Autochtoon (biogeografie)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Autochtone herkomst)
Ga naar: navigatie, zoeken

Autochtoon of inheems is een biogeografische statusaanduiding die betekent dat een taxon (meestal een soort) van nature, dus spontaan en zonder menselijke invloed, in het gebied voorkomt. Het gaat om oorspronkelijk inheemse organismen; soorten van de oorspronkelijke levensgemeenschappen, die zich na de ijstijden spontaan hebben gevestigd. Een boom of struik wordt autochtoon genoemd als die door een continue natuurlijke verjonging sinds de spontane vestiging na de laatste ijstijd nog voorkomt.[1]

Autochtone bomen en struiken in Nederland[bewerken]

In 1992 heeft Nederland het Biodiversiteitsverdrag van Rio de Janeiro ondertekend. Eén van de centrale thema's was het behoud van de biologische diversiteit binnen soorten, tussen soorten en van ecosystemen. Sinds Rio is het denken over natuurbeheer in brede kring veranderd en is er ook een duidelijk toenemende belangstelling voor autochtone bomen en struiken. Het verdwijnen van biologische diversiteit en daarmee genetische verarming, kan onder andere worden tegengegaan door versterking van bestaande populaties en door herintroductie van autochtoon materiaal.

De basis hiervoor is door Stichting Kritisch Bosbeheer gelegd rond het begin van de jaren tachtig van de 20e eeuw. Medio tachtiger jaren leidde dat concreet tot diverse publicaties die de eerste contouren beschreven van het belang voor het behoud en ontwikkeling van inheemse en autochtone populaties bomen en struiken in het Nederlandse natuurbeheer. Later spitsten zich de publicaties toe op individuele soorten als onder meer de Taxus (Taxus baccata), de linden als winterlinde (Tilia cordata) en zomerlinde (T. platyphyllos), Wintereik (Quercus patrea), enzovoort.

Aanvankelijk ontstond er veel weerstand tegen dit thema. Dat veranderde snel toen het inzicht groeide dat het merendeel van de bijna 100 soorten inheemse bomen en struiken inmiddels schaars, zeer zeldzaam, of zelfs al voor Nederland of België als uitgestorven moesten worden beschouwd (in Nederland moet de grove den als uitgestorven worden beschouwd, ofschoon op de hogere gronden de bossen er vol mee staan).

Hoofdoorzaak van de zeer weinige overgebleven oorspronkelijke groeiplaatsen van autochtone bomen en struiken moet worden gezocht in de bosbouw. Deze vorm van landgebruik is immers per definitie vooral geïnteresseerd in economisch rendabele soorten. Door bepaalde bosbouwkundige eisen en wensen zocht men vaak naar snellere of beter groeiende variëteiten, waardoor minder rendabele soorten uit de bossen verdwenen of werden vervangen door niet autochtone variëteiten uit bijvoorbeeld Oost-Europa of Zuidoost-Europa, zoals de grove den, eik of Fijnspar. Men introduceerde zelfs boom– en struiksoorten uit andere werelddelen, denk aan de Douglasspar, Japanse lariks en Amerikaanse eik. Ook ‘bodemverbeterende’ soorten werden om bosbouwkundige redenen uit verre oorden geïntroduceerd, zoals de nu hevig bestreden Amerikaanse vogelkers.

Als gevolg van deze activiteiten bleek het pleidooi van Stichting Kritisch Bosbeheer om aandacht te krijgen voor het restant inheemse en autochtone boom– en struiksoorten al vóór het eind van de jaren tachtig aan te slaan. In Nederland volgden nadien opkomende kleine bedrijfjes het idee en verzamelden zaad van waarschijnlijk oorspronkelijk autochtoon materiaal om zodoende plantmateriaal te verkrijgen voor herintroductie elders. Helaas zijn sommige zeer zeldzame soorten nog steeds gevoelig voor bosbouwkundige ingrepen omdat ze soms niet of te laat worden herkend en zo verloren gaan bij het ‘onderhoud’ van bossen of houtwallen, zoals in het voorjaar van 2007 bleek toen enkele wilde peren in een houtwal in een beschermd natuurgebied in de Achterhoek bij een dunning werden omgezaagd en zo verloren gingen.

Definities[bewerken]

De woorden inheems en autochtoon worden in het spraakgebruik vaak door elkaar gebruikt maar betekenen niet hetzelfde.

  • Autochtoon: Volgens de bosbouwrichtlijn vindt vernieuwing in een autochtone opstand plaats door een continue natuurlijke verjonging sinds de spontane vestiging na de laatste ijstijd. De opstand mag alleen kunstmatig zijn verjongd, als het teeltmateriaal uit dezelfde opstand of uit autochtone opstanden in de nabije omgeving is verkregen. Voor de rassenlijst betekent dit dat bomen en struiken autochtoon zijn als ze deel uitmaken van of afkomstig zijn van een autochtone opstand. Voor het bepalen van het autochtone karakter worden in deze rassenlijst een aantal criteria gehanteerd.
  • Inheems: Volgens de bosbouwrichtlijn is een inheemse opstand een autochtone opstand of een opstand die kunstmatig is geteeld met zaad uit hetzelfde herkomstgebied. Aangezien Nederland bestaat uit één herkomstgebied, kunnen opstanden ook inheems zijn wanneer deze zijn aangelegd met bomen en struiken uit andere regio’s. Deze bovenstaande definities worden in Europees verband gebruikt. Om nu verwarring in Nederland te voorkomen worden in Nederland voor het begrip autochtone herkomsten het begrip autochtone Nederlandse herkomsten en voor inheems het begrip overige Nederlandse herkomsten gebruikt.

In het kader van het natuurbeheer vindt men het soms wenselijk, dat bomen en struiken die hier hun natuurlijke verspreidingsgebied hebben worden aangeplant. Overigens stellen de Nederlandse floristen (van de Stichting FLORON) dat ook die soorten inheems zijn die hier zijn ingeburgerd. Ingeburgerd heten soorten die na introductie door de mens zich gedurende drie generaties op drie verschillende plaatsen spontaan in het wild hebben gehandhaafd.

Ecologen van Stichting Kritisch Bosbeheer bekritiseren echter deze definitie. Omdat soms inderdaad blijkt dat zo’n ingeburgerde 'autochtone' soort zich kan hebben postgevat en zich op zijn nieuwe groeiplaats onder natuurlijke omstandigheden duurzaam weet te verjongen, er echter desondanks zeer belangrijke verschillen zijn geconstateerd. Zo is vastgesteld dat de eenstijlige meidoorn, die in Nederland voor een aanzienlijk deel is vermengd met materiaal afkomstig uit Zuid-Europa, niet, of anders, synchroniseert met de overige componenten in het ecosysteem. Italiaanse meidoorns bloeien eerder dan autochtone meidoorns, waardoor andere interacties ontstaan met insecten en dus ook weer insectenetende organismen op de nieuwe groeiplaats. Denk bijvoorbeeld aan vogels met jongen die zodoende hun voedselspectrum zien inkrimpen. Dergelijke gevoelige ecologische interacties zijn maar zeer beperkt onderzocht. Dit type onderzoeksprojecten zijn bovendien zeer ingewikkeld en kostbaar en leiden niet tot een hoger maatschappelijke productie (bosbouw!) waardoor het zeer lastig is er financieringsbronnen voor te vinden. Al met al kan niet zonder meer gesteld worden dat 'ingeburgerd inheems' materiaal vergelijkbare ecologische eigenschappen heeft als daadwerkelijk autochtoon materiaal. De bovenaangehaalde opvatting van FLORON is derhalve volgens de definitie van Stichting Kritisch Bosbeheer niet of onvoldoende ecologisch getoetst.

Vereniging Natuurmonumenten volgt deze floristenrichtlijn m.b.t. het inheems-zijn van een plant of een dier. Een voorbeeld is de Amerikaanse vogelkers (Prunus serotina), die ongeveer in het achtste jaar tot bloei komt. Na drie keer acht jaar, 24 jaar, spontane overleving in de natuur, zal volgens deze zienswijze deze struiksoort inmiddels inheems genoemd kunnen worden. Daarmee dreigt de vereniging in aanvaring te komen met artikel 8h van het Biodiversiteitsverdrag, dat bepaalt dat verdringende exoten ('alien species') bestreden of verdelgt dienen te worden. De Amerikaanse vogelkers, of bospest, ontwikkeld zich in bos, duin en heide vaak als een plaag.

Floristen zullen de Amerikaanse eik en de Douglasspar, die in Nederland veelvuldig in bosverband zijn aangeplant, vanwege een soortgelijke uitkomst ten aanzien van de goede voortplanting in Nederland, eveneens tot de inheemse flora rekenen. Het publiek en bosecologen zullen echter geneigd zijn om van al deze soorten de buitenlandse afkomst in aanmerking te nemen. De Nederlandse overheid zal het begrip inheems volgens biodiversiteitsrichtlijn hanteren, teneinde niet strijdig te zijn met het Biodiversiteitsverdrag en impliciet met de richtlijnen van de Europese Unie. In de vogelwereld worden geïntroduceerde soorten die in het wild aanslaan, zoals de Nijlgans, exoot genoemd. Vogels die hier op eigen kracht gekomen zijn, zoals recent de Turkse tortel, noemt men een immigrant, die worden ook meteen tot de inheemse avifauna gerekend. Het begrip inheems wordt derhalve, afhankelijk van de groep 'gebruiker', verschillend geïnterpreteerd, van nauw tot ruimhartig.

Belang en areaal van autochtone bomen en struiken[bewerken]

Door de eeuwenlange natuurlijke selectie hebben de autochtone populaties zich aan het Nederlandse klimaat en milieuomstandigheden aangepast. Hierdoor zijn er lokale verschillen ontstaan. In het ene gebied bloeit een boom of struik bijvoorbeeld eerder dan in het andere gebied. Ook kunnen vorm en grootte van de bladeren of de bloemen variëren. Deze variatie is van groot belang voor allerlei dieren, zoals bloembezoekende insecten.

Het areaal autochtone bomen en struiken en de genetische kwaliteit ervan zijn in Nederland drastisch achteruitgegaan. Belangrijke oorzaken zijn het eeuwenlange proces van ontbossing en het verdwijnen van meer dan driekwart van de oude houtwallen en heggen ten behoeve van schaalvergroting in de landbouw, verstedelijking en de uitbreiding van infrastructuur. Een minder bekende, maar niet minder belangrijke oorzaak van de achteruitgang is het gebruik van plantmateriaal uit andere landen. Veel plantmateriaal wordt bijvoorbeeld opgekweekt uit zaad dat geïmporteerd is uit Zuid- en Oost-Europa. Daarbij gaat het weliswaar om soorten waarvoor Nederland tot het natuurlijke verspreidingsgebied hoort, maar het importmateriaal heeft andere erfelijke eigenschappen. Hierdoor ontstaan vitaliteitproblemen, omdat bijvoorbeeld het moment van uitlopen en bloei in Nederland op een 'verkeerd' tijdstip valt. Behalve voor de boom kan dit ook voor de van deze boomsoorten afhankelijke diersoorten problemen veroorzaken.

Criteria voor autochtoon uitgangsmateriaal[bewerken]

Tegenwoordig zijn autochtone bomen en struiken voornamelijk nog te vinden op oude bosplaatsen, in houtwallen, langs holle wegen en aan de oevers van niet vergraven beken. Dat een boom of struik autochtoon is kan vrijwel nooit met zekerheid aangetoond worden. Wel zijn er een criteria die gebruikt worden om vast te stellen of het waarschijnlijk is dat het om autochtoon materiaal gaat. Van de volgende criteria hebben de eerste drie betrekking op de plant en de overige met de groeiplaats.

  • het gaat om wilde soorten of variëteiten en niet om cultivars (vaak te zien aan bladvorm of bloeiwijze)
  • het betreft oude bomen of oud hakhout
  • de boom of struik maakt een spontane en niet-aangeplante indruk (niet in rijen geplant)
  • de groeiplaats ligt binnen het natuurlijke verspreidingsgebied van de soort
  • het betreffende landschapselement (bos, houtwal en dergelijke) staat reeds aangegeven op de topografische kaarten uit 1830-1850 (1:50.000)
  • de groeiplaats stamt ecologisch overeen met de natuurlijke standplaats van de soort en maakt een natuurlijke en ongestoorde indruk (bodemprofiel niet vergraven)
  • er komen soorten voor die indicatief zijn voor oude bosplaatsen of houtwallen
  • in de omgeving komt de soort op meerdere vergelijkbare groeiplaatsen voor en/of uit paleobotanisch onderzoek komen indicaties over het voorkomen ter plaatse in het verleden

Deze criteria gaan zelden allemaal tegelijkertijd op. Op verarmde groeiplaatsen kunnen indicatieve planten, zoals winterlinde, tweestijlige meidoorn, adelaarsvaren, eenbes en bosanemoon ontbreken. Ook zijn er bijvoorbeeld niet altijd oude exemplaren. Overigens kan archiefonderzoek en gesprekken met mensen ter plaatse waardevolle extra informatie opleveren. De mate van zekerheid omtrent autochtoon uitgangsmateriaal is sterk afhankelijk van de soort. Bij oude hakhoutvormen, zoals bij Fraxinus excelsior (gewone es), Ulmus laevis (steeliep) en Alnus glutinosa (zwarte els) is de zekerheid bijvoorbeeld groot. Ook van Q. robur en Q. petraea (zomer- en wintereik) is - aan de hand van internationaal onderzoek naar migratieroutes - vast te stellen of een herkomst als autochtoon aangemerkt kan worden. Bes- en botteldragers zoals wilde lijsterbes, ribessoorten en rozensoorten daarentegen worden gemakkelijk verspreid door vogels, waardoor de herkomst onduidelijk kan zijn. Dit geldt ook voor zaadwindverspreiders als berken, populieren en wilgen. Daarnaast kan kruisbestuiving van autochtone herkomsten met stuifmeel van niet-autochtoon plantmateriaal plaatsvinden door wind en insecten. Voor het toepassen van de criteria is daarom gekozen voor een praktische oplossing, waarbij de criteria in samenhang met verstand en redelijkheid zijn gebruikt. In overleg met deskundigen op het gebied van autochtone herkomsten is voor alle mogelijke autochtone herkomsten bepaald of deze aan voldoende kenmerken voldoet om deze als autochtoon aan te duiden. Voor de mate van zekerheid betreffende het autochtone karakter wordt door deskundigen een indeling gehanteerd in drie categorieën: herkomsten in de categorie a zijn vrijwel zeker autochtoon, herkomsten in de categorie b zijn vrij waarschijnlijk autochtoon en herkomsten in de categorie c zijn waarschijnlijk autochtoon.

In het natuurbeheer gaat men slechts mondjesmaat over tot natuurrestauratie, in casu aanplant van autochtone soorten. In de vaderlandse natuurbescherming is tegenwoordig de richting overheersend, volgens welke de natuur gebaat is bij spontane ontwikkelingen, dus bij een nietsdoen beheer. Sommigen wijzen er op dat dit niet per se tot natuurlijke processen leidt, immers de 'buitenlandse' natuur, de uitheemse planten, hebben vaak al de overhand. Aanplant van autochtone soorten zou daarom beter tegemoetkomen aan het natuurbeschermingsideaal: het behoud en het herstel van de specifieke, lokale biodiversiteit.

  • Anoniem (1977) De noodsituatie in ons bos. Landelijke Werkgroep Kritisch Bosbeheer. Amsterdam. Bladzijden: 16.
  • Kleyn, K. P. (1984) Natuurbos - Produktiebos. Stichting Kritisch Bosbeheer, Stichting Mondiaal Alternatief & Kritisch Bosbeheer Vlaanderen. Utrecht. Bladzijden: 25.
  • Maes, N., T. van Vuure & G. Prins (1991) Inheemse bomen en struiken in Nederland: bedreiging, behoud en herintroductie van inheems genenmateriaal. Stichting Kritisch Bosbeheer. Utrecht. Bladzijden: 106.
  • Maes, Bert (Redactie) (2006) Inheemse bomen en struiken in Nederland en Vlaanderen - herkenning, verspreiding, geschiedenis en gebruik. Boom uitgevers. Amsterdam. Bladzijden: 376.
  • Lans, van der & G. Poortinga (1986) Natuurbos in Nederland - een uitdaging. Instituut voor Natuurbeschermingseducatie. Amsterdam. Bladzijden: 192.
  • Kruis, Arno van der (1990) De ontwikkeling van natuurlijke waarden in bossen op zandgronden: een evaluatie van natuurbosbeheer. Stichting Kritisch Bosbeheer. Utrecht. Bladzijden: 113.
  • Maes, N. en T. van Vuure (1989) De Linde in Nederland: Verspreiding, ekologie en toekomstmogeljkheden van de lindesoorten in Nederland en aangrenzende gebieden. Stichting Kritisch Bosbeheer. Utrecht. Bladzijden: 168.
  • Maes, N., T. van Vuure & G. Prins (1991) Inheemse bomen en struiken in Nederland: bedreiging, behoud en herintroductie van inheems genenmateriaal. Stichting Kritisch Bosbeheer. Utrecht. Bladzijden: 106.
  • Prins, G.A.H, N.C.M. Maes & M.J.T.M. Smit (1993) De wintereik in Nederland: verspreiding, ecologie en toekomstmogelijkheden van de wintereik in het Nederlandse bos. Stichting Kritisch Bosbeheer. Wageningen. Bladzijden: 106.
  • Prins, G.A.H, N.C.M. Maes & M.J.T.M. Smit (1993) De wintereik in Nederland: verspreiding, ecologie en toekomstmogelijkheden van de wintereik in het Nederlandse bos. Stichting Kritisch Bosbeheer. Wageningen. Bladzijden: 106.
  • Vuure, T. van (1990) De Taxus (Taxus baccata): Ecologie, bescherming en bevordering van een inheemse naaldboomsoort. Stichting Kritisch Bosbeheer. Utrecht. Bladzijden: 91.