Bergduivel

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

Ga naar: navigatie, zoeken

De bergduivel (Moloch horridus) is een bodembewonende hagedis uit de familie agamen (Agamidae). Het is de enige soort uit het monotypische geslacht Moloch.

Inhoud

[bewerken] Beschrijving

De bergduivel heeft een bizarre bouw en ziet er met enige fantasie uit als een wandelende doornstruik. De lengte is ongeveer 20 centimeter inclusief staart. Het gehele lichaam is bezet met grote, harde, puntige stekels. Op de rug, nek en kop zitten nog grotere 'doorns', vooral twee boven de ogen en twee in de nek; als ze worden aangevallen buigen ze het hoofd naar beneden waardoor deze nekstekels worden opgericht en het niet mogelijk is om de hagedis door te slikken. Het lichaam is veelal bruin en beige gebandeerd met een witte of gele flankstreep. Een typisch kenmerk is de motoriek, in tegenstelling tot de meeste hagedissen is de bergduivel erg traag en kan niet rennen, klimmen of zwemmen.

[bewerken] Voorkomen en habitat

De bergduivel leeft in kurkdroge streken in midden Australië, de hagedis is endemisch. De habitat bestaat uit woestijnen en halfwoestijnen, de agame is gebonden aan een klein aantal van de 63 in Australië voorkomende mierensoorten uit het geslacht Iridomyrmex, en met name Iridomyrmex flavipes, welke in de zandgrond nesten maakt.

[bewerken] Voedsel

De bergduivel eet vrijwel uitsluitend mieren en is dus formicivoor, net zoals een miereneter. Andere hagedissen die formicivoor zijn vindt men binnen het geslacht Phrynosoma. De bergduivel zoekt vaak één van de vaste looproutes van de mieren naar een vocht- of voedselbron, en begint te slurpen tot er geen mier meer over is, waarna ze op zoek gaan naar een nieuw pad. De nesten worden ongemoeid gelaten om een massale aanval van de soldaten te voorkomen. Omdat de mieren klein zijn en een enkele mier niet veel voedingsstoffen bevat worden per maaltijd tot 2000 mieren gegeten[1].

[bewerken] Vochtopname

Opname van vocht geschiedt niet via de bek, maar via de poten en huid; tussen de doorns lopen kleine kanaaltjes die water in een plas waar het dier in staat of dauwdruppels die aan de huid worden gevormd omhoog transporteren. De werking is hetzelfde als sappen in de nerven in een boom en grondwater dat opstijgt; door de dunne buisjes treedt capillaire werking op. Deze buisjes lopen door tot aan de mondhoeken, waar het vocht wordt afgegeven in de bek.

[bewerken] Afbeeldingen

[bewerken] Bronnen

  1. Prey capture kinematics of ant-eating lizards - Meyers and Herrel 208 (1): 113 - Journal of Experimental Biology

[bewerken] Bronnen, noten en/of referenties

Bronnen, noten en/of referenties:

 
Persoonlijke instellingen
Boek maken