J.J. Voskuil (schrijver)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Han Voskuil
J.J. Voskuil
J.J. Voskuil
Algemene informatie
Volledige naam Johannes Jacobus Voskuil
Geboren 1 juli 1926
Overleden 1 mei 2008
Land Vlag van Nederland Nederland
Werk
Genre romans
Bekende werken Bij nader inzien
Dbnl-profiel
Portaal  Portaalicoon   Literatuur

Johannes Jacobus (Han) Voskuil (Den Haag, 1 juli 1926Amsterdam, 1 mei 2008) was een Nederlands volkskundige en schrijver van romans en korte schetsen.

Leven[bewerken]

Voskuil was de oudste zoon van Klaas Voskuil (1895-1975), bij leven hoofdredacteur van Het Vrije Volk, die vooral bekendheid genoot door zijn VARA-radiorubriek Socialistisch Commentaar. J.J. Voskuil is vernoemd naar zijn grootvader Johannes Jacobus Voskuil, die bakker was te Zwolle.

Na zijn studie Nederlandse taal- en letterkunde aan de Gemeentelijke Universiteit in Amsterdam werkte Voskuil als vertaler bij de EGKS in Straatsburg en vervolgens in het seizoen 1955/56 als leraar aan een kweekschool in de stad Groningen. Teruggekeerd in Amsterdam werkte hij als student-assistent mee aan een uitgave van de werken van P.C. Hooft. In 1957 trad hij in dienst bij het Instituut voor Dialectologie, Volks- en Naamkunde, het tegenwoordige Meertens Instituut.

Voskuil was getrouwd met Lousje Haspers. Beiden waren dierenbeschermers. In 1997 richtte Voskuil de dierenwelzijnsorganisatie Stichting Varkens in Nood op, gesteund door o.a. de schrijver Koos van Zomeren. Veel elementen uit het persoonlijke leven van het echtpaar, zoals het niet willen bezitten van een auto, het hebben van katten, het wonen aan de Lijnbaansgracht nr. 84-hs (1956-1969) en de Herengracht nr. 60 (1969-2008) in Amsterdam en hun wandelvakanties in Auvergne, staan beschreven in zijn boeken.

Na een langdurige ziekte besloot Voskuil tot euthanasie. Hij stierf thuis op 1 mei 2008, Dag van de Arbeid. Op 8 mei 2008 werd hij begraven op Oud Eik en Duinen in Den Haag.

Werk[bewerken]

Bij nader inzien[bewerken]

Ontstaan en ontvangst[bewerken]

Voskuils literaire debuut was de autobiografische roman Bij nader inzien waarin zijn studietijd centraal staat. Het kostte aanvankelijk veel moeite om een uitgever te vinden voor het dikke manuscript - met 1207 bladzijden is het werk tot op heden een van de meest omvangrijke romans uit de Nederlandse literatuur – maar in 1963 verscheen het boek uiteindelijk in twee banden bij G.A. van Oorschot te Amsterdam.

De roman werd door de kritiek overwegend slecht ontvangen, deels omdat het een sleutelroman was. Een aantal jaren later belandde een groot deel van de oplage, ondanks de belofte van de uitgever het boek niet te verramsjen, bij De Slegte. Toch bleek er in kleine kring waardering voor te bestaan en in 1985 verscheen een tweede druk van het boek. Ruime bekendheid kreeg het werk pas in 1991 door de zesdelige televisieserie onder regie van Frans Weisz (scenario: Jan Blokker en Leon de Winter), die door de VPRO werd uitgezonden. De serie kwam in 2008 ook uit op DVD. Ze wijkt nogal af van het boek, en Voskuil was hier aanvankelijk zeer ontstemd over. Uiteindelijk had hij wel vrede met de verfilming, volgens regisseur Frans Weisz, zij het dat Voskuil vond dat de film niets meer met zijn boek te maken had.

Inhoud[bewerken]

Het boek kent geen ik-figuur, het bestaat uit een groot aantal scènes waarin diverse studenten 'geesteswetenschappen' in Amsterdam voorkomen, gedurende de periode van hun hele studententijd. In de kring studenten staan Paul Dehoes en Maarten Koning het meest geprononceerd tegenover elkaar. Paul haakt het openlijkst naar 'contact', koestert meer overspannen verwachtingen van zijn vrienden, en wil er altijd van overtuigd zijn dat zijn vrienden het op essentiële punten eens zijn, en dezelfde houding aan zouden nemen in situaties waarin het erop aankomt. Maarten is meer de wandelaar, de waarnemer, die zich snel terugtrekt in zichzelf, vlucht in ironie en reageert middels boutades die anderen ergeren. Hij weet niet goed hoe te reageren op Pauls woordenstroom, die hij niet kan weerleggen, maar waarvan hij soms voelt dat het rationalisaties zijn. Paul schermt met Forum: persoonlijke eerlijkheid is waar het om gaat in de literatuur, Maarten met Arthur van Schendel: wezenlijk is de sfeer, de beschrijvingen. Paul is degene die zich het meest blootgeeft, zich het kwetsbaarst opstelt doordat hij voortdurend plannen oppert (waarvan anderen makkelijk kunnen constateren dat ze niet allemaal uitkomen) en doordat zijn onuitputtelijke intelligentie de ene theorie na de andere spuit, waarvan de rest waarneemt dat ze niet allemaal met elkaar en met zijn gedrag in overeenstemming zijn. Hij is hiermee wel de eigenlijke 'motor' die het boek aanstuwt. Ook de vrouwen/vriendinnen van Maarten en Paul zijn elkaars tegenpool.

In het midden van het boek vinden er 'gebeurtenissen' plaats: Hans moet een tijdje naar Leuven, Paul moet in dienst, Flap trouwt, en David moet een jaar naar Suriname. De buitenwereld breekt in in het beschermde studentenleven. Ook doet het raadselachtige, zwijgzame personage Henriette haar intrede, wier sympathie - of beter gezegd goedkeuring - haast tot twistappel wordt voor Maarten en Paul.

In het laatste deel verschuift alles: de nadruk ligt minder op de inhoud van de discussies, en meer op het waarom van het zwijgen van de één en het praten van de ander. Er wordt meer gereflecteerd over eigen denken. Zoals Maarten van zichzelf zegt: "Mijn verstand mist puntigheid en raffinement". Of zoals Paul in een brief aan Maarten schrijft, wanneer hij pas leraar is: "Je zou mijn praten een strooptocht in het onbekende kunnen noemen." Waaraan hij de verklaring van Henriettes zwijgen toevoegt: hij zelf kan zich niet herhalen, zij kan nauwelijks praten, omdat voor haar de woorden al een herhaling, namelijk van de gedachten, zijn. Dit laatste deel kenmerkt zich dan ook meer door de sfeer. De protagonisten zijn zich er van bewust uitgetheoretiseerd te zijn, en de buitenwereld is nu wel heel nabij gekomen; vriendschap is nu een concreter front tegen de buitenwereld. Ondanks hun voortdurende verschillen in gedrag en opvattingen, bestaat er echt contact tussen Maarten en Paul. Dit is het aspect 'Ode aan de vriendschap' van dit boek.

De afloop: Op een afstudeerfeest bij David waar vrijwel iedereen zat is, ziet Maarten Paul (wiens echtgenote niet aanwezig is omdat ze hoogzwanger is) boven op een andere vrouw liggen. Zonder hier een woord aan te wijden zoekt Maarten in de menigte zijn vrouw Nicolien op en zegt haar dat ze naar huis gaan. Als ze buitenkomen is het al bijna ochtend. Een vroege klas kinderen met hun onderwijzer rijdt over de Keizersgracht.

Net als de slotscène uit Het Bureau heeft dit slot op Voskuil zelf veel indruk heeft gemaakt. Critici hebben Voskuil klakkeloos nagepraat dat dit boek een afrekening zou zijn met Paul Dehoes, dat 'vriendschap een illusie blijkt' etc. Dit mag waar zijn voor de schrijver Voskuil, voor de lezer, die zelf geen binding heeft met de beschreven personen, ligt dat wellicht anders. Dit boek geeft een uiterst gedetailleerde en subtiele beschrijving van de ontwikkeling van jongerejaars naar ouderejaars studenten in de letteren. In de loop van het boek wisselen onderlinge houdingen en sympathieën voortdurend. Er is wederzijds enthousiasme en bekoeling. De manier van praten van ieder personage en ook hun standpunten en manier van denken zijn perfect weergegeven: vaak nog voordat gezegd wordt wie spreekt, voelt de lezer wie aan het woord is, zo zorgvuldig zijn de karakters opgebouwd. Daarnaast is dit boek ook een soort synthese van Forum en Van Schendel geworden: er wordt meedogenloos gestreefd naar eerlijkheid jegens vrienden, maar het boek bevat tevens de prachtigste sfeerimpressies, met name door de uiterst verfijnde beschrijvingen van kleine gedragingen en belevenissen van ieder personage.

Binnen de huid[bewerken]

Dit boek, geschreven tussen 1964 en 1968, is postuum uitgekomen in 2009. Voskuil zelf had in interviews gezegd dat hij dit werk niet kon uitgeven, omdat hij zelf niet in staat was het boek voor te lezen omdat het hem te veel aangreep.[1] Uit het kleine voorwoord van zijn vrouw blijkt dat een andere reden was de vrees anderen te kwetsen, alsmede het intieme karakter van het boek. Vooral dit laatste wordt duidelijk uit de inhoud. In tegenstelling tot Bij nader inzien en Het Bureau is dit boek in de eerste persoon geschreven, en zijn de episodes niet gedateerd.

Het boek begint na het afstuderen van Maarten Koning. De eerste 100 bladzijden gaan vooral over de verhouding van Maarten en Paul, die inmiddels leraar is geworden, en de complexiteit van hun vriendschap, de vraag of ze nog vrienden zijn (Ik begreep dat vriendschap een verfijnde vorm van vijandschap is. Je draait om elkaar heen tot je kunt toeslaan.). Daarna begint het intiemere deel van het boek, dat vooral de relatie tussen Maarten en Rosalie (die inmiddels een dochtertje heeft) beschrijft. Dat is dan geen intellectuele verhouding, er is ook geen sprake van verwantschap, hier domineert vooral de lichamelijke aantrekkingskracht. Het lijkt alsof Maarten enerzijds behoefte heeft zijn mannelijkheid te bewijzen, en anderzijds zich voortdurend pijnigt met de vraag of dit goed is of niet: Trouw is lafheid; Ieder onderdrukt verlangen is een lafheid. De lezer wordt onwillekeurig herinnerd aan Flaps opmerking tegen Maarten uit Bij nader inzien (in een bakkerij): Jij kunt niet zorgeloos van het leven genieten (...) Als instinctmensen zoals jij in beweging komen, gaat de hele broodwinkel tegen de vlakte.

De grote rol die Rosalie op dit moment inneemt in zijn leven blijkt onder andere hieruit, dat meermalen in het boek zij het is die met 'ze' wordt aangeduid, als er verder geen naam genoemd wordt[2]. De chaos in zijn gedachten blijft aanhouden, met aan het einde als 'conclusie': Ik raakte er meer en meer van overtuigd, dat alleen zijn de enig fatsoenlijke manier van leven is. Alleen zijn en je bedrinken. Toch blijven aan het einde Nicolien en hij bij elkaar.

De inhoud zo naverteld wekt de indruk van een gewone driehoeksverhouding, maar de Voskuil-elementen als humor en nauwkeurige beschrijvingen ontbreken niet. Door het gebruik van de ik-persoon ligt de nadruk vooral op gewaarwordingen, gevoelens en gedachten van Maarten[3].

Het Bureau[bewerken]

Ontstaan en ontvangst[bewerken]

De omvang van Bij nader inzien werd ruimschoots overtroffen door Voskuils zevendelige romancyclus Het Bureau, die zijn dertigjarige ambtelijke loopbaan bij het Meertens Instituut ('Het Bureau') tot onderwerp heeft, de periode 1957-1987 overspannend. In dit werk, verschenen tussen 1996 en 2000, treden ook enkele personages uit Bij nader inzien op, maar het merendeel van de 5058 pagina's wordt behalve door Voskuils alter ego Maarten Koning bevolkt door romanfiguren als medewerkers of relaties van 'Het Bureau', wier overeenkomst met de werkelijkheid geenszins toevallig is. Dat ze niet allemaal even gelukkig zijn met de vaak genadeloze wijze waarop ze door Voskuil worden geportretteerd, bleek uit een documentaire van de VPRO uit 1998 over het Meertens Instituut waarin collega's van Voskuil aan het woord komen, maar er zijn er ook, die trots op hun onvrijwillige rol in het boek zijn en gedetailleerde lijsten hebben gepubliceerd over wie schuil gaan achter de personages in de roman (zie voor meer informatie het kopje 'Externe links en Aanvullende informatie') of zelfs rondleidingen door het Instituut voor nieuwsgierigen verzorgden (het Instituut is inmiddels verhuisd).

Inhoud[bewerken]

Net als in Bij nader inzien is in Het Bureau de hoofdpersoon Maarten Koning, Voskuils alter ego. Een verschil is dat in Het Bureau ook de gedachten en gevoelens van Maarten Koning beschreven worden, zij het in zeer summiere, bijna schetsmatige bewoordingen. Zoals hij in Bij nader inzien zijn eerste studiejaar (Economie) weggelaten heeft, zo heeft Voskuil in Het Bureau zijn werkzaamheid als leraar in Groningen weggelaten. Daarmee wordt de thematiek waar alles om draait eenduidig. Van zijn huwelijk krijgen we dan ook voornamelijk die scènes te zien, waarin het Bureau een rol speelt. Voor Nicolien, zijn vrouw, is het bureau een soort Fremdkörper in hun bestaan, dat langzaamaan ook hun privéleven gaat overwoekeren. Maarten vindt dit ook wel, maar heeft het idee dat hij er niets aan kan doen. Dit leidt tot hevige discussies, wat veel lezers heeft doen denken dat het hele huwelijk uit ruzies bestond. Over het schrijven van Bij nader inzien, dat ook in deze periode heeft plaatsgevonden, wordt niets gezegd. Ook komen vrienden als Kees Vogels (zie Onder andere) of Jan Bruggeman (zie: Requiem voor een vriend) hier niet aan bod, omdat zij geen relatie met zijn werk, met het Bureau, hebben.

In het boek komt dit ook tot uiting doordat geleidelijk aan meer de inhoud van zijn werk aan bod komt, met name door middel van fragmenten uit lezingen die hij op congressen her en der in Europa geeft. Binnen dit werk als volkskundige is het thema de revolutie die plaats vond binnen dit vakgebied, en waaraan Maarten een grote bijdrage heeft geleverd: de verspreidingskaarten van allerhande fenomenen uit de volkskunde mogen volgens hem niet langer gezien worden als gevende een statisch beeld van 'het verleden'. Het zijn moment-opnamen, meer niet, het verleden is veel dynamischer dan men suggereerde. Volgens Maarten hebben de traditionele volkskundigen (Seiner, Horvatic, en ook Beerta, zijn leermeester) dit zo gezien uit een persoonlijke, emotionele behoefte. Zij wilden hun eigen heden legitimeren door erop te wijzen dat dit (eeuwenoude) wortels had in het verleden. Dat uitgerekend Maarten dit bestrijdt, past in de thematiek in het boek, doordat juist hij, als privé-persoon, bij uitstek iemand is die wil dat er nooit iets verandert. Hij is zich dus ten zeerste bewust van deze menselijke neiging, reden dat hij er zo tegen fulmineert in zijn professionele bestaan. Dit raakt aan een algemenere vraag, die af en doe expliciet gesteld wordt, maar op de achtergrond voortdurend aanwezig is: kan een mens veranderen? "Nee", antwoordt het personage Maarten, omdat hij vindt dat hij alleen in situaties in zijn privé-omgeving zichzelf is. Maar de lezer neemt wel verandering in zijn gedrag waar, door de jaren heen, in zijn beroepsmatige omgeving. Die verandering wordt deels veroorzaakt door het feit dat Maarten 'iemand' is geworden: in zijn vakgebied heeft hij een zekere reputatie opgebouwd, hij wordt voor lezingen en commissies gevraagd. Zelf ervaart hij dit echter niet zo, hij merkt het alleen aan de reacties van anderen op hem. Verder heeft hij ook op zijn bureau een zekere status verworven als afdelingshoofd.

Het feit dat hij naast wetenschapper ook hoofd van een afdeling is geworden (na de pensionering van Beerta) is van grote invloed op zijn privé-bestaan. Door de hoge ethische normen die hij zichzelf oplegt, wordt zijn eenzame verantwoordelijkheid een steeds drukkender last: regelmatig is hij ontevreden over zijn eigen optreden te midden van 'zijn mensen', zijn afdeling. Hij neemt de zorgen over situaties waarin hij zich machteloos wist mee naar huis, alwaar hij bovendien steeds vaker 's avonds ook werkt voor het Bureau. Eén van de meest opmerkelijke aspecten is misschien wel deze genadeloze eerlijkheid waarmee Voskuil zichzelf portretteert. Veel zaken waar hij niet trots op is, of situaties waarin hij afgaat, zijn zelfmedelijden, alles wordt in dezelfde toon beschreven als de rest.

Er is wel gezegd, dat alle personages, behalve Maarten, karikaturen zouden zijn. Maar dit geldt zeker niet voor iedereen. Zo wordt aanvankelijk in deel VI de opvolger van Balk als hoofd van het bureau, Van de Marel, neergezet als een kille manager, in vergelijking met wie zelfs Balk nog een aristocraat is. In deel VII, als Maarten met pensioen is maar nog wel af en toe langs komt op het bureau, krijgt hij de indruk dat al zijn werk afgebroken wordt. Maarten houdt dit niet voor zich, maar Van de Marel vangt Maartens klachten op met een zeer joyeuze gelijkmoedigheid, en hij is het die hier de superieure rol krijgt. Dit effect bereikt Voskuil doordat hij Maartens opvattingen over volkskunde inmiddels zo vaak en uitvoerig vermeld heeft, dat de lezer er een beetje genoeg van krijgt, en, ondanks Maartens oprechtheid, de kant van Van de Marel kiest. Ook het gedrag van Ad, één van Maartens oudste collega's is niet stereotiep te noemen. Men kan eerder zeggen dat Maarten er tot het einde toe geen vat op kan krijgen.

Voskuils meesterschap komt naar voren in de uiterst geleidelijke manier waarop dit hele proces beschreven wordt. En zoals in Bij nader inzien het voorlezen van dagboek-fragmenten wordt gebruikt om de personages later te laten reflecteren op gesprekken die de lezer live heeft meegemaakt, zo doet Voskuil dat hier middels gelegenheidstoespraken.

Dat het boek zoveel lezers boeit komt niet alleen voort uit de herkenning die velen in het boek vonden; het boek is buitengewoon zorgvuldig gecomponeerd, en buitengewoon gelijkmatig geschreven. Er is wel gezegd dat zijn taal eenvoudig was, maar men herkent toch de degelijke neerlandicus die over een grote woordenschat beschikt, en die een zeer trefzeker Nederlands schrijft. Denk aan woorden als 'grondelen', 'bouwoffer', 'geveltopschot', of een uitdrukking als 'slordig weer'. Daarnaast worden af en toe dichters als Vasalis, Vondel, Elsschot (in de titel van deel V: 'en ook weemoedigheid') geciteerd. Verder geeft het boek een prachtig tijdsbeeld, niet alleen van het kantoorleven, maar ook van een deel van de academische wereld, van Amsterdam, en ook van Nederland, door de beschrijving van de vele wandelingen, fietstochten en treinreizen. Dit maakt 'Het Bureau' tot een zeer Nederlands boek. Verder zorgen de talloze komische situaties voor veel humor. En er is, ondanks de vele herhalingen van vergelijkbare situaties (voorspelbaar gedrag van hemzelf en andere mensen op zijn bureau, dat aan moet geven voor het personage Maarten dat mensen niet veranderen) niets langdradigs in alle zeven delen.

Het boek eindigt wanneer hij 's avonds, na een diner in Enkhuizen, waar afscheid van hem wordt genomen als lid van de commissie van Het Zeemuseum, alle anderen weg ziet rijden: Langs de kade deinden de achterlichten van zijn vroegere collega's de een na de ander weg. Daarna volgt een droom, die veel indruk op Voskuil heeft gemaakt. Aan deze droom, waarin Maarten wordt uitgedragen, dankt het laatste deel zijn titel (De dood van Maarten Koning).

De NPS maakte vanaf april 2004 tot eind mei 2006 een langlopende hoorspelserie 'Het Bureau' onder regie van Peter te Nuyl. Gedurende iets meer dan twee jaar werd elke werkdag een van de in totaal 475 afleveringen uitgezonden. 350 acteurs speelden daarin 734 verschillende personages. Alle afleveringen konden nog tot 27 mei 2008 via internet worden beluisterd en gedownload.

Requiem voor een vriend[bewerken]

Vanaf zijn schooltijd al legde Voskuil herinneringen vast, en bewaarde hij brieven. De inhoud van Requiem voor een vriend (2002) wordt voor een groot deel gevormd door de brieven die Jan Breugelman (in het werkelijke leven, Jan Bruggeman, kortstondig lid van de Tweede Kamer voor de VVD) schreef aan zijn jeugdvriend Voskuil (de brieven die Voskuil schreef zijn vernietigd). Daarnaast haalt Voskuil herinneringen op en geeft beschrijvingen van wandelingen en gesprekken.

- Ik lees nu Proust.
- En?
- Prachtig. Bijna niet te lezen zo vervelend.

Deze Breugelman bezit een weldadige belezenheid en een baldadige intelligentie, is bewonderaar van Clemenceau en Ter Braak, Huizinga en Thorbecke, en maakt carrière op het ministerie van Buitenlandse zaken. Het is iemand die geobsedeerd is door het fenomeen 'Grote Mannen', die woest om zich heen zoekt in het leven, en een enkele keer in tijden van manie denkt de oplossing gevonden te hebben, maar ook een brief afsluit met: Gekke Jantje begrijpt er maar weinig van, en erover denkt een boek te beginnen dat als titel zal hebben: "Journaal van een verbijsterd man".

In feite is hij manisch-depressief maar de Voskuils krijgen dit pas laat door. Vlak voordat Voskuil begint te werken op 'Het Bureau' ontvangt hij een eerste brief die hij als verontrustend ervaart. Zijn vriend lijkt te ontsporen. Maar omdat hij steeds weer herstelt, en omdat hij tijdens zijn periodes van depressie wordt afgeschermd door zijn vrouw, lijkt zijn toestand voor de buitenwereld minder serieus. Wel is zichtbaar dat hij weinig plooibaar is op zijn werk, en in restaurants of in de trein niet in de gaten heeft dat hij zo hard praat dat hij de aandacht van alle omzittenden op zich richt.

Wat de Voskuils ook waarnemen is dat Breugelman, die aanvankelijk links was, en een hekel had aan het verfoeilijkste genus mensen, die wellicht het best met de naam Elsevier-lezers aan te duiden zijn, steeds rechtser wordt (hij zit anderhalf jaar lang in de Tweede Kamer voor de VVD). Ook zien ze steeds vaker dat Breugelman bij tijden een extreem gejaagd leven leidt, en opgewonden artikelen en ingezonden brieven schrijft, waarvan hij de Voskuils getrouw kopieën toestuurt.

Uiteindelijk gaat Breugelman ten onder; na zijn echtscheiding gaat hij alleen wonen; een tijdje gaat dat goed, maar op een gegeven moment wordt hij opgenomen in verwaarloosde toestand. Dit tragische einde maakt dit boek niet tragisch; door de soms flitsende humor in de brieven en het daarin beschreven onvoorspelbare gedrag kijkt de lezer op een afstand naar dit leven, soms geamuseerd, maar steeds van buitenaf, zoals de Voskuils dat ook deden. Verdere afstand wordt geschapen doordat Breugelman bij tijd en wijle zijn eigen toestand op een 'objectieve' en komische manier weergeeft:

- Ik heb nooit rust, doe nooit iets met plezier, doe al mijn werk in een razend tempo, omdat ik nog zoveel anders ook moet doen, en ga dan uren gejacht zitten niets doen.
- Ik lees als een barbaar, vliegensvlug, want ben immers op zoek naar God of zoiets.

Onder andere[bewerken]

Onder andere (uit 2007) is een bundel ´Herinneringen en dagboekbladen´. Hierin komt Voskuil onder zijn eigen naam voor, maar sommige personen worden aangeduid met de naam die ze in Het Bureau of Bij nader inzien dragen.

De bundel opent met een stuk over Voskuils vader, getiteld 'Een socialistische jeugd'. Een ander stuk gaat over Kees Vogels, de broer van Frida. Dit zijn herinneringen, min of meer chronologisch geordend, aan de markante, wat eigenzinnige persoon met onvoorspelbaar gedrag, die na een langdurige studietijd leraar wordt aan het Prof. ter Veen Lyceum in Emmeloord, en later aan een kweekschool in Arnhem. Pas met zijn late huwelijk lijkt hij zich te hebben onttrokken aan de invloed van zijn zus.

Boven alles uit steekt het prachtige portret van de exuberante Geert van Oorschot, diens uitbarstingen van enthousiasme na het ontvangen van het manuscript van 'Bij nader inzien', en de verdere contacten van hem met de Voskuils. Onder andere de reacties op het verschijnen van 'Bij nader inzien' komen aan bod, maar ook de zelfmoord van Van Oorschots zoon Guido. Naar aanleiding van Voskuils tweede roman, Binnen de huid (1968), ontstaat een breuk tussen hem en Voskuil, de roman werd destijds niet gepubliceerd. Verder bevat deze bundel onder andere stukken over varkens, zijn veldwerk, herinneringen aan de oorlog, een bespiegeling over het fenomeen 'verveling', en een impressie van een Uitmarkt.

De Buurman[bewerken]

Deze in 2001 geschreven roman verscheen postuum in 2012. Het boek beschrijft een episode - de jaren 1980 - uit het leven van Maarten en Nicolien Koning, en belicht hun beider reacties op Petrus en Peer, een homoseksueel koppel dat in hetzelfde pand woont als de Konings. In hun vele discussies en ruzies kiest Nicolien aanvankelijk blindelings partij voor deze underdogs. Maarten is gereserveerder, maar toch ontstaat er een redelijk contact met het stel. Na verloop van tijd neemt dit echter weer af, als het gedrag van Peer (de buurman) wat erg ongewoon en onverklaarbaar wordt.

Wie is wie?[bewerken]

De personages in de romans van Voskuil zijn weliswaar naar bestaande mensen gemodelleerd, maar, waarschuwt Voskuil: "Het is míjn wereld die ik schep. (...) Ik heb een hekel aan mensen die het als een sleutelroman zien en zeggen: o, dat is die meneer en dat is dus een lul." [4]

Bij nader inzien

Het Bureau

  • Dé Haan - Jo Daan (hoogstwaarschijnlijk - wie anders zou het kunnen zijn?)

Bibliografie[bewerken]

Een zeer uitgebreide bibliografie, met name van de verspreide wetenschappelijke en literaire publicaties van J.J. Voskuil, is te vinden in Lam naast leeuw door J. Heymans uit 1999.

wetenschappelijk werk

  • 1956 - Het Nederlands van Hindoestaanse kinderen in Suriname
  • 1969 - Het ophangen van de nageboorte van het paard
  • 1979 - Van vlechtwerk tot baksteen. Geschiedenis van de wanden van het boerenhuis in Nederland
  • 1982 - Kohieren van de tiende penning van Overschie 1561 en Twisk 1561

fictie

  • 1963 - Bij nader inzien
  • 1996 - Het Bureau deel 1: Meneer Beerta
  • 1996 - Het Bureau deel 2: Vuile handen
  • 1997 - Het Bureau deel 3: Plankton
  • 1998 - Het Bureau deel 4: Het A.P. Beerta-Instituut
  • 1998 - Dankwoord bij de aanvaarding van de Bordewijk-prijs (opgenomen in Tirade 373)
  • 1999 - Het Bureau deel 5: En ook weemoedigheid
  • 1999 - De moeder van Nicolien
  • 2000 - Het Bureau deel 6: Afgang
  • 2000 - Het Bureau deel 7: De dood van Maarten Koning
  • 2000 - Ingang tot Het Bureau
  • 2000 - Reisdagboek 1981
  • 2002 - Requiem voor een vriend
  • 2004 - Terloops, voettochten 1957-1973

fictie

  • 2005 - Buiten schot, voettochten 1974-1982
  • 2006 - Gaandeweg, voettochten 1983-1992
  • 2007 - Kladboek 1955-1956 (keuze uit Voskuils dagboek, opgenomen in Tirade 417)
  • 2007 - Onder andere, portretten en herinneringen
  • 2007 - Bestiarium (korte schetsen)
  • 2007 - Alleen op de wereld (kort verhaal, opgenomen in Tirade 421)
  • 2008 - Mensenkinderen (toneel, opgenomen in Tirade 424)
  • 2009 - Binnen de huid
  • 2010 - Jeugdherinneringen
  • 2012 - De buurman (roman)
  • 2012 - Hopelijk gaat het straks bij God beter (Vier brieven aan Henk Romijn Meijer, bibliofiele uitgave in 100 exx.)


overige

  • 1963 - Als ik groot ben[5] (gedicht)
  • 1995 - Geert van Oorschot, Brieven van een uitgever (bevat onder meer drie brieven aan J.J. Voskuil, voorafgegaan door diens herinneringen aan Van Oorschot)
  • 2005 - Hanny Michaelis, Een keuze uit haar gedichten door J.J. Voskuil (bloemlezing, samengesteld en van een inleiding voorzien door J.J. Voskuil)
  • 2012 - Das Büro, Direktor Beerta (Duitse vertaling van het eerste deel van Het Bureau, door Gerd Busse)
  • 2013 - Henk Romijn Meijer & J.J. Voskuil, Een trans-Atlantische briefwisseling (bevat o.m. een briefwisseling uit 1962 - 1963, bezorgd door Gerben Wynia)
  • 2014 - Ik ben ik niet. Boekbesprekingen van Voskuil uit de jaren '50, voorafgegaan door een uitvoerig interview van Detlev van Heest met de weduwe van Voskuil, over de diepe existentiële crisis die Voskuil doormaakte in de jaren dat hij die besprekingen schreef.

Prijzen[bewerken]

Het Bureau werd in 2007 opgenomen in de lijst van beste Nederlandstalige boeken aller tijden.

Literatuur[bewerken]

  • J. Fontijn: Op bezoek bij J.J. Voskuil (Uitvoerig interview, met name over Bij nader inzien), 1991.
  • Onno-Sven Tromp: Wat doe jij in mijn stad? Een literaire wandeling door het Amsterdam van J.J. Voskuil, 2000.
  • Frida Vogels: De harde kern. In deel 3 Met zijn drieën treft men vanaf blz. 342 Vogels' weergave aan van de studentenkring waarover Voskuil schrijft in Bij nader inzien (de figuur Henriette is gemodelleerd naar Frida Vogels), 1993. Ook in de tot nog toe gepubliceerde dagboeken van Vogels komen Voskuil en zijn vrouw regelmatig voor.
  • Annejet van der Zijl: Bij nader omzien, artikel in HP/De Tijd (23/1/1998), gebaseerd op gesprekken met de mede-studenten van J.J. Voskuil, die model stonden voor de personen in Bij nader inzien, 1998.
  • J. Heymans: Lam naast leeuw. Een zevental uitvoerige gesprekken met Voskuil, over zijn wetenschapsopvatting, zijn literatuuropvattingen en over Het Bureau, 1999.
  • J.J. Oversteegen: Etalage (Uit het leven van een lezer). In hoofdstuk 6 Impasses vertelt de schrijver, naar wie het romanpersonage Paul Dehoes gemodelleerd is, o.a. over zijn relatie met Voskuil, 1999.
  • Bzzlletin nr. 264: nummer gewijd aan J.J. Voskuil, Frida Vogels en Bert Weijde, 1999.
  • Tirade nr. 424: nummer gewijd aan J.J. Voskuil, 2008.
  • Tirade nr. 428: 'Vertalersnummer', bevat 1 pagina van J.J. Voskuil, Das Büro, vertaald door Gerd Busse.
  • Elsbeth Etty: Het Amsterdam van J.J. Voskuil. "Mieterse wandelingen met Maarten Koning", in: Ons Amsterdam, maart 1997.

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Van Oorschot geeft postume Voskuil uit
  2. Een kras voorbeeld hiervan is te vinden op blz. 370: Toen Nicolien naar de keuken ging, pakte ik haar hand, waarbij met haar aan Rosalie gerefereerd wordt.
  3. Zie ook het interview met Voskuils weduwe uit Trouw van 1 mei 2009.
  4. [1]
  5. Het titelloze gedicht met deze beginregel werd door Voskuil kennelijk tijdens zijn studie geschreven. In Bij nader inzien (p. 1193) staat beschreven hoe Maarten Koning het aan Chris van Heel schenkt, die het wil opnemen in een bundel met bijlage 'anonieme poëzie van het volk'. Chris van Geel publiceerde het uiteindelijk in 1963 in het tijdschrift Barbarber, met vermelding van Voskuils naam. Het gedicht werd opnieuw gepubliceerd in Van Geels bundel Dank aan de koekoek, wordt vermeld in Lam naast leeuw, en is momenteel beschikbaar in Van Geels Verzamelde Gedichten (p. 782).