tot een stadsmuseum. Nu is het bekend onder de naam Voerman Museum Hattem. In Hattem is het Anton Pieckmuseum gevestigd maar Anton Pieck heeft er nooit gewoond of gewerkt.

Heeze[bewerken]

Heeze genoot in de 19e eeuw bekendheid als herstellingsoord voor ooglijders dankzij het werk van dominee Kremer. Voor de maandenlange behandeling van de talrijke ooglijders was veel logiescapaciteit nodig en het dorp kende daarom relatief veel hotels en pensions. Dit gevoegd bij de goede verbinding met Eindhoven zorgde ervoor dat schilders op zoek naar motieven uit het Brabantse boerenleven Heeze als woon- en werkplaats kozen. Het armoedige boerenbestaan werd om zijn eenvoud en authenticiteit geïdealiseerd door schilders als Paul Joseph Constantin Gabriël, Jacob Ritsema en August Allebé.

De bloeitijd van Heeze als schildersdorp viel in de periode 1910-1920. Roland Lary, Suze Robertson, Lammert van der Tonge, Nicolaas Bastert, Willy Sluiter en Jan Sluyters hebben korte of lange tijd in Heeze gewerkt.

Katwijk[bewerken]

Katwijk heeft een lange traditie als schildersdorp. Allerlei facetten van het vissersleven vormden dankbare onderwerpen voor schilders van de Haagse School. Het vissersgenre werd populair met het werk van Jozef Israëls. Vanaf 1881 was Katwijk vanuit Leiden met de stoomtram bereikbaar, waardoor het ook als badplaats aantrekkelijk werd. Honderden kunstenaars hebben in Katwijk en directe omgeving gewoond en gewerkt, waaronder ook buitenlanders. Bekende schilders zijn: Andreas Achenbach, George Henry Boughton, Max Liebermann, Henri le Sidaner en Georges Lemmen. Laatstgenoemde was bevriend met Jan Toorop die in Katwijk een huis bezat. Behalve Toorop werkten ook Willy Sluiter, Henry Luyten en Johan de Vries in de eerste decennia van de 20e eeuw in Katwijk.

Kortenhoef[bewerken]

Net als voor Noorden was het weidse polderland rondom Kortenhoef de voornaamste reden dat schilders van de Haagse School zich hier vestigden. Het was aan het einde van de 19e eeuw via het nabijgelegen station van Vreeland goed bereikbaar. Kortenhoef was de favoriete plek van Paul Joseph Constantin Gabriël, Jacob Ritsema en Victor Bauffe. Het logement Het Rechthuis aan de Kortenhoefsedijk was hét trefpunt voor de kunstenaars. De schrijver Nescio (pseudoniem voor J.H.F. Grönloh) zou later deze herberg treffend beschrijven. Geesje Mesdag-van Calcar liet er een houten atelierwoning bouwen op palen boven de plas. Ook schilders van de generaties ná de Haagse School werkten in Kortenhoef. Onder hen Piet van Wijngaerdt en Harry Kuyten.

Laren[bewerken]

Als schildersdorp kende Laren (inclusief het aangrenzende Blaricum) een echte kunstenaarskolonie. Tussen 1880 en 1920 was Laren een geliefde woonplaats voor kunstenaars, filosofen en maatschappijhervormers. Men discussieerde er over alternatieven voor de kapitalistische samenleving, waardoor Laren een broedplaats voor allerlei maatschappijvernieuwende bewegingen kon worden. Opvallend was het samengaan van politiek engagement met kunst en cultuur. Bekend was de in 1899 tot stand gekomen Idealistische Kolonie van de Internationale Broederschap in Blaricum met als centrale figuur de Amsterdamse hoogleraar Jacob van Rees. Overigens is er niet steeds sprake geweest van sterke onderlinge contacten tussen schilders en maatschappijhervormers.

In Laren zijn meerdere generatie schilders actief geweest:

In Laren woonden ook befaamde kunstverzamelaars zoals Pierre Alexandre Regnault en het echtpaar William en Anna Singer. Laatstgenoemden vestigden zich in 1901 in Laren en bouwden er hun villa De Wilde Zwanen, dat nu onderdeel is van Singer (Laren).

Noorden[bewerken]

Voor de Haagse schilders rond 1880 vormde het dorp Noorden (Nieuwkoop) een ideale plaats om te schilderen omdat de omgeving van Den Haag steeds meer verstedelijkte. In 1875 telde Den Haag 100.000 inwoners, maar in 1900 was dat aantal al verdubbeld met alle gevolgen voor het landschap in de directe omgeving van de stad. Door gebrekkige verbindingen was het gebied rondom Noorden erg geïsoleerd. Het waterrijke polderland met weidse verten werd een belangrijk thema voor de schilders als Johan Hendrik Weissenbruch, Willem Roelofs, Alex Rosemeier, Cornelis Vreedenburgh, Jan Willem van Borselen, Willem van der Nat, Chris van der Windt en Abraham Segaar.

Nunspeet[bewerken]

Nunspeet was in de tweede helft van de 19e eeuw een uitstekende locatie voor het schilderen van het boerenleven op de zandgronden. Nadat in 1863 de spoorlijn naar Harderwijk in gebruik was genomen, werd de omgeving van Nunspeet goed bereikbaar voor de Amsterdamse elite. Veel schilders die in Nunspeet werkten, hadden hun opleiding genoten aan de Amsterdamse Rijksacademie. In Nunspeet en omgeving woonden en werkten onder andere Albert Neuhuys, Bernard Koldeweij, François Pieter ter Meulen, Edzard Koning, Ben Viegers, Willy Martens, Jan van Vuuren, Arthur Briët, Vilmos Huszár en Irma Eysinga. Deze eerste lichting kunstschilders werd opgevolgd door Jos Lussenburg, Cor Vrendenberg, Jaap Hiddink, Hendrik Verburg, Frans Huysmans en Chris ten Bruggen Kate.

In Nunspeet wordt in 2014 het Noord-Veluws Museum geopend met een collectie kunstwerken van kunstschilders die in Nunspeet en omgeving gewoond en gewerkt hebben.

Oosterbeek en Wolfheze[bewerken]

Oosterbeek en Wolfheze ontwikkelden zich halverwege de 19e eeuw als schildersdorpen. Men noemde de Veluwezoom wel het Hollandse Barbizon. Veel schilders vonden de zuidrand van de Veluwe een boeiende streek om te werken. Het landschap contrasteerde sterk met het polderlandschap en vermogende inwoners van Amsterdam en Den Haag lieten er aantrekkelijke buitens bouwen. Veel schilders van de Haagse School hebben korte of lange tijd in Oosterbeek gewoond en gewerkt. Voor veel schilders was ‘De Parre’, het huis van Johannes Warnardus Bilders het ontmoetingspunt. Van de schilders die in Oosterbeek verbleven, kunnen worden genoemd: Anton Mauve, Willem Maris, Jan Toorop, Jacob Maris, Matthijs Maris, Hendrik Willem Mesdag en Paul Joseph Constantin Gabriël en Hendrik Dirk Kruseman van Elten.

Plasmolen[bewerken]

Plasmolen kent van oudsher in een straal van enkele kilometers een aantal aantrekkelijke landschapstypen. De plaats ligt waar het stuwwallencomplex van het Rijk van Nijmegen over gaat in het rivierlandschap van de Maas. Beboste heuvels, heidevelden en rivierduintjes liggen op loopafstand van elkaar. Evenals elders in Nederland (Oosterbeek, Ubbergen) trok een dergelijke ruimtelijke configuratie de aandacht van kunstenaars op zoek naar motieven voor hun schilderijen.

De Amsterdamse notariszoon Jacques van Mourik (1879-1971) wordt beschouwd als de grondlegger van de kunstenaarskolonie Plasmolen. Hij vestigde zich omstreeks 1900 in Plasmolen en wist in de jaren daarna zijn studiegenoot Dirk Ocker over te halen ook naar Plasmolen te komen. De schilder Gerard Cox sr. woonde sinds 1912 in het nabijgelegen Mook.

De Plasmolense schilders vormden artistiek gezien geen homogene groep. Wat hen bond was een uitgesproken belangstelling voor de natuur en het agrarische landschap. In veel van hun werken is de invloed van de Haagse School aanwezig.

Tot de belangrijkste vertegenwoordigers behoren naast Van Mourik, Ocker en Cox sr. Julius Brouwers, Theo Deckers, Jopie van Kampen en Leo Niehorster.

In 2009 werd Plasmolen, op basis van de collectie van Stichting Jacques van Mourik in Mook, geaccepteerd als nieuw lid van EuroArt, de Europese federatie van kunstenaarsdorpen. De Stichting Jacques van Mourik (actief vanaf 1992) beheert een omvangrijke collectie werken van de Plasmolense groep.

Staphorst[bewerken]

De gesloten gemeenschap van Staphorst met haar sterk gevoel voor traditie was voor een aantal schilders in de eerste helft van de 20e eeuw een aantrekkelijk thema. Een van de eerste kunstenaars die er ging wonen was Jo Koster. Ze kwam er in 1900 vanuit het Gooi. Ze was niet alleen geïnteresseerd in de kleurenpracht van de traditionele kleding, maar ook sterk betrokken bij het wel en wee van de bevolking.

Jan Sluijters werkte in 1915 en 1916 enige tijd in Staphorst. Hij maakte er zijn Staphorster landschappen en portretten in een heel eigen melancholieke sfeer.

Stien Eelsingh (en haar man Roelof Frankot) woonde en werkte na 1945 jarenlang in de Witte Boerderij, een trefpunt voor schrijvers, fotografen, schilders en acteurs. Andere schilders die er werkten zijn Eduard Frankfort en Lammert Leie van der Tonge.

Veere[bewerken]

Ook het Zeeuwse havenstadje Veere genoot belangstelling van kunstschilders. In de eerste decennia van de 20e eeuw, met name tijdens het interbellum, woonde en werkte er een actieve groep beeldende kunstenaars. Na een tijd in Domburg gewoond te hebben, vestigde de familie Góth (Maurice, Ada en Sárika) zich in het huis 'De Goutsbloeme' aan de Markt. Ook de schilderes Lucie van Dam van Isselt, gehuwd met de kunstcriticus Albert Plasschaert was jaren in Veere werkzaam. Ze bood in het begin van de jaren 20 enige tijd onderdak aan Dirk Jan Koets en zijn vrouw. Verder kunnen als in Veere werkzame schilders worden genoemd: Karel van Veen, Claire Bonebakker, Jan Heyse, de Belg Walter Vaes en drie generaties Vaarzon Morel (Willem Vaarzon Morel, Wim Vaarzon Morel sr. en Wim Vaarzon Morel jr.) en de Vlaamse-Veerenaar Alfons van Dijck, die er 60 jaar zou werken. Daarnaast verbleven er, met name tijdens de zomerperiode, buitenlandse kunstenaars. Deze zogenaamde passanten kwamen naar Veere om er de vissershaven, de historische gebouwen en de bewoners te schilderen. Veere had daardoor als kunstenaarsplek, in tegenstelling tot het nabij gelegen Domburg, een internationaal karakter.

Belangrijk voor de ontwikkeling van Veere als schilderscentrum waren de activiteiten van de Engelse diamantair en kunstverzamelaar Albert Lionel Ochs (1857-1921) en zijn dochter Alma Francis Oakes (1889-1987). Ochs kocht in 1896 het pand ‘Den Struijs’ en maakte het tot een ontmoetingspunt voor kunstenaars. Dit gebouw en het ernaast gelegen pand ‘Het Lammeken’ vormen samen De Schotse Huizen, waarin nu een museum is gevestigd. Hier wordt jaarlijks aandacht besteed aan Veere als kunstenaarskolonie.

Volendam[bewerken]

Hotel Spaander in Volendam is dé plaats waar Volendam zich als schildersdorp manifesteert. Vanaf het einde van de 19e eeuw stroomden jaarlijkse grote aantallen kunstenaars uit binnen- en buitenland naar het Zuiderzeeplaatsje. Het gastenboek van Hotel Spaander laat de grote verscheidenheid aan (vaak beroemde) namen zien. Onder hen Auguste Renoir, Paul Signac, Maurice Ravel en Edward Grieg. Veel kunstenaars betaalden hun verblijf in het hotel met schilderijen en mede daardoor bezit het hotel een imposante collectie van meer dan 1200 schilderijen. We vinden in deze collectie werken van Harrie Kuyten, Wilm Wouters, Piet van der Hem. Willy Sluiter en Nicolaas van der Waay

De grote belangstelling van zoveel schilders voor Volendam moet verklaard worden uit de al dan niet terechte overtuiging dat hier het typisch Hollandse te vinden zou zijn. Het betreft dan de combinatie van vissersdorp, water, klederdracht en polderlandschap.

Belgische schildersdorpen[bewerken]

Sint-Idesbald[bewerken]

Het Delvauxmuseum in Sint-Idesbald

Rond 1900 ontstond in de West-Vlaamse kustgemeente Koksijde een nieuwe badplaats: Sint-Idesbald. Oorspronkelijk heette dit plaatsje Zeepanne-Baden, maar door de architecten en promotoren kreeg het zijn huidige naam aangemeten. Door de komst van beeldhouwer George Grard werd de start gegeven van de ontwikkeling van dit badplaatsje tot kunstenaarsoord. Al snel zouden namen als Paul Delvaux bij hem komen logeren en er later zijn eigen atelier bouwen. Deze laatste heeft hier trouwens nog altijd zijn museum: Het Paul Delvaux Museum, in het pittoreske Vlierhof. Op de gevel van het atelier van Grard schilderde Delvaux als oefening voor het casino van Oostende enkele zeemeerminnen, inmiddels verbleekt tot schimmen maar nog steeds te zien vanop de weg. In het atelier kwamen onder meer Edgar Tytgat en Constant Permeke langs, maar ook Pierre Caille, Eddy van Vliet en zo voort. Het George Grard museum dat zich voorheen in Gijverinkhove bevond zal zich tegen 2012 naar Sint Idesbald verplaatst hebben. Andere bekende Sint Idesbaldse kunstenaars zijn bijvoorbeeld Begga D'Haese (zij woonde hier geruime tijd met haar man Dr Herman Le Compte). Ook Herman Teirlinck had hier zijn buitenverblijf, een modernistische woning ontworpen door Victor Bourgeois. Schrijver Willem Elsschot bouwde hier zijn villa "Kerkepanne" en bracht hier vanaf 1928 tot aan zijn dood in 1960 zijn zomers door. Andere bekende inwoners zijn Jef Lambeaux, Paul Haesaerts, Taf Wallet, Julien Dillens, Fred Wallecan, Jan van Looy, Jan Poot en Walter Villain. Enkele gegidste wandelingen, georganiseerd door de Koksijdse cultuurdienst, passeren langs deze woningen. Zie ook School van Sint-Idesbald

Sint-Martens-Latem[bewerken]

St. Martens-Latem in 2008

Rond 1850 waren twee Gentse kunstenaars actief in Parijs, waar ze in aanraking kwamen met de schilders van Barbizon. In de tweede helft van de 19e eeuw schilderden de broers Xavier De Cock en César De Cock in de bosrijke omgeving van Sint-Martens-Latem. Hun grote bekendheid vormde het begin van de artistieke ontwikkeling van dit Vlaamse dorp.

Vanaf ongeveer 1900 speelt het dorp langs de Leie een prominente rol in de (Vlaamse) kunstgeschiedenis. De nabijheid van Gent, waar veel van de Latemse schilders werden geboren en het heersende culturele klimaat bevorderen de ontwikkeling van Latem als schildersdorp. Aan het einde van de 19e eeuw was Gent een broedplaats van revolutionaire ideeën. De uitwassen van het industrieel kapitalisme en de bestaande sociale ongelijkheid prikkelden intellectuelen en kunstenaars tot verzet. Onder hen Karel van de Woestijne, George Minne en Valerius de Saedeleer.

Woonhuis van Albijn van den Abeele, Latemstraat 12 in St. Martens-Latem

Het culturele klimaat in die periode werd beheerst door het symbolisme. Er werd grote betekenis toegekend aan de esthetiek en men zette zich af tegen de gevestigde burgerij waarvoor geld belangrijker was dan schoonheid. De artistieke voorhoede wilde daarom de stad ontvluchten en ruilen voor de eenzaamheid, ongereptheid en puurheid van het platteland. Vanaf 1898-1899 vestigde zich aan de Leie-oevers de eerste Latemse kunstenaarskolonie. In 1898 was De Saedeleer naar Latem gekomen, een voorlopig eindpunt na een lange zwerftocht door Vlaanderen. Evenals de beeldhouwer Minne (vestigde zich in 1899) kreeg hij grote waardering voor de Vlaamse Primitieven (en daarmee voor het middeleeuwse ambacht). In de ontwikkeling van Latem als schildersdorp speelde de gemeentesecretaris Albijn van den Abeele een stimulerende rol. Hij was omstreeks 1875 zelf naar de natuur gaan schilderen en de grote betekenis die hij toekende aan de natuur was op zich een belangrijke inspiratiebron voor de eerste groep Latemse schilders. Het intellectuele middelpunt van deze groep was Karel van de Woestijne. Hij stichtte in 1902 de kunstkring ‘Open Wegen’. Men zette zich af tegen het pretentieloze impressionisme en het fauvisme. Gustave van de Woestijne verbleef van 1900 tot 1909 in Latem. Hij had een grote bewondering voor zijn broer Karel, de schrijver-dichter. Net als het oeuvre van Minne en De Saedeleer is zijn werk doordrenkt van spiritualiteit. In Latem grijpt Gustave van de Woestijne terug op de middeleeuwse en christelijke iconografie, niet ongewoon voor kunstenaars die beïnvloed werden door het symbolisme (zie het schilderij ’t Walleke te Wijnghene’ uit 1909). Tussen 1908 en 1914 is de boerenbevolking van de Leiestreek het hoofdthema in zijn werk.

Borstbeeld van Constant Permeke in de tuin van zijn huis te Jabbeke

Naast de religieus geïnspireerde groep rond Karel van de Woestijne, werkten ook leerlingen van de impressionist Emile Claus in de Leiestreek. Onder hen Anna de Weert en Jenny Montigny.

Vanaf 1905 begint de tweede fase in de ontwikkeling van Latem als schildersdorp met de komst van een nieuwe groep kunstenaars. Tot hen behoren Albert Servaes, Frits van den Berghe, Leon de Smet, Gustave de Smet, Constant Permeke en Maurice Sys. Ook de tweede groep had zijn wortels in Gent, met uitzondering van Permeke was Gent hun geboorteplaats. Men trok naar Latem om van het ongerepte landleven te genieten. Aanvankelijk werkten de meesten in de stijl van het luminisme naar het inspirerende voorbeeld van Emile Claus, die in het nabijgelegen Astene woonde.

Voor veel Vlaamse kunstenaars was de Eerste Wereldoorlog een periode van ballingschap. Gustave de Smet en Frits van den Berghe weken uit naar Nederland. Hun werk kwam onder directe invloed van het kubisme en expressionisme. Permeke had al voor 1914 de weg naar het expressionisme gevonden. In september 1922 keerden De Smet en Van den Berghe terug naar de omgeving van Latem. De derde fase van de Latemse school was begonnen. Permeke vestigde zich eveneens weer in de streek rond de Leie na zijn verblijf in het Engelse Devonshire. Hij ontwikkelde zich met zijn monumentale werk tot de dominante figuur van het Vlaamse expressionisme.

Franse schildersdorpen[bewerken]

Barbizon[bewerken]

Halverwege de 19e eeuw begon de bloeiperiode van Barbizon, toen een gehucht dat grensde aan de grote jachtterreinen van Fontainebleau. Tot de eerste schilders die er kwamen, behoren Claude Félix Théodore Caruelle d’Aligny en Jean Baptiste Camille Corot. Beide schilders, die elkaar hadden leren kennen tijdens studiereizen in Italië, kwamen rond 1828 naar Barbizon. In Italië hadden het landschap als thema leren waarderen en de omgeving van Barbizon bood hen voldoende mogelijkheden om te experimenteren met hun nieuwe inzichten.

Barbizon werd belangrijk voor de ontwikkelingen in de schilderkunst, omdat men daar het landschap anders ging benaderen. Men keerde zich tegen de opvatting van het landschap als drager van mythische symbolen of historische verhalen. Er voor in de plaats kwam een meer realistische weergave. Natuur en landschap werden op zich waardevol als object. Théodore Rousseau kwam voor het eerst in 1829 naar Barbizon. In 1847 vestigde hij zich in het dorp. Zijn huis werd een ontmoetingspunt voor schilders van de School van Barbizon. Omdat de aanduiding School van Barbizon eerst achteraf door kunstcritici aan de in Barbizon werkende schilders is gegeven, is er altijd onduidelijkheid geweest over wie nu tot de School van Barbizon gerekend moet worden en wie niet. Zelfs of er wel gesproken kan worden van een ‘school’ is onderwerp van discussie. In de tentoonstellingscatalogus ‘Barbizon au temps de J.-F. Millet’ van 1975 werden zestig schilders vermeld, waaronder ook buitenlanders (Sillevis, 1985/86, p. 49). In ieder geval worden de volgende schilders tot de kerngroep van Barbizon gerekend: Jean Baptiste Camille Corot, Théodore Rousseau, Jean François Millet, Jules Dupré, Charles-François Daubigny, Narcisse Diaz, Constant Troyon en Charles Jacque.

Céret[bewerken]

Grand Café in Céret, het trefpunt van kunstenaars in de eerste helft van de 20e eeuw
Musée d'art moderne de Céret

Céret, een kleine stad met een oude stadskern, is de hoofdplaats van Vallespir (het dal van de Tech). In het begin van de 20e eeuw, was het de plaats waar het kubisme belangrijke impulsen kreeg. In 1910 kwamen drie kunstenaars naar Céret. Het waren Manuel Martinez Hugué, bekend als Manolo, Deodat de Séverac en Frank Burty Haviland. Manolo, een Catalaanse beeldhouwer, bleef er 15 jaar wonen, de componist Séverac bleef tot zijn dood in 1921 in Céret en de schilder Haviland bleef er (met onderbrekingen) wonen tot zijn overlijden in 1971. Deze drie kunstenaars, met ieder een omvangrijk netwerk, maakten Céret tot een attractief kunstenaarscentrum. Pablo Picasso, Georges Braque, Juan Gris, Aristide Maillol, Auguste Herbin, Max Jacob en Francis Picabia verbleven korte of lange tijd in Céret. De criticus André Salmon kwalificeerde Céret als het ‘Mekka van het kubisme’. Dat is vooral te danken aan het werk van Picasso en Braque. Hun reeds bestaande samenwerking werd in Céret voortgezet en intenser. Beiden ontwikkelden er het synthetisch kubisme als reactie op het analytisch kubisme. Belangrijk in die ontwikkeling waren de door Picasso en Braque vervaardigde ‘papiers collés’ en collages. In het analytisch kubisme was de relatie met de werkelijkheid op de achtergrond geraakt ten gunste van het spel met geometrische vormen. De experimenten met ‘papiers collés’ brachten de materie direct op het platte vlak van het schildersdoek. Eerst werden typografische elementen gebruikt maar al gauw ook delen van kranten, juten zakken, etiketten, zand of glas. De intense samenwerking tussen Picasso en Braque is terug te zien in hun artistieke productie. Zo ontstonden in augustus 1911 de ‘Man met gitaar’ van Braque en de ‘Accordeonist’ van Picasso met sterke stijlovereenkomsten. Beide gebruikte het karakteristieke gotische lettertype van de lokale krant l’Indépendant zoals te zien in Picasso’s ‘Stilleven met Fan’ en de ‘Kandelaar’ van Braque.

Juan Gris, Auguste Herbin en Max Jacob bezochten Picasso in Céret in 1913. Picasso had de benedenverdieping van ‘Maison Delcros’ gehuurd. Dit grote huis, midden in een park, werd een plaats waar de kubisten hun ideeën ontwikkelden. Herbin realiseerde tijdens dit verblijf een serie kubistische landschappen met de omgeving van Céret als onderwerp.

Pierre Brune heeft een grote rol gespeeld in de culturele ontwikkeling van Céret. Hij liet een atelierwoning bouwen waar hij regelmatig zijn collega’s uit Parijs en Centraal-Europa kon ontvangen en laten werken. Onder hen waren Pinchas Krémègne en Chaïm Soutine. Soutine schilderde tussen 1919 en 1922 zijn befaamde Céret-landschappen, die hij bij zijn terugkeer in Parijs overigens voor een deel weer vernietigde. Krémègne verdeelde zijn leven als het ware tussen Céret en Parijs. Hij bouwde in 1960 in Céret een atelierwoning. Andere schilders die langere tijd in Céret verbleven zijn: André Lhote, René Carvillani, Joan Maragall en Jean Dubuffet. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was Céret een toevluchtsoord voor onder andere Jean Cocteau, Marc Saint-Saëns, Raoul Dufy en Albert Marquet.

Pierre Brune stichtte in samenwerking met Haviland en de gemeente Céret in 1948 het ‘Musée d’art moderne’. Het museum kreeg bij de start schenkingen van Picasso (53 werken) en Braque (14 werken). In 1993 werd het museum uitgebreid en gemoderniseerd.

Salvador Dali bezocht Céret in 1965 op zijn eigen theatrale wijze om zijn huwelijk met Gala aan te kondigen.

Collioure[bewerken]

Het begin van Collioure als kunstenaarscentrum ligt in mei 1905 met de komst van Henri Matisse. Waarschijnlijk koos Matisse voor dit vissersdorpje aan de voet van de Pyreneeën omdat zijn vrouw, afkomstig uit Toulouse, het gebied goed kende. Ongetwijfeld is ook de aanbeveling van Paul Signac, die er 18 jaar eerder al was geweest een verklaring voor Matisses keuze. De aanwezigheid van Matisse was voor andere schilders aantrekkelijk om naar Collioure te komen. Matisse werkte er intensief samen met André Derain. Collioure werd het startpunt van het fauvisme. Behalve Matisse en Derain werkten er Georges Braque, Othon Friesz, Pablo Picasso, Charles Rennie Mackintosh en Tsuguharu Fujita.

Saint-Tropez[bewerken]

De haven van Saint-Tropez geschilderd door Paul Signac in 1899, olieverf op doek, afmetingen .65x.81

In 1892 arriveerde Paul Signac met zijn zeiljacht l’Olympia in Saint-Tropez. Signac had al naam gemaakt als impressionistisch schilder. Bij de stichting van de Salon des Artistes Indépendants in 1884 had hij Georges Seurat ontmoet en kennisgemaakt met diens kleurtheorie. Signac werd een overtuigd aanhanger van het divisionisme en met deze ideeën arriveerde hij in Saint-Tropez. Hij huurde eerst enige jaren een huis bij de Plage des Graniers om in 1897 het huis ‘La Hune’ te kopen, dat al gauw het middelpunt werd voor avant-gardistische kunstenaars die voor het mediterrane licht naar het zuiden van Frankrijk trokken.

Vanaf 1892 werkten in Saint-Tropez behalve Signac ook Maximilien Luce, Théo van Rysselberghe en Henri-Edmond Cross in de stijl van het neo-impressionisme. Door de invloedrijke positie van Signac en zijn vernieuwingsdrang was het voor veel schilders aantrekkelijk naar Saint-Tropez te komen. Rond 1895 veranderden de opvattingen van Signac over het pointillisme. De penseelstreek werd vrijer en de starheid van het pointillisme werd verlaten.

Henri Matisse kwam in 1904 en discussieerde met Signac over de betekenis van kleur. Signac had zijn opvattingen over kleur neergelegd in ‘D’Eugène Delacroix au neo-impressionisme’ (1899), een invloedrijk boek. Matisse schilderde er zijn befaamde ‘Luxe, Calme et Volupté’, een sleutelwerk in zijn artistieke ontwikkeling en het laatste dat direct de invloed van Signac verried. Kort daarna gaf Matisse in Collioure het startsein voor het fauvisme. Henri Manguin vond in 1905 in Saint-Tropez onderdak in Villa Demière. Hij was er in de periode 1905-1920 regelmatig te vinden en nodigde dan collega’s uit te logeren. Onder hen Henri Lebasque en Pierre Bonnard. Francis Picabia kwam naar Saint-Tropez in 1909.

Na de Eerste Wereldoorlog verhuisde Paul Signac naar Antibes. Hij kwam daarna nog slechts zo nu en dan naar Saint-Tropez. Charles Camoin kocht in 1921 Villa Val Flor dat hij in 1925 weer verkocht aan Dunoyer de Segonzac. Ook Henri Manguin kocht een andere villa namelijk l’Oustalet. Na de Eerste Wereldoorlog zijn de schilders in Saint-Tropez niet meer betrokken bij grote vernieuwingen in de kunst. Men keerde terug naar een meer figuratieve en conventionele manier van schilderen. Onder hen: Marko Celebonovic, Henri Doucet, Abel Gerbaud, Joseph Pankiewicz, Carlos Reymond en Alexandre Urbain.

Vooral door de inspanningen van de industrieel Georges Grammont kon de voormalige kapel Notre Dame de l’Annonciade worden verbouwd tot een museum (het Musée de l’Annonciade). Schenkingen van kunstenaars die in Saint-Tropeze werkten, vormen de basis van de collectie.

Zie ook[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  • Saskia de Bodt, Schildersdorpen in Nederland, met foto’s van L.J.A.D. Creyghton, Terra/Singer Laren, Warnsveld, 2004
  • Marcel Giry, Fauvism. Origin and development, Alpine, New York, 1982
  • John Sillevis en Hans Kraan (red), De School van Barbizon. Franse Meesters van de 19e eeuw, Museum voor Schone Kunsten, Gent/Haags Gemeentemuseum, Den Haag/Institut Néerlandais, Parijs, 1985/86
  • Francisca van Vloten, In het licht van Toorop en Mondriaan, Een cultuurhistorische wandeling door Domburg, Marie Tak van Poortvlietmuseum, Domburg, 2e druk, 2000
  • Piet Boyens, Une rare plénitude. Les artistes de Laethem-Saint-Martin 1900-1930, Ludion Gand/Amsterdam, 2001
  • Piet Boyens, Meesterwerken van moderne Belgische kunst. De collectie Simon, Marot-Tijdsbeeld, Brussel/Gent, 2003
  • William Rubin, Picasso and Braque. Pioneering Cubism, The Museum of Modern Art, New York, 1989
  • Ernst-Gerhard Güse (red), Chaïm Soutine, 1893-1943, Verlag Gerd Hatje, Stuttgart, 1981
  • http://www.musee-ceret.com/
  • http://euroartcities.eu
  • Marina Ferretti-Bocquillon, Signac Watercolors, Société nouvelle Adam Biro, Paris, 2001
  • Jean-Paul Nobery, The Musée de l’Annonciade Saint Tropez, Fondation Paribas, Paris, 1993
  • Charlotte van Regenmortel en Benno Tempel, La Miracle de couleur. Impressionisme en post-impressionisme, Kunsthal Rotterdam/Waanders Uitgevers Zwolle, 2003