Carl Schmitt

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Franse druk van Politische Theologie. Vier Kapitel zur Lehre von der Souveränität.

Carl Schmitt (Plettenberg (Westfalen), 11 juli 1888 - Plettenberg-Pasel, 7 april 1985) was een Duitse politieke filosoof en rechtsgeleerde. Hij is dan ook vooral invloedrijk geweest in de politieke filosofie en rechtsfilosofie.

Leven en werk[bewerken]

Schmitt behoorde tot de controversieelste denkers van de twintigste eeuw. Tijdens de Weimarrepubliek (1918-1932) was hij een vurig verdediger van een versterking van de grondwet én van een verbod op Verfassungsfeindliche politieke partijen, speciaal de communisten. Enkele weken na de machtsovername door Adolf Hitler verscheen Schmitts eerste artikel waarin hij het nieuwe regime steunde en andere juristen opriep zich eraan te conformeren. In het verlengde hiervan werd hij in mei 1933 lid van de Nationaalsocialistische Duitse Arbeiderspartij, net als de filosoof Martin Heidegger. Van 1933 tot 1936 werkte Schmitt voor het nationaalsocialistische regime en schreef artikels die het regime steunden, met enkele die ook uitgesproken antisemitisch waren. In 1936 viel hij, na een actie van de SS, in ongenade en werd hij van alle politieke functies ontheven. Na de oorlog werd hij gevangengenomen door de Russen. Na verhoor werd hij weer losgelaten. Ook werd hij gevangengenomen door de Amerikanen. In 1947 kwam hij weer op vrije voeten. Hij verklaarde onder meer: "Ik heb gedronken van de nazi-bacil, maar ben niet besmet geraakt." Na zijn vrijlating ging Schmitt wonen in zijn geboortedorp Plettenberg. Hij zou nog contact hebben met vooraanstaande denkers zoals Alexandre Kojève, Jacob Taubes en Ernst Jünger. Hij stierf in zijn geboortedorp op 7 april 1985.

Schmitt was de schrijver van een omvangrijk oeuvre dat zich niet eenduidig laat beoordelen: zijn eerste boek verscheen in 1910, zijn laatste artikel in 1978. Het werk van Schmitt kent verschillende thema’s, waarbij staatsrecht en volkenrecht centraal staan. Een belangrijke gedachte in zijn werk is de zoektocht naar een zinvolle politieke (wereld)orde. Lange tijd gold Schmitt als een Schreibtischtäter, de intellectuelen die belangrijk hebben bijgedragen aan de opkomst van nazi-Duitsland. Sedert de jaren 90 van de 20e eeuw staat zijn werk weer nadrukkelijk in de aandacht. Sommigen zien in Schmitt een van de grootste politieke denkers van de twintigste eeuw. Anderen zien in hem niet meer dan een gewetenloze opportunist. Zijn geschriften en ideeën mogen zich echter in een toenemende belangstelling verheugen. Schmitt heeft talloze publicaties op zijn naam staan. Zijn bekendste werk is Der Begriff des Politischen.

Zijn werk heeft een sterke invloed gehad op vele andere politieke denkers uit zijn tijd zoals vele leden van de Frankfurter Schule zoals Max Horkheimer, Theodor Adorno en Walter Benjamin, maar ook op centraal liberale denkers als Carl Friedrich en Hans Morgenthau. Ook is het recentelijk gebleken dat ook voor Hannah Arendt en postmoderne denkers denkers zoals Jean-François Lyotard en Jacques Derrida sporen terug te vinden zijn, die naar Schmitt terugvoeren.[1]

Filosofie[bewerken]

In zijn werk benadrukt Schmitt altijd het feitelijke en menselijke van de politiek en het recht. Hij reageert met andere woorden fel tegen opvattingen over de politiek die te geïdealiseerd zijn, of haar van het menselijke willen ontdoen. Zo zet hij zich bijvoorbeeld sterk af tegen zijn tijdgenoot Hans Kelsen, een neokantiaan die in diens werk Das Problem der Souveränität und die Theorie des Völkerrechts een "zuivere theorie van het recht" uiteenzet, namelijk een recht dat in elke situatie en elke tijd rechtvaardig zou zijn. Recht dat met andere woorden is geabstraheerd van al het concreet menselijke. Schmitt stelt daartegenover dat dit niet mogelijk is: alle wetten zijn ingebed in concrete situaties. Uiteindelijk, zo stelt Schmitt, zitten er zelfs onder extreem geabstraheerde en universele wetten altijd nog mensen. Het recht is dus uiteindelijk altijd mensenwerk. Hiermee bekritiseert hij ook de filosofische stellingname van John Locke, en komt hij dichter bij wat de filosoof Thomas Hobbes stelde: de wetten worden bepaald, niet door de waarheid, maar door wat de Leviathan, of soevereine macht, oplegt.

Schmitt legt de nadruk op het feit dat er zich in elke staat een gemeenschap van mensen bevindt, die per definitie niet universeel kan zijn. Er is met andere woorden altijd een "wij" dat tegenover een "zij" staat. Om maar van een politieke staat te kunnen spreken, moet er ook iets buiten die staat zijn. Schmitt stond dan ook erg negatief tegenover alle vormen van pluralisme, want die verdeelden de staat. In deze zin kan Schmitts antisemitisme deels begrepen worden: de Joden hebben volgens Schmitt een verdeelde loyaliteit. Een loyaliteit niet enkel jegens de Staat, maar ook jegens het Joodse volk en de Tenach.[2]

Soevereiniteit[bewerken]

Centraal in het werk van Schmitt, onder andere in Politische Theologie (1922) staat het concept van soevereiniteit, en dus de vraag wat de plaats en aard van de constituerende macht van een politiek systeem is. De bekende eerste zin van dit werk geeft al antwoord: "Soverän ist, wer über den Ausnahmezustand entscheidet" (Soeverein is hij die beslist over het uitzonderlijke geval). In deze uitspraak zitten echter enkele, misschien bedoelde, dubbelzinnigheden ingebouwd. Zo is het niet duidelijk of über hier slaat op het feit dat de soeverein beslist wat een uitzondering is of dat hij beslist hoe hij deze gaat oplossen. Het lijkt er althans op dat, gezien Schmitts filosofie, hij hiermee vooral wil zeggen dat het niet op voorhand vastligt wat de uitzonderlijke gevallen zijn. Er bestaat met andere woorden geen absolute regel die over zulke uitzonderingen beslist. Volgens Schmitt onthult deze uitzondering de ware aard van de soevereiniteit juist: de uitzondering wordt niet enkel bepaald door de soeverein, maar definieert tevens zijn macht.

Soevereiniteit vormt daarnaast voor Schmitt een schot (Grenzbegriff) tussen wat wel en wat niet onder de wet valt. Voor Schmitt is een zuiver juridische interpretatie van soevereiniteit niet voldoende, omdat die maar één kant van het verhaal belicht. Het hele gegeven van de uitzondering toont juist de menselijkheid van het recht: een uitzondering is maar een uitzondering ten opzichte van het recht. Een uitzondering maken is dus enerzijds wel het recht bevestigen, maar anderzijds stellen dat dit recht slechts een menselijke constructie is en dus overstegen kan worden. Bij de uitzondering maakt de soeverein een eigen beslissing los van dit recht.[3]

Deze diepe zoektocht naar wat soevereiniteit in een moderne wereld nog kan betekenen hangt bij Schmitt samen met de idee van een onttovering van de wereld, zoals Max Weber het beschreef: het metafysische en theologische heeft plaats gemaakt voor het seculiere en rationele. Transcendente ideeën hebben met andere woorden geen vat meer op de mensen, maar om de eenheid van een natie te bewaren moet men op zoek gaan naar een alternatief. Dit kan eventueel gevonden worden in een immanent criterium, en zo'n criterium ligt volgens Schmitt in de soeverein. Hij roemt Hobbes die in reactie op de toenmalige godsdienstoorlogen, de idee van een Leviathan naar voren bracht, die de soeverein kan zijn. Dit kan Schmitts steun aan het naziregime en Adolf Hitler verklaren: waarschijnlijk zag Schmitt in Hitler zo'n soeverein aan het werk.[4]

Boeken en publicaties (selectie)[bewerken]

  • Über Schuld und Schuldart, 1911
  • Gesetz des Urteils, 1912
  • Der Wert des Staates und die Bedeutung des Einzelnen, 1914
  • Politische Romantik, 1919
  • Die Diktatur, Duncker & Humblot, Berlin 1921
  • Politische Theologie. Vier Kapitel zur Lehre von der Souveränität, 1922
  • Römischer Katholizismus und politische Form, 1923
  • Die geistesgeschichtliche Lage des heutigen Parlamentarismus, 1923
  • Die Diktatur des Reichspräsidenten, 1924
  • Die Rheinlande als Objekt internationaler Politik, 1925
  • Die Kernfrage des Völkerbundes, 1926
  • Volksentscheid und Volksbegehr, 1927
  • Verfassungslehre, Duncker & Humblot, Berlin 1928
  • Hugo Preuss, der Staatsbürger und seine Stellung in der deutschen Staatslehre, 1930
  • Hüter der Verfassung, 1931
  • Legalität und Legitimität, 1932
  • Die drei Arten des rechtswissenschaftlichen Denkens, 1933
  • Der Begriff des Politischen, Duncker & Humblot, Berlin 1932, Neuausgabe 1963
  • Theorie des Partisanen. Zwischenbemerkung zum Begriff des Politischen, D&H, Berlin 1963
  • Positionen und Begriffe im Kampf gegen Weimar-Genf-Versailles 1923 - 1939, 1939
  • Völkerrechtliche Großaumordnung mit Interventionsverbot für raumfremde Mächt, 1939
  • Die Lage der europäischen Rechtswissenschaft, 1950
  • Donoso Cortès in gesamteuropäischer Interpretation, Greven Verlag, Keulen 1950
  • Der Nomos der Erde im Völkerrecht des Ius Publicum Europaeum, Duncker & Humblot, Berlin 1950
  • Ex Captivitae Salus. Erfahrungen in der Zeit 1945-47, 1950
  • Politische Theologie II. Die Legende von der Erledigung jeder Politischen Theologie, D&H, Berlin
  • Hamlet oder Hekuba, 1956
  • Gespräch über die Macht und den Zugang zum Machthaber und Gespräch über den neuen Raum, Berlin 1994, ISBN 3-05-002630-8
Bronnen, noten en/of referenties

Literatuur

  • de Wit, Theo W. A., De onontkoombaarheid van de politiek. De soevereine vijand in de politieke filosofie van Carl Schmitt, Ubbergen, 1992.
  • Zuckert, Catherine H., Political Philosophy in The Twentieth Century - Authors and Arguments, Cambridge, Cambridge University Press, 2011.
  1. Zuckert, Catherine H., Political Philosophy in The Twentieth Century, p. 33.
  2. Zuckert, Catherine H., Political Philosophy in The Twentieth Century, p. 36.
  3. Zuckert, Catherine H., Political Philosophy in The Twentieth Century, p. 39.
  4. Zuckert, Catherine H., Political Philosophy in The Twentieth Century, p. 42.