Vrouwenrechten

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Demonstratie voor vrouwenkiesrecht (Amsterdam, 1914)

Vrouwenrechten zijn de rechten en vrijheden die wereldwijd worden opgeëist voor vrouwen en meisjes. Zij vormden de basis van de vrouwenbeweging in de 19e eeuw en de feministische beweging in de 20e eeuw. In sommige landen zijn deze rechten erkend en geïnstitutionaliseerd door wetgeving, lokaal gebruik en gedrag, terwijl ze in andere landen worden genegeerd en onderdrukt. Vrouwenrechten verschillen van bredere noties over mensenrechten doordat wordt beweerd dat er een inherente historische en traditionele imbalans is tegen het uitoefenen van rechten door vrouwen en meisjes ten gunste van mannen en jongens.[1]

Vrouwen kunnen op andere manieren slachtoffer worden van schendingen van mensenrechten[2]. Kwesties die over het algemeen gerekend worden tot het domein van vrouwenrechten zijn in eerste instantie het juridische domein, en zijn te onderscheiden in de beschermende rechten, correctie van eerdere wetgeving, en antidiscriminatie.[2] Het gaat hier dan onder andere over lichamelijke onschendbaarheid en autonomie; vrij zijn van seksueel geweld; op deelname aan verkiezingen (kiesrecht); om ambtelijke functies uit te oefenen; om juridische overeenkomsten aan te gaan; recht op gelijke behandeling in het familierecht; op arbeid; op gelijke beloning; op reproductieve rechten; op bezit; op onderwijs.[3]

Geschiedenis[bewerken | brontekst bewerken]

In de oude beschavingen, zoals Babylonië en het oude Egypte, waren vrouwen gelijk aan mannen. Ze hadden dezelfde rechten en plichten, en stonden op gelijke voet. Ook in Sparta waren vrouwen en mannen elkaars gelijken: in Athene en Rome niet, daar waren vrouwen ondergeschikt.[4]

In Europa leefden vrouwen in ongeveer de tijd van het Feodalisme naast mannen. Omstreeks 500 na Christus bezaten de Germaanse vrouwen erfrechten volgens de Lex Salica, maar in de herziene uitgave 300 jaar later, de Lex Salica Emendata zijn deze bepalingen onder leiding van Karel de Grote, geschrapt. Toen vervolgens het Germaans recht door het Romeinse recht werd vervangen, kwam de vrouw geheel onder het gezag van de man te staan: hij kon vrijelijk over haar goederen beschikken. De protestantse rechtsgeleerde Hugo de groot, beschouwde aan het begin van de zeventiende eeuw de man als voogd van de vrouw, in zijn Inleijdinghe tot de Hollandsche rechtsgeleerdheijdt.[5]

Toen na de middeleeuwen in de tijd van de verlichting en renaissance het Christendom vanuit het Zuiden Europa veroverde, was deze van grote invloed op de manier waarop vrouwen werden gezien. In de 19e eeuw waren er weinig vrouwen die een goedbetaalde baan mochten krijgen, de meeste hadden slechte betaalde, vieze banen: vrouwen uit de hogere klasse waren veroordeeld tot een leven in huis en een enkele sociale activiteit.

In de 20ste eeuw waren er in Nederland verschillende feministische golven, die positieve gevolgen hadden voor de vrijheden van vrouwen en daarmee voor hun rechten.

VN verdragen voor de vrouw[bewerken | brontekst bewerken]

De in 1945 opgerichte Verenigde Naties sloten verschillende verdragen af die specifiek van invloed waren op de positie van vrouwen.

De Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties (ECOSOC) heeft sinds 1946 een Commissie voor de Status van Vrouwen: deze commissie bereidde de diverse verdragen voor en organiseerde ook het ‘VN-decennium van de vrouw’ (1975-1984). Ook organiseerde de commissie verschillende VN-conferenties voor de rechten van de vrouw, in Mexico (1975), Kopenhagen (1980), Nairobi (1985) en Beijing (1995).

De Commissie draagt daarnaast zorg voor een universele interpretatie van het Vrouwenverdrag door nationale instanties, en formuleert hiervoor "aanbevelingen". Deze aanbevelingen leiden soms tot nieuwe interpretaties, en een uitbreiding van de bescherming van vrouwen.[6]

De Raad toetst haar activiteiten ieder jaar aan de opgestelde afspraken van de conferentie in Beijing in 1995, die ze hun Beijing Platform for Action noemen.[7]

Raad van Europa[bewerken | brontekst bewerken]

De Raad van Europa sloot in 2011 ook een verdrag inzake vrouwenrechten af, het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, oftewel "Het verdrag van Istanboel".

Specifieke onderwerpen[bewerken | brontekst bewerken]

Vrouwenorganisaties hebben in sinds de oprichting van de VN twee onderwerpen specifiek op de agenda geplaatst bij deze organisatie: de voortplantingsrechten, en seksueel geweld.

Voortplantingsrechten[bewerken | brontekst bewerken]

Veel staten hebben een beleid op voortplanting: of het hier nou gaat om een beperkend beleid of een beleid waarbij voortplanting gestimuleerd wordt. In 1968 kwam dit voor het eerst ter sprake op de eerste VN Wereldconferentie Mensenrechten in Teheran, waar het recht van ouders om het aantal kinderen te bepalen werd erkend In 1974 in Boekarest werd dit verder uitgewerkt met het recht voor ouders op informatie en onderwijs dat zij nodig hebben om dit recht uit te kunnen oefenen (kennis over contraceptiva). In 1979 werd dit recht opgenomen in het Vrouwenverdrag, waardoor gezinnen zelf het recht kregen op het maken van een gezinsplanning, en op toegang tot informatie en advies daartoe.[6]

In 1994 en 1995 werd echter bevestigd dat deze rechten reeds verankerd liggen in de rekende mensenrechten, oa door het recht op privacy, het recht op fysieke integriteit en het recht op gezondheid.

Seksueel geweld[bewerken | brontekst bewerken]

Het duurde tot in de jaren '90 totdat geweld met een seksueel karakter voordat seksueel geweld door het internationaal recht erkend werd als een vorm van foltering, en daarmee gelijk gesteld werd aan andere vormen van geweld. Het massale gebruik van verkrachting als oorlogswapen (ex-Joegoevlavië, Rwanda) leidde tot bijzondere aandacht van de Internationale tribunalen voor dit seksuele geweld. Anno 2020 wordt verkrachting en kan het worden gezien als onderdeel van oorlogsmisdaad, misdaad tegen de menselijkheid of genocide.[6]

Hierop volgend wordt deze maatstaf in stijgende mate gebruikt om seksueel geweld en ander geweld tussen private personen (met inbegrip van huiselijk geweld) aan te pakken. Het Europese Hof bepaalde in 2003 dat niet de fysieke dwang, maar het ontbreken van toestemming het relevante criterium is voor verkrachting.[6]

Wereldwijd[bewerken | brontekst bewerken]

Er zijn wereldwijd grote verschillen tussen de rechten die vrouwen hebben. Met name in veel van de ontwikkelingslanden is de positie van vrouwen achtergesteld en worden elementaire rechten, zoals het recht van zeggenschap over het eigen lichaam, het recht op zelfstandigheid en het een huwelijkskeuze, niet toegekend. Ook in landen waar het geloof een grote rol speelt, wordt de strijd voor gelijke rechten tussen vrouwen en mannen bemoeilijkt.[4]

Zie ook[bewerken | brontekst bewerken]