Tétouan

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Tétouan
تطوان
Plaats in Marokko Vlag van Marokko
Tétouan
Tétouan
Situering
Regio Tanger-Tétouan
Provincie Tétouan
Coördinaten 35° 34' NB, 5° 22' WL
Algemeen
Inwoners (2004) 320.539
Hoogte 90 m
Foto's
Zicht op Tétouan
Zicht op Tétouan
Portaal  Portaalicoon   Afrika
Tetouan 3nl.jpg
Medina van Tétouan (voormalig Titawin)
Werelderfgoed cultuur
Tetuan vista desde un tejado.JPG
Land Vlag van Marokko Marokko
UNESCO-regio Arabische Staten
Criteria ii, iv, v
Inschrijvingsverloop
UNESCO-volgnr. 837
Inschrijving 1997 (21e sessie)
UNESCO-werelderfgoedlijst

Tétouan is de hoofdstad van de gelijknamige prefectuur Tétouan in het noorden van Marokko en het culturele centrum van de regio Tanger-Tétouan. Tétouan heeft 320.539 inwoners (2004[1]).

De stad ligt ongeveer 60 kilometer ten oosten van de stad Tanger en ook niet ver van Ceuta en de Straat van Gibraltar. Zij bevindt zich in het uiterste noorden van het Rifgebergte. In het zuiden en westen van de stad zijn bergen.

Etymologie[bewerken]

De naam komt van het Berberse Tittawen wat letterlijk de ogen en figuurlijk de bronnen betekent. Het is een veel voorkomende plaatsnaam in Marokko en Noord-Afrika, vooral in haar enkelvoudige vorm Tit. Zie ook de Tunesische stad Tataouine.

Geschiedenis van Tétouan[bewerken]

De stad kent haar oorsprong in de stichting van het nabij gelegen Tamuda in de 3e eeuw voor Christus door de Mauretaniërs. Onder de Romeinen zou het zich ontwikkelen tot een van de belangrijkere steden van Romeins Marokko.

De exacte datum van de stichting van Tetouan is niet duidelijk. De naam wordt niet genoemd in vroege Arabische bronnen met betrekking tot de islamitische verovering van Marokko. Toen de Arabieren in dit gebied aankwamen, werd het vanuit Ceuta geregeerd door ene Julian, een onderdaan van de Visigoten. De bronnen melden dat de regio bevolkt werd door Ghomara stammen. De stad wordt voor het eerst genoemd in teksten uit de 9e eeuw, als het Marokkaanse rijk van de Idrisiden wordt opgesplitst en verdeeld onder de kinderen van Idris II. Bekend is dat zijn zoon Al-Kasim dan heerst over Ceuta, Kasr Masmuda (Ksar es-Seghir), Hadjar Al-Nasr en Tetouan, met als hoofdstad Tanger. Tetouan moet in deze periode niet meer dan een dorp zijn geweest.

In 953 deed de Fatimiden generaal Djawdhar een poging om de stad in te nemen, wat mislukte. Onder leiding van de generaal Bullughin ibn Ziri kwamen de Fatimiden in 979 tot aan de bergen buiten Tetouan, maar besloten om het niet aan te vallen. In de 11e eeuw omschreef Al-Bakri Tetouan als de hoofdstad van de Banu Sikkin, een substam van de Masmuda. Tetouan was imiddels uitgegroeid tot een klein stadje, met een oude citadel en een moskee met minaret. In de 12e eeuw speelt Tetouan een rol in de oorlogen tussen de Almoraviden en de Almohaden: de Almoraviden gebruikten Tetouan als kamp voor hun veldtochten door het Rifgebergte. De bekende schrijver Muhammad al-Idrisi merkt in deze periode op dat het stadje het centrum is van de Madjaksa Berbers.

De werkelijke stichting van de stad Tétouan vond plaats in 1305 door de Meriniden sultan Abou Tabit, die dan begint aan een grootschalig bouwproject in de stad. Zijn vader Abu Yusuf Yaqub had er in 1286 al een belangrijke militaire versterking laten bouwen. Deze was bedoelt als uitvalbasis naar Ceuta, dat kort daarvoor bezet was door Uthman ibn Idris, een door de Nasriden van Spanje gesteunde troonpretendent. In 1350 kwam de stad in handen van een rebels lid van het Meriniden huis. In 1399 werd de stad, die een toevluchtsoord voor piraten was geworden, door de Spanjaarden geplunderd onder leiding van de Castiliaanse koning Hendrik III.

Vanaf 1483 werd de stad echter weer opgebouwd door Moren die vanwege de inquisitie uit Granada waren gevlucht. Volgens de historicus Skirej, was het in 1483 dat 80 Andalusiërs zich in de stad vestigden en begonnen met de bouw van woningen. Die Andalusiërs werden echter aangevallen door leden van de Beni Hozmar stam (die nog steeds het gebied rondom Tetouan bevolkt), waarna zij een beroep deden op de Wattasiden sultan. Deze stuurde vervolgens 80 soldaten (40 Fessies en 40 Riffijnen) om de Andalusiërs te beschermen tegen de aanvallen. De sultan doneerde ook een geldbedrag van 40.000 mithqal ten behoeve van de herbouw. In 1501 en 1502 zag de stad meer vluchtelingen uit Spanje komen. De Andalusiërs stonden onder leiding van Abu Hassan al-Mandari, onder wiens leiderschap de Spaanse moslims (vergezeld door stammen uit het Rif) de Portugese bezittingen van Tanger, Ksar el-Seghir en Larache begonnen aan te vallen.

Dit was voor de Spaanse koning Fillips II aanleiding om in 1565 de haven van Tétouan te verwoesten. Gedurende deze periode was de stad semi-onafhankelijk van de sultans der Wattasiden, met de Andalusiër Abu Hassan al-Mandari als bestuurder. Met de dood van al-Mandari ging de stad een turbulente periode in, gekenmerkt door de drang naar autonomie van de inwoners en pogingen van de Saadi-sultans om hun wil op te leggen aan de inwoners. In de 17e eeuw werd de Tetouani politiek gedomineerd door de rijke al-Naksis familie.

In de late 17e eeuw werd hun macht echter definitief gebroken door sultan Moulay Ismael, waarna het bestuur van de stad in handen kwam van een Riffijnse familie uit Tanger. Hoewel de stedelingen de dominantie van Tanger in eerste instantie hevig bevochten, lukte het de gouverneur (of basha) van Tanger, Ahmad al-Rifi, om de stad in 1713 definitief in handen te krijgen. Onder zijn bewind vonden een groot aantal bouwprojecten plaats, waaronder de Al Basha moskee (de oudste nog staande in Tétouan) en een aantal weelderige paleizen, waarvan de bekendste het Mechouar paleis is. Met zijn dood in 1743 keerde de onrust terug.

In 1790 vond er een pogrom plaats in de stad, gestart door Sultan Yazid. De joodse wijk werd geplunderd en veel vrouwen verkracht.[2]

In 1913 werd Tétouan de hoofdstad van Spaans-Marokko, het door Spanje gekolonialiseerde deel van Marokko, en bleef dit tot 1956. De stad Tétouan werd heroverd in 1921 en in 1927 werd ze door Spanje bezet tot 1956. Veel mensen spreken hier nog Spaans. Sinds de onafhankelijkheid (1956) is Tétouan het bestuurscentrum van de gelijknamige prefectuur.

Tétouan is door de jaren heen zowel geliefd als gehaat door het bestuurlijk wezen in Marokko. Geliefd vanwege de mooie kust waar tal van belangrijke overheidslieden vakantieresidenties lieten bouwen. Gehaat vanwege onder andere de volksopstand van 1984, die in Tétouan, Nador en Al Hoceima bloedig werd neergeslagen door de handhavende macht. De privatiseringen en de afschaffing van sociale toelagen bijvoorbeeld waren een harde slag voor het levensniveau van de werkende massa, zowel op het land als in de steden.

Ook heeft er in 1972 een aanslag op het leven van wijlen koning Hassan II plaatsgevonden in het luchtruim boven Tétouan. Het vliegtuig van de koning werd door twee van de hem begeleidende vliegtuigen van de Marokkaanse luchtmacht beschoten. Deze staatsgreep, waarbij straaljagers van de Koninklijke Marokkaanse luchtmacht het vuur openden op het vliegtuig van de koning toen hij op weg terug was naar Rabat, vond plaats op bevel van generaal Oufkir, in die tijd de rechterhand van de koning. De Marokkaanse media repten hier met geen woord over waardoor heel Marokko afstemde op met name de Algerijnse radio. Pas na drie dagen toonde het journaal van de Marokkaanse televisie beelden van de aankomst van de zojuist beschoten Hassan II op het vliegveld van Rabat, die als een robot langs de zijn handen kussende officials liep. De koning overleefde de aanslag destijds door zich via radiocontact met de hem beschietende vliegtuigen voor te doen als ´de boordwerktuigkundige´. Hij vertelde met verdraaide stem aan de piloten dat de koning dood zou zijn, en of ze de rest ´alsjeblieft wilden laten leven´. Waarna de beschieting stopte.

De provincie Tétouan heeft ruim 370.000 duizend inwoners, en ligt in de Jebel, de westelijke uitloper van het Rifgebergte, aan de voet van de berg Darsa. De bevolking spreekt het zogenaamde niet-Hilali, of niet-bedoeine, dialect van het Darija (het Marokkaans-Arabisch) maar kenmerkt zichzelf door een accent dat typerend is voor Noord-Marokko (Tanger, Chefchaouen, Asilah en Larache). Zo wordt er met een rollende R gesproken en wordt de letter K (diepe K vanuit de keel) dikwijls ingeslikt. Veel mensen hebben er een Andalusische achtergrond. Er zijn nog steeds Tetouani families die Spaanse achternamen dragen. Dit zijn families die afstammen van de Moriscos, moslims die in 1609 door de Spanjaarden uit Spanje werden gezet richting Marokko. De stad heeft verder een belangrijke Riffijnse gemeenschap. Ook wonen er ook nog talrijke families van Algerijnse origine, die zich in 1830 hebben gevestigd uit Oran. De meerderheid van Tetouan bestaat uit Jabala (of Jbala), bewoners van het westelijke Rifgebergte. Deze mensen stammen af van de stammen die rond Tetouan wonen, bijvoorbeeld Bni Aross, Ahl Sherif, Anjra, Bni Hozmar en Bni Akhmass. Tetouan wordt hierdoor ook gezien als de hoofdstad van de Jabala.[bron?]

Tussen Ceuta en Tétouan liggen enkele van de mooiste stranden van de Marokkaanse Middellandse Zeekust. Aan de zandstranden van Cabo-Negro, M’diq (Rinkon), Restinga Smir, Kasr Ramil, Marina Smir, Marina Beach, Kabilla, Al Amin en Almina staan zowel luxehotels als bungalowparken. Onder het bewind van de sinds 1999 aangetreden koning Mohammed VI (in de volksmond ook wel M6 genoemd) zijn er grote investeringen gedaan in Tétouan, dat een geliefd vakantieoord is voor de koning en zijn familie. Met name de infrastructuur is aanzienlijk verbeterd. Het straatbeeld in de zomermaanden (juli en augustus) verschilt aanzienlijk met hoe de stad er de rest van het jaar bijligt. In de zomer wordt Tétouan overspoeld door vakantiegangers uit Europa (met name Marokkaanse immigranten en hun kinderen en kleinkinderen) en door vakantiegangers uit Marokko zelf vanuit andere steden als Casablanca, Rabat en Fez. Wanneer de vakantiegangers weer zijn weggetrokken en de huizen weer leeg worden achtergelaten is Tétouan eigenlijk op zijn mooist. Schoon, rustig en groen.

Een leuk feitje is dat de plaatselijke voetbalclub Moghreb Athletic Tétouan (MAT) het sinds een paar jaar erg goed doet in de Marokkaanse competitie, in elk geval aanzienlijk beter dan de andere Noord-Marokkaanse voetbalclubs. Tijdens de periode van het Spaanse protectoraat in het noorden van Marokko won Atlético Tetouán in 1950 de zuidelijke groep van de Segunda División en promoveerde daardoor naar de Primera División, de hoogste Spaanse divisie. Het seizoen 1950/1951 was het enige jaar op het hoogste niveau. Ook speelden er anno 2007 vier Nederlandse Marokkanen. Te weten Bilal El Yacoubi (ex-Ajax, -NAC Breda en -PSV), Bilal Chedidi (ex-FC Omniworld), Jamal Akachar (ex-Ajax en -Cambuur) en Jamal Dibi (ex-AZ, -Haarlem, -Telstar en -FC Omniworld).

Bezienswaardigheden in en rond Tétouan[bewerken]

  • medina
    • De medina (oude stad) van Tétouan staat op de Werelderfgoedlijst van de UNESCO. De binnenstad is zeer karakteristiek en traditioneel. Men vindt hier bijvoorbeeld veel oude witte huizen, enkel laagbouw (zie foto). Overal in de stad ziet men mensen die oude ambachten beoefenen, zoals wevers, juweliers en leerbewerkers. Toeristen probeert men hier ook vaak tapijten te verkopen. Verder lopen er veel dieren rond in de medina.
  • kasba
  • moskeeën
  • musea in de oude medina
  • stranden

Wetenswaardigheid[bewerken]

Geboren[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Census 2 september 2004 (via citypopulation.de)
  2. Norman A. Stilman (1979) The Jews of Arab Lands. A History and Source Book.