Mieren

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Mieren
SEM-foto van een mierenkop.
SEM-foto van een mierenkop.
Taxonomische indeling
Rijk: Animalia (Dieren)
Stam: Arthropoda (Geleedpotigen)
Klasse: Insecta (Insecten)
Orde: Hymenoptera (vliesvleugeligen)
Onderorde: Apocrita
Superfamilie: Vespoidea
Familie
Formicidae/Mutillidae
Latreille, 1802 (Mutillidae); 1809 (Formicidae)
Afbeeldingen op Wikimedia Commons Wikimedia Commons
op Wikispecies Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Insecten
Voorstelling anatomie en benaming werkmier (Pachycondyla verenae)
Mier in Baltische barnsteen
De mierwespen of fluweelmieren (hier Ronisia barbara) lijken op mieren, maar zijn vleugelloze wespen
Parasolmieren
De minuscule mannetjesmier paart met zijn reusachtige koningin
Een mier 'melkt' een bladluis
Mieren met zwarte bonenluis

Mieren zijn een groep van kolonievormende sociale insecten, die behoren tot de orde van vliesvleugeligen (Hymenoptera). Mieren hebben zich kunnen aanpassen aan zeer verschillende leefomgevingen; waar ze voorkomen zijn mieren de dominante levensvorm op de bodem. Mieren komen vrijwel overal ter wereld voor[1] en zijn daarmee een van de succesvolste diergroepen. Vele mierensoorten bouwen het nest in de bodem of in holle bomen, andere spinnen bladeren aan elkaar om een nest te maken, weer andere leven in spleten tussen rotsen.

De kolonie bestaat uit één (of enkele) koningin(nen), werksters (ook allemaal vrouwtjes) en soms jonge mannetjes en maagdelijke koninginnen. De grootste groep zijn de werksters, die samen de werktaken verdelen. Er zijn onder andere verkenners, voedselverzamelaars, nest-onderhouders, kinderverzorgsters en soldaten. Wanneer het nest groot genoeg is, wordt een lichting van de opgroeiende larven opgekweekt tot mannetjes en koninginnetjes. Bij de meeste soorten verlaten die het nest vliegend wanneer de tijd daarvoor rijp is. Dit gebeurt in Nederland vaak op warme dagen na een regenbui. In de lucht paren de mannetjes met de koninginnetjes, waarna de mannetjes kort daarna sterven en de koninginnen een nieuwe nestplaats zoeken. Dit kan al vliegend gedaan worden, zodat zelfs in bloembakken 10 meter boven de grond nesten kunnen ontstaan.

Mieren worden soms ook als huisdieren gehouden, in een zogenaamd formicarium.

Systematiek[bewerken]

Mieren behoren tot de wespachtigen, ze stammen af van gravende wespensoorten waarvan de werksters de vleugels hebben verloren.[2][3] De nauwe verwantschap aan wespen is ook af te leiden uit de bouw van een mier, die sterke overeenkomsten vertoont met een wesp. Alle mieren behoren tot een enkele familie, de Formicidae. Andere insecten die soms als een mier kunnen worden aanzien, behoren tot de mierwespen, die ook wel fluweelmieren worden genoemd (familie Mutillidae). Soorten uit deze laatste groep zijn ook vleugelloos en lijken op mieren, maar worden beschouwd als wespen zonder vleugels. Mierwespen zijn over het algemeen veel behaarder dan mieren.

Variatie[bewerken]

Er zijn ongeveer 12.000 soorten beschreven. Bij mieren bestaat een grote variatie waar het gaat om de volgende eigenschappen:

  • De grootte van de kolonie. Deze kan soms uit enkele, soms uit miljoenen mieren bestaan.
  • Het aantal koninginnen aan het hoofd van de kolonie. Dit kan variëren van één tot enkele honderden.
  • De complexiteit van de mierenmaatschappij. Bij sommige mierensoorten bestaat er een heel specifieke verdeling van taken, en bijbehorende lichaamskenmerken.
  • De woonomgeving van de kolonie. Sommige soorten leven ondergronds, terwijl andere alleen in de toppen van bomen voorkomen.

Kenmerken[bewerken]

De meeste soorten mieren zijn zwart of bruin, maar ook gele, rode, groene, zilvergrijze en goudkleurige soorten komen voor. Mieren hebben, net als de meeste andere insecten, voelsprieten op hun kop, wat hun voornaamste zintuig is en waarmee ze kunnen ruiken en voelen. De meeste mierensoorten hebben ogen, maar in het donkere nest zijn deze niet erg nuttig.

Zoals alle insecten hebben mieren een in drieën verdeeld lichaam en drie paar poten. Qua lichaamsbouw lijken mieren erg op wespen, alleen zijn ze vaak kleiner, hebben geen vleugels en hebben een klein vierde (en soms vijfde) lichaamsdeel tussen borststuk en achterlijf: de schub (bij schubmieren) of de knopen (bij knoopmieren). Vleugels zijn voorbehouden aan de koningin en de mannetjes, die ze gebruiken om de zogenoemde bruidsvlucht uit te voeren. In Nederland en België gebeurt dit meestal rond de maand augustus; de tijd van de vliegende mieren.

Sommige rovende geleedpotigen, zoals sommige wantsen maar ook spinnen, lijken sprekend op mieren om zo ongestoord op mieren te jagen zonder dat de andere mieren dat merken.

De mierenmaatschappij[bewerken]

In een mierenmaatschappij worden de volgende groepen onderscheiden:

  • de koningin (bij een aantal soorten komen er meerdere voor per kolonie);
  • de mannetjes (die enkel en alleen dienen voor de voortplanting en daarna spoedig sterven);
  • de werksters. Werksters hebben daarnaast vaak nog verschillende functies in de mierenmaatschappij:
    • soldaten: Dit zijn de gravers van de kolonie. Er wordt vaak gedacht dat deze groep het nest verdedigt of aanvallen pleegt, maar dit is een misverstand. Het misverstand komt waarschijnlijk door de grotere kaken, maar die zijn er om goed mee te kunnen graven. Ze zijn voor de kolonie veel te kostbaar om als "soldaat" gebruikt te worden, de larven van deze groep hebben namelijk extra veel voedsel nodig. Niet alle soorten hebben soldaten, Lasius-soorten bijvoorbeeld niet;
    • verkenners die foerageren om voedsel te vinden: dit zijn meestal de al wat oudere werksters die spoedig van ouderdom zullen sterven en waarvan het dus een kleiner verlies voor de kolonie is als ze tijdens hun werk worden opgegeten/aangevallen;
    • verzorgers van de larven (dit zijn bijna altijd de jongste mieren, waarom is niet bekend);
    • luizenkwekers die luizen als een soort 'koeien' houden (bijvoorbeeld bij de gele weidemier);
    • opslagvaten (honingpotmieren);
    • slavenhalers en -houders;
    • voedselmakers.

In principe zijn alle werksters steriele dochters van de koningin, en de instandhouding van haar genen is voor het overleven van de kolonie in evolutionair opzicht het enige wat telt. De aanvankelijk gevleugelde koningin verliest na de bruidsvlucht haar vleugels en begint een nieuwe kolonie met vleugelloze werksters.

Sommige werksters leggen eieren die door anderen worden opgegeten. Als deze eieren wel uitkomen (gebeurt maar af en toe, bij enkele soorten) komen er mannetjes uit.

Hun lichaamsbouw is vaak aangepast aan de speciale functies die ze uitvoeren. Daar ligt geen genetische variatie aan ten grondslag, deze wordt meestal bepaald door het soort voedsel dat ze als larve krijgen. Dit komt bij de meeste soorten die in Nederland en België leven echter bijna niet voor.

Een kolonie mieren kan behalve als een verzameling individuen ook worden beschouwd als een 'superorganisme' dat een aantal gedragingen vertoont die niet kunnen worden voorspeld door naar de gedragingen van de individuele mieren te kijken. Het lijkt dan haast alsof ze op een intelligente manier worden aangestuurd. Dit wordt naar analogie met bijen (ook vertegenwoordigers van de vliesvleugeligen) wel 'bijenkorfintelligentie' (hive intelligence) genoemd.

Communicatie en gedrag[bewerken]

Mierencommunicatie verloopt hoofdzakelijk door middel van geurstoffen, ook wel feromonen genoemd. Geurcommunicatie is bij mieren mogelijk nog meer ontwikkeld dan bij andere sociale vliesvleugelen, zoals bijen of wespen. Net als andere insecten kunnen mieren met hun voelsprieten 'ruiken'. Deze zijn erg beweeglijk, met een duidelijk ellebooggewricht na het eerste segment (de scapus). Doordat een mier twee voelsprieten heeft, voorzien ze de mier van informatie over zowel intensiteit als richting.

Mieren gebruiken bijvoorbeeld het bouquet van koolwaterstoffen, die als een soort waslaag op hun huid zit, om te kunnen herkennen tot welke kolonie ze behoren. Als een individu het nest binnenkomt met de verkeerde samenstelling van deze koolwaterstoffen, zal deze (hardhandig) verwijderd worden. Om alle nestgenoten hetzelfde te laten ruiken, worden de geurstoffen vermengd met voedsel uitgewisseld tussen mieren. Dit heet ook wel trophallaxis. Mieren vallen aan en verdedigen zichzelf en hun nest door te steken met een gifangel, of te bijten en vervolgens mierenzuur in het bijtwondje te spuiten. In Maleisië komen mieren voor die als ze worden aangevallen exploderen door hun maagmembraan te laten springen, waarbij de aanvaller soms ook ten gronde gaat.[4]

Veel mieren gebruiken feromonensporen om de weg terug naar huis te vinden. Zo kan een voedselverzamelaar die voedsel vindt, een spoor op de grond achterlaten en op die manier aan andere voedselverzamelaars kenbaar maken waar dit voedsel gevonden kan worden en welke het spoor zullen gaan volgen. Deze versterken op hun beurt het feromonenspoor verder, zodat nog meer mieren het zullen volgen, totdat het voedsel is uitgeput. Het feromonenspoor wordt dan niet verder versterkt en vervaagt langzaam. Behalve dit spoor, gebruiken mieren verschillende soorten informatie om hun weg terug naar het nest te vinden. Zo tellen ze bijvoorbeeld het aantal stappen dat ze hebben genomen sinds hun vertrek, hebben ze een ingebouwd kompas en slaan ze herkenningspunten op in hun geheugen. Indien een mier door een mens op een andere plaats wordt neergezet is het moeilijker om het nest weer terug te vinden.

Andere feromonen zijn bijvoorbeeld het alarmferomoon, dat een mier kan afgeven en nabije nestgenoten tot een furieuze aanval aanzet. Sommige parasitaire mieren gebruiken zogenaamde propagandaferomonen om hun gastheren in verwarring te brengen terwijl ze binnendringen. Mieren kunnen ook detecteren tot welke takengroep een andere mier behoort (bijvoorbeeld verkenner of kinderverzorgster), aan de hand van de laag van koolwaterstoffen op hun huid. De koningin heeft vaak een specifiek bouquet van geurstoffen, waarvan wordt uitgegaan dat de werksters haar hieraan herkennen als de koningin. Bij gebrek aan een koningin, worden de resterende eieren opgekweekt tot nieuwe koninginnen, en gaan de werksters zelf eieren leggen waar mannetjes uitkomen.

Levenswijze[bewerken]

Veel soorten mieren verzamelen niet alleen voedsel, maar kweken het zelf. Men zou zelfs kunnen zeggen dat een aantal soorten aan een soort landbouw en zelfs veeteelt doet. De zwarte wegmier (Lasius niger) bijvoorbeeld zuigt graag de zoete afscheiding van bladluizen op (honingdauw), en beschermt de luizen tegen vijanden als lieveheersbeestjes met het mierenzuur. Andere soorten gaan nog verder en brengen de luizen naar ondergrondse kamers met plantenwortels. Hier kunnen de luizen ongestoord sappen zuigen en de mieren het honingdauw aftappen. Parasolmieren, vooral bekend uit het geslacht Atta, knippen delen van bladeren af en transporteren de bladeren naar het nest. Hier wordt in speciale groeikamers een bepaalde schimmel gekweekt waar de mieren van leven. Een kolonie telt al gauw 2 miljoen mieren die binnen 24 uur een boom volledig kunnen ontbladeren.

Ook sommige planten werken samen met mieren door een zoete afscheiding te produceren, zie ook mierenbroodje. Het voordeel voor de plant is dat een grotere planteneter in de bek of tong wordt gebeten door de mieren en het wel uit zijn hoofd laat om de planten te eten.

De ecologische betekenis van mieren[bewerken]

Mieren kunnen van grote invloed zijn op de planten en dieren in een ecosysteem. Welke invloed mieren hebben en hoe groot die invloed is, hangt af van het soort mier en het ecosysteem waar de mieren aanwezig zijn.

Mieren helpen bij het bestrijden van schadelijke insecten
Uit onderzoek is gebleken dat bosmieren per kolonie en seizoen 6,1 miljoen insecten en andere arthropoden buitmaken.[5] Vogels vermijden soms de bomen waarin bosmieren foerageren[6] en mieren kunnen soms helpen bij het bestrijden van insecten die de bladeren, naalden of zaden van gewassen eten.[7] Bosmieren die op een kaalslag overleven kunnen de schade aan zaailingen, veroorzaakt door kleine houtetende kevertjes, verminderen maar het onderzoek hiernaar staat nog in de kinderschoenen.[8]
Mieren kunnen zaden verspreiden
Mieren hebben ook een functie in het verspreiden van sommige soorten plantenzaden.
Mieren hebben een belangrijke functie in het vormen van de bodem en in de voedingsstoffenkringloop
Mierennesten bieden onderdak aan andere dieren, waaronder sommige rode-lijstsoorten
In de nesten van mieren kan een groot aantal soorten insecten en andere geleedpotigen leven. Sommige dieren die in mierennesten leven, eten de miereneieren of -larven of ze troggelen de mieren het voedsel af dat bestemd is voor de larven. Er zijn zelfs mierensoorten die hun kolonie in de nesten van andere mierensoorten bouwen.[9] Er zijn echter ook heel veel soorten mijten, springstaarten en andere 'typische' bodemdieren die in mierennesten leven. Ze zijn voor hun voedsel niet direct afhankelijk van mieren maar leven van het organische materiaal en van de schimmels en bacteriën die in het nestmateriaal groeien. Deze dieren zijn de mieren waarschijnlijk niet tot last. Het interessante is dat er in de mierenhopen andere soorten bodemdieren voorkomen dan in de 'gewone' bodem. De samenstelling van soorten verschilt tussen deze beide milieus. De bodemdieren in de mierenhopen van rode bosmieren worden vooral gekenmerkt door soorten die afhankelijk zijn van bacteriën, terwijl de soorten in de bosbodem vooral van schimmels leven.[10] Hier zijn verschillende oorzaken voor. Zo is de mierenhoop van bosmieren meestal droog en warm, terwijl de bosbodem natter is en de temperatuur ervan meer fluctueert. Daaraan kan de ene soort zich beter aanpassen dan de andere. Ook de aanwezigheid van hars in bosmierennesten kan een rol spelen. Uit onderzoek is gebleken dat springstaarten in aantal afnemen als hars aan bodemmateriaal wordt toegevoegd, terwijl mijten minder last hebben van hars.[11]

Evolutie en ontwikkeling[bewerken]

Recente fossiele vondsten en onderzoek op het gebied van DNA hebben meer duidelijkheid verschaft over de evolutie van de mieren en de relaties tussen de verschillende families.

Rond het midden-krijt (ca. 100 miljoen jaar geleden) vond er een sterke uitbreiding plaats in bos-achtige omgevingen, die samenviel met de opkomst van de bedektzadigen. In het paleoceen (65 tot 23 miljoen jaar geleden) bereikte deze diergroep dominantie in deze ecologische niche in samenhang met de bloeiende planten. Daarna vonden afsplitsingen plaats naar andere gebieden door veranderingen in leefgewoonten.

Fotogalerij[bewerken]

In Nederland en België

Buiten Nederland en België

Bestrijding[bewerken]

Mierenlokdoos

Mieren kunnen worden bestreden door een mierenlokdoos te gebruiken. De werkzame stof wordt door de werksters van het mierenvolk meegenomen in het nest. Het mierenprobleem wordt daardoor bij de bron aangepakt.

Het gif in mierenbestrijdingsmiddelen is echter vaak zeer krachtig en behoort doorgaans tot de groep der neonicotinoïden. Dit zogenaamde systemische gif is niet alleen dodelijk voor mieren, maar voor alle insecten die er direct of indirect mee in aanraking komen, waaronder bijen en hommels. Deze groep gifstoffen breekt zeer slecht af in het milieu en verspreidt zich van mierennest naar de bodem en via het grondwater naar planten en bloemen waar andere insecten van eten. Ook voor dieren die vergiftigde insecten eten (vogels, amfibieën, egels, etc.) is het giftig. Het gaat doorgaans om een of meerdere van de volgende neonicotinoïden:

  • Imidacloprid
  • Thiamethoxan
  • Clothianidine
  • Thiacloprid
  • Acetamiprid
  • Dinotefuran
  • Nitenpyram

Vrijwel alle mierenbestrijdingsmiddelen die vrij voor particulieren te koop zijn bevatten neonicotinoïden. Als alternatief kunnen middelen gebruikt worden die de genoemde stoffen niet bevatten. Ook kan er overgegaan worden tot natuurlijke bestrijding, zoals het planten van goudbloemen of afrikaantjes in de buurt van het nest, of het strooien van sterk geurende stoffen zoals koffie, peper of knoflook. De mieren zullen dan niet doodgaan, maar wel verhuizen.

Zie ook[bewerken]

Literatuur[bewerken]

  • Mieren van de Benelux (2010), Peter Boer. Stichting Jeugdbondsuitgeverij, 's Graveland, 184 pp., ISBN 978-90-5107-043-9
  • De wespen en mieren van Nederland (2004), T.M.J. Peeters, C. van Achterberg, W.R.B. Heitmans, W.F. Klein, V. Lefeber, A.J. van Loon, A.A. Mabelis, H. Nieuwenhuijsen, M. Reemer, J. de Rond, J.Smit en H.H.W. Velthuis; eindredactie A.J. de Winter , Naturalis, Leiden; KNNV, Zeist en EIS-Nederland, Leiden , 496 pp., ISBN 90 5011 174 2
  • Onze mieren (2001), E. Schoeters en F. Vankerkhoven. Educatie Limburgs Landschap vzw, Heusden-Zolder, 175 pp.
  • Onze mieren: Geactualiseerde determinatietabel voor België (2002), E. Schoeters en F. Vankerkhoven. Educatie Limburgs Landschap vzw, Heusden-Zolder, 62 pp.

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Overal, behalve op Antarctica. Ook op IJsland, Groenland en Hawaiï komen van nature geen mieren voor.
  2. (en) C. Zimmer Key to Ants’ Evolution May Have Started With a Wasp, New York Times, 17 oktober 2013
  3. (en) B. Johnson et al. Phylogenomics Resolves Evolutionary Relationships among Ants, Bees, and Wasps, Current Biology, volume 23, uitgave 20, 21 oktober 2013, pag. 2058–2062
  4. Jones T.H., D.A. Clark, A.A. Edwards, D.W. Davidson, T.F. Spande, R.R. Snelling (2004) The chemistry of exploding ants, Camponotus spp. (cylindricus complex). J Chem Ecol. 2004 Aug 30 (8):1479-92
  5. J. Petal (1978): 'The role of ants in ecosystems', in: Production ecology of ants and termites (ed. Brian MV): 293-325. Cambridge University Press, Cambridge
  6. P.D. Haemig (1994): 'Effects of ants on the foraging of birds in spruce trees.' Oecologia 97:35-40
  7. R. Peng, K. Crhistian, D. Reilly (2012): 'Biological control of the fruit-spotting bug Amblypelta lutescens using weaver ants Oecophylla smaragdina on African mahoganies in Australia.' Agricultural and Forest Entomology 14: 428-433
  8. V. Manák, J. Nordenhem, N. Björklund, L. Lenoir, G. Nordlander (2013): 'Ant protect conifer seedlings from feeding damage by the pine weevil Hylobius abietis.' Agriculture and Forest Entomology 15:98-105
  9. B. Hölldobler, E.O. Wilson (1990): 'The Ants', Springer-Verlag, Berlin
  10. J. Laakso, H. Setälä (1998): 'Composition and trophic structure of detrital food web in ant (Formica aquilonia) nest mounds and the surrounbding soil.' Oikos 81:266-278
  11. L. Lenoir, J. Bengtsson, T. Persson (2003): 'Effects of conifer resin on soil fauna in potential wood-ant nest materials at different moisture levels.' Pedobiologia 47: 19-25