Søren Kierkegaard

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Søren Kierkegaard
Kierkegaard.jpg
Persoonsgegevens
Naam Søren Aabye Kierkegaard
Geboren Kopenhagen, 5 mei 1813
Overleden Kopenhagen, 11 november 1855
Land Vlag van Denemarken Denemarken
Functie Filosoof
Oriënterende gegevens
Stroming Existentialisme
Levensbeschouwing Lutheranisme
Handtekening Handtekening
Portaal  Portaalicoon   Filosofie
Christendom

Søren Aabye Kierkegaard (Kopenhagen, 5 mei 1813 – aldaar, 11 november 1855) was een 19e-eeuwse Deense theoloog en filosoof. Hij noemde zichzelf een antifilosoof en een religieus schrijver. Kierkegaard wordt vaak gezien als de eerste existentialistische filosoof.

Levensloop[bewerken]

Søren Kierkegaard was het zevende kind uit het huwelijk van Michael Kierkegaard en diens tweede vrouw Ane Sørensdatter Lund, beiden afkomstig uit Jutse families. Vader Michael, een notabele die zijn eerste vrouw aan een longontsteking had verloren, was een streng godsdienstig man. Ooit had hij als herdersjongen op de heide van Jutland God vervloekt, een daad die zijn geweten zijn verdere leven bleef achtervolgen. Kierkegaard werd sterk door zijn zwaarmoedigheid beïnvloed.

Kierkegaard viel op school op doordat hij zich zowel een scherpzinnig denker als een clown betoonde. Hij maakte plichtsgetrouw zijn huiswerk, kon fel debatteren (vaak met een geestige ondertoon), maar vrienden maakte hij niet. Opvallend was dat hij wel goed was in Latijn, maar niet in Deens, een taal waarvan hij een van de latere vernieuwers en autoriteiten is geworden.

In oktober 1830 begon Kierkegaard zijn studie theologie aan de Universiteit van Kopenhagen, nadat hij cum laude door de toelatingsexamens heen was gekomen. Hij toonde interesse in meerdere disciplines en kon zijn grenzeloze nieuwsgierigheid bevredigen in met name de filosofie. De filosofieprofessoren F.C. Sibbern en Poul Martin Møller (een criticus van Hegel) oefenden grote invloed uit op de student, die zich tevens graag mocht mengen in de polemistische en anderszins uitdagende wereld van de studentenvereniging. In deze tijd begon hij ook met zijn eerste beschouwende publicaties, onder andere over de vrouw en de persvrijheid. In juli 1840 rondde Kierkegaard zijn basisstudie af. Op 29 september 1841 verdedigde hij zijn proefschrift Om Begrebet Ironi ("Over het begrip ironie") en behaalde daarmee de titel van magister, vergelijkbaar met de doctorstitel.

Tijdens zijn studie (1837) had hij de negen jaar jongere Regine Olsen leren kennen. Kort na zijn afstuderen zocht Kierkegaard haar op in haar ouderlijk huis. Dit bezoek resulteerde in een verloving, die Kierkegaard na een jaar verbrak. Volledige helderheid omtrent zijn motieven hiervoor is er niet, maar uit diverse dagboeknotities spreekt zijn diepe overtuiging haar nooit gelukkig te kunnen maken. Regine trouwde een aantal jaar later met een andere man; Kierkegaard koos voor het schrijverschap in eenzaamheid. In zijn belevingswereld en dagboeknotities bleef Regine echter de rest van zijn leven een grote, welhaast mythologische rol spelen. Tot zijn dood aan toe was Kierkegaard haar - emotioneel - trouw. Dit blijkt ook uit het feit dat zij de enige erfgenaam was.

De periode 1842-1846 wordt als Kierkegaards filosofische doorbraak gezien. In 1841 was hij naar Berlijn getrokken om colleges te volgen (onder andere bij de beroemde filosoof Friedrich von Schelling, die hem echter volledig teleurstelde) en een nieuw leven te beginnen, ver weg van het toen kleinsteedse Kopenhagen. Men bedenke dat het verbreken van een verloving destijds gold als een echtscheiding; in Kopenhagen was het een schande. In Berlijn vonden de voorbereidingen plaats voor een van zijn bekendste werken: Enten-Eller ("Of-of"). Dit werk, dat verschillende delen bevat die onder meerdere pseudoniemen zijn geschreven, voltooide hij in 1842, terug in Kopenhagen. In snel tempo volgden andere geschriften die later bekend zijn geworden, zoals Vrees en beven, Stadia op de levensweg, Filosofische kruimels en Afsluitend onwetenschappelijk naschrift. De pseudonimiteit en het uitdagende karakter van zijn publicaties maakten hem tot een controversiële persoonlijkheid. In 1845 loofde het plaatselijke satirische tijdschrift Corsaren ("De Vrijbuiter") het werk van Kierkegaard (het gaat om de verdiensten van Victor Eremita, de pseudonieme uitgever van Enten-Eller in vergelijking met werk van anderen) in een recensie; Kierkegaard zelf was daar echter niet van gediend. Hij was toen zelf nog bezig met het Onwetenschappelijk naschrift, maar in 1846 nam hij de pen op en bond zelf onder pseudoniem de strijd aan met Corsaren. Het blad viel voor hem samen met de figuur P.L. Möller. Om deze figuur ging het Kierkegaard dan ook; uiteindelijk 'kreeg' hij hem. Aan het eind van de affaire kon Kierkegaard zich niet meer op straat vertonen zonder uitgejouwd te worden. P.L. Möller was, zoals een tijdgenoot (de bevriende uitgever van Corsaren, Goldschmidt) het zei, vernietigd.

Na 1846 ging Kierkegaard zich meer op stichtelijk-christelijke filosofie toeleggen. Hij stelde de in zijn ogen verwereldlijkte Deense staatskerk aan de kaak (waarbij hij onder andere in conflict raakte met zijn oudere broer, de theoloog Peter Kierkegaard). Ook kwam hij met levenslessen in boeken als Daden van naastenliefde, Oefening in christendom en De ziekte tot de dood, maar tevens in zijn vele dagboeknotities, die postuum zijn uitgegeven.

Hij ontmoette Regine Olsen nog twee keer, die inmiddels met Fritz Schlegel was getrouwd. Nog steeds bleek hij hevige gevoelens te hebben bij haar verschijning. In 1855 lanceerde Kierkegaard een eigen tijdschrift (Øjeblikket, "Het Ogenblik") waarin hij zich wederom met polemische beschouwingen tegenover het officiële christendom uitsprak.

Levenseinde[bewerken]

Kierkegaard belandde in een literair zeer actieve periode, die hem mogelijk uitputte. Aan het eind van deze periode, toen hij openlijk de kerk bekritiseerde, leefde hij steeds meer afgezonderd. Niet langer kon hij zich identificeren met zijn tijdgenoten, die de kerk vaak zagen als Goddelijk gezag. Wel maakte Kierkegaard nog steeds kleine uitstapjes met het paard en wagen, maakte wandelingetjes of bezocht familie. Hij praatte echter over niets anders dan het verderf van de kerk en had geen oor voor verhalen van anderen. Hij sprak vreemden op straat aan op hun gedrag en hun levensvisie en bekritiseerde het daarna vaak. Socrates stond er ook om bekend om mensen voor het blok te zetten en ze midden op straat vaak moeilijke stellingen voor te leggen. Door deze vergelijking werd Kierkegaard in deze tijd ook wel 'de Socrates van Kopenhagen' genoemd.

Op een van zijn kleine wandelingen zakte Kierkegaard plots in elkaar. Hij werd daarna thuis verzorgd door een dokter die hem sterk aanried naar het ziekenhuis te gaan. In het ziekenhuis beland, verslechterde Kierkegaards situatie snel: zijn eetlust verdween en hij sliep veel. In zijn heldere uren kreeg hij geregeld bezoek van familie. Hij weigerde echter zijn eigen broer te ontvangen, omdat hij, zoals hij het zei, geen huichelarij naast zijn bed wilde hebben. Hij weigerde ook de bloemen die hij ontving in het water te zetten, want, zei hij, "Het lot van bloemen is open te gaan, hun geur te verspreiden en dan te sterven".

Op zijn sterfbed viel er een rust over Kierkegaard. Zijn bezoekers konden met hem praten en hij luisterde weer naar anderen. Hij bleef wel een eigenzinnig figuur en sprak veel met een oude vriend die hij veel ontving bij zijn sterfbed. Deze man, Emil Boesen, vroeg hem om nog een keer het Avondmaal te vieren voor hij overleed. Opnieuw weigerde Kierkegaard, omdat dit een instrument van de bureaucratische, winstbeluste kerk zou zijn. Hij stuurde de dominee, die al in het ziekenhuis was, gewoon terug met het brood en de wijn. Hij vroeg zich ook af hoe hij begraven zou worden. Tegen zijn familie zei hij: "Of jullie mij vanuit de kerk begraven of jullie doen het niet, van beide zullen jullie spijt krijgen".

Op datzelfde moment zat de kerk met hetzelfde probleem. Als zij ervoor kozen hem buiten de kerk om te begraven gaven zij hem gelijk in zijn kritiek en zouden ze alles over één kam scheren. Hij had immers ook veel goeds betekend voor God en de christelijke kerk. Zouden ze hem binnen de kerk, dus officieel, begraven dan ging dit tegen Kierkegaards veel gemaakte kritiek tegen deze bezigheden in. Kierkegaard genoot van deze tweestrijd en wist voor hij overleed nog niet hoe hij begraven zou worden. Corsaren maakte ook nog een laatste prent van Kierkegaard waarin hij te zien is als middelpunt van het universum, met het onderschrift 'De Grote Filosoof', dit keer gemeend[bron?] en zo gaven ook zij hem de laatste eer.

Op 11 november 1855 stierf Kierkegaard in het ziekenhuis. Zijn broer Peter nam uiteindelijk de beslissing om hem een kerkelijke bijzetting te geven. Dit gebeurde in een van de voornaamste kerken van Kopenhagen. De kerk zat propvol en zelfs buiten stonden mensen om de denker zijn laatste eer te bewijzen. Vooral arme en simpele mensen die zijn boeken niet eens gelezen hadden kwamen om hem nog een keer te zien. Hoog opgeleiden waren niet aanwezig, met uitzondering van zijn broer Peter, aartsdiaken Tryde en een professor die hij persoonlijk had gekend, Rasmus Nielsen. Studenten waren wel veel aanwezig.

Peter Christian hield de overdenking en zei hierin dat zijn broer herinnerd moest worden om zijn grote daden voor het christelijk geloof. Nooit had hij hiervan afgeweken en het was voor hem de absolute waarheid. Ze moesten verwondering hebben voor Kierkegaards werken maar hem tegelijkertijd vergeven dat hij aan het eind van zijn leven was gaan 'dwalen van de echte leer'. Dit verwees ongetwijfeld naar 'Het Ogenblik' en de literaire werken met commentaar op de kerk. Veel anders kon Peter natuurlijk niet zeggen, met zijn kerk aan de kant van hem en zijn eigen broer aan de andere kant.

Na de dienst, toen de kist al bijna in het graf werd neergelaten, nam zijn arts Lund nog het woord. Hij was verontwaardigd over het gedrag van de kerk na het overlijden van zijn patiënt. Hij zei: "Deze man, die hier vandaag in stijl wordt begraven, alsof hij bij de kerk hoorde, was tijdens zijn leven één van de vurigste tegenstanders van deze zelfde kerk. Ik protesteer er daarom tegen, zowel in zijn als mijn eigen naam, dat men onze aanwezigheid hier beschouwt als een deelnemen aan de eredienst van 'het officiële christendom'. Hij is hier tegen zijn wil naar toegebracht. Ik ben slechts gevolgd om dit feit te constateren. Noch hij noch ik zijn ooit bij een officiële christelijke handeling geweest, nadat we hadden ingezien wat dit officiële christendom inhield." Na deze korte toespraak werd er 'Bravo' geroepen en zelfs 'Weg met de dominees!' Zo werd Kierkegaard alsnog in zijn stijl begraven. (De dokter kreeg hierna van de kerk een boete van 100 rijksdaalders en moest zijn excuus aanbieden.)

Op zijn grafsteen werd de volgende tekst, uitgekozen door Kierkegaard zelf, aangebracht:

Nog een korte tijd,
dan heb ik gewonnen,
dan is de hele strijd
in één keer verzwonden,
dan kan ik rusten gaan
in rozenzalen
en achter elkaar
met mijn Jezus praten.

Filosofie[bewerken]

Volgens Kierkegaard vervreemdt de taal ons van de levende ervaring aangezien ze een abstract gegeven is. Ook is uit zijn werk op te maken dat hij denken en bestaan als twee verschillende dingen ziet. Kierkegaard vindt namelijk dat bestaan niet gedacht, maar geleefd moet worden. Dit betekent volgens hem niet dat de twee niets met elkaar te maken hebben. Bestaan gaat zelfs nauw samen met existentieel denken, het moet ervan doorregen zijn. Kierkegaard geeft in dit opzicht een nieuwe betekenis aan Hegels term "synthese". Beter is het daarom misschien te spreken van het Deense begrip "Sammensætning". Het "krachtens het absurde" krijgt hier zijn beslag. De waarheid is een samen-stelling van onverbindbaarheden, die desondanks zijn samen-gesteld. Het geloof krachtens het absurde is dan ook de diepste werkelijkheid en volgens Johannes de Silentio hoogst haalbare voor een mens. Het geloof is echter niet door de mens zelf te bewerken. God zelf moet daar als instantie bij.

Kierkegaard onderscheidt hierbij twee soorten denken:

Het eerste is objectief denken: het is onverschillig tegenover bestaansvragen en bestaat uit objectieve waarheden (waarheden als "1 + 1 = 2" en "een groot deel van Nederland ligt onder zeeniveau").
Het tweede is subjectief denken: het bezit geen objectieve waarheid (zo kun je bijvoorbeeld beweren dat het niet goed is om een mens dwars te zitten, maar kun je dit niet onderbouwen met waarheden, het is namelijk een waarde).

Mensen besteden volgens Kierkegaard hun leven aan onbeduidende gedachten (zoals: "Zit mijn haar wel goed?") en zinloze ondernemingen (zoals: 'het doen van 'leuke dingen"). Dit keurt hij ten zeerste af; hij denkt dat de mens is opgebouwd uit allemaal subjectieve waarheden. Als men deze ontdekt, wordt het leven echter en dieper.

Werkelijkheid bestaat, vindt Kierkegaard, maar is niet uit te drukken in een taal, omdat we er dan meteen subjectieve, abstracte waarden aan verbinden.

Het boek "Enten-Eller" ("Of-of") is een voorbeeld van directe kritiek van Kierkegaard op Hegel. Hij gaf Hegel er de schuld van dat het intellectuele leven van een hele generatie ontmenselijkt was. De oorzaak hiervan vond Kierkegaard in het feit dat Hegel de oer-logica van Aristoteles had aangepast.

Hij wees niet alleen de Hegeliaanse filosofie van zijn tijd af, maar ook de - in zijn ogen - lege vormelijkheid van de Deense kerk.

"Afsluttende uvidenskabelig efterskrift" (1845-1846; Afsluitend onwetenschappelijk naschrift) wordt beschouwd als een van de beste werken van Søren Kierkegaard.

Met zijn literatuur wilde Kierkegaard de lezer een spiegel voorhouden die, "wanneer een aap er in kijkt, geen apostel reflecteert". Zijn specifieke existentialisme laat zich illustreren aan het volgende citaat:

"Het is allemaal waar wat de filosofie zegt: het leven moet achterwaarts worden begrepen. Maar dan vergeet men de tweede zin: dat het voorwaarts moet worden geleefd. Wat een zin. Hoe diep je er ook over nadenkt, uiteindelijk is het zo dat het leven tijdens het aardse nooit helemaal wordt begrepen, juist omdat ik nooit volledige rust kan krijgen om die positie in te nemen: achterwaarts".

Kierkegaard wordt algemeen gezien als de eerste existentialistische filosoof. Recentelijk echter worden er andere stemmen hoorbaar, die Kierkegaard in zijn historische context willen begrijpen en niet langer willen interpreteren vanuit de existentialistische beweging, die zich misschien onterecht op hem heeft beroepen (Stewart, J. (ed.) 2003). Een goede start om het werk van Kierkegaard te leren kennen is zijn boek "Oefening in christendom". Het verdient aanbeveling om zich de Deense taal eigen te maken om de subtiliteiten van Kierkegaards uitweidingen te kunnen waarderen.

Pseudoniemen (niet volledig)[bewerken]

  • Johannes de Silentio
  • Johannes Climacus
  • Anti-Climacus
  • Victor Eremita
  • Hilarius Bogbinder
  • Frater Taciturnus
  • Vigilius Haufniensis
  • Constantin Constantius

Literatuur[bewerken]

  • Jens Staubrand: KIERKEGAARD - International Bibliography Music Works and Plays, Copenhagen 2009. In English and Danish. ISBN 978 87 92510 05 1
  • Jens Staubrand: Søren Kierkegaard’s Illness and Death / Søren Kierkegaards Sygdom og Død, Copenhagen 2009. In English and Danish. ISBN 978 87 92510 04 4
  • KIERKEGAARD Den første Kærlighed og andre tekster om drama, ved Jens Staubrand [Kierkegaard The first Love, and other texts on drama – the book is in Danish], Copenhagen 2010. ISBN 978 87 92510 00 6
  • Stewart, J. (ed.) Kierkegaard and his Contemporaries, DeGruyter: Berlin New York 2003
  • Vos, Pieter. De troost van het ogenblik. Kierkegaard over God en het lijden, Ten Have: Baarn 2002
  • Lansink, Cyril. Vrijheid en ironie. Kierkegaards ethiek van de zelfwording, Damon: Budel 1997
  • Taels, Johan. Søren Kierkegaard als filosoof: de weg terug naar het subject, Universitaire Pers: Leuven 1991
  • Scholtens, Wim R. Kierkegaards werken: een inleiding, Ten Have: Baarn 1988
Wikiquote Wikiquote heeft een of meer citaten gerelateerd aan Søren Kierkegaard.