Thrinaxodon

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Thrinaxodon
Fossiel voorkomen: Vroeg-Trias
Hoewel op deze tekening te zien, was het onwaarschijnlijk dat Thrinaxodon pinnae (uitwendige oren) had.
Hoewel op deze tekening te zien, was het onwaarschijnlijk dat Thrinaxodon pinnae (uitwendige oren) had.
Taxonomische indeling
Rijk: Animalia (Dieren)
Stam: Chordata (Chordadieren)
Klasse: Reptilia (Reptielen)
Onderklasse: Synapsida
Orde: Therapsida
Onderorde: Cynodontia
Familie: Galesauridae
Geslacht
Thrinaxodon
Seeley, 1894
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Herpetologie

Thrinaxodon is een cynodont behorend tot de familie Galesauridae. Fossielen van Thrinaxodon dateren uit het Vroeg-Trias.

Uiterlijk en leefwijze[bewerken]

Thrinaxodon was met een lengte van circa 50 cm ongeveer zo groot als een kat, stevig gebouwd en waarschijnlijk een omnivoor met een voorkeur voor vlees. Het dier voedde zich vermoedelijk met name met ongewervelde dieren, kleine diapside reptielen en kleinere dicynodonten. Mogelijk dat Thrinaxodon in groepen joeg om grotere dieren zoals Lystrosaurus. Thrinaxodon bracht een deel van de tijd door in holen. Gefossileerde holen, waarvan een aantal met een Thrinaxodon erin, zijn gevonden in Zuid-Afrika en Antarctica. [1] [2]

Overgangsvorm[bewerken]

Thrinaxodon wordt gezien als een belangrijke overgangsvorm tussen de meer reptielachtige cynodonten en therapsiden in het algemeen en de zoogdieren, aangezien dit dier over een aantal zoogdierachtige kenmerken beschikt. Een belangrijk zoogdierachtig kenmerk waren de tanden, die reeds gedifferentieerd waren tot kiezen, snij- en hoektanden. Dit zorgt er voor dat voedsel zeer fijn vermalen kan worden alvorens het in te slikken. Hierdoor is al een groot deel van het vermalingsproces volbracht, zodat het maagdarmstelsel zich vooral kan toeleggen op de verdere vertering en opname van voedingsstoffen. Aangezien warmbloedigheid veel meer energie kost dan koudbloedigheid, doet deze ontwikkeling van het gebit warmbloedigheid vermoeden. De meeste reptielen hebben gewoonlijk een uniform gebit, dus met slechts één type tanden. Het synapside temporale venster bood plaats aan de aanhechting van gedifferentieerde kaakspieren. Een ander zoogdierachtig kenmerk was de aanwezigheid van een secundair benig gehemelte die de neusholte van de mondholte scheidt, waardoor Thrinaxodon tegelijkertijd kon eten en ademen. Een dergelijke aanpassing wordt voor het eerst gezien bij Thrinaxodon. Thrinaxodon is het eerste dier in het fossielenbestand waarvan de ribben gereduceerd zijn tot de borstkas. De afwezigheid van buikribben wijst op de aanwezigheid van een middenrif en op een ademhaling die overeenkomt met die van zoogdieren. Door deze aanpassing kon de ademhaling effectiever verlopen, wat past bij een warmbloedig bestaan. Verder wordt verondersteld dat Thrinaxodon beharing had. Haren fossiliseren normaal gesproken niet, enkele uitzonderingen daargelaten, maar kanaaltjes in het neusbeen wijzen op de aanwezigheid van bloedvaten en zenuwen, die samenhangen met de aanwezigheid van snorharen. Snorharen zijn gespecialiseerde haren en het is dus aannemelijk dat er al een echte vacht was ontwikkeld.

Warmbloedig?[bewerken]

Op basis van de eigenschappen van Thrinaxodon wordt warmbloedigheid veronderstelt bij alle Triassische cynodonten. Thrinaxodon legde waarschijnlijk eieren, net als de primitieve zoogdieren. Of dit dier in het bezit was van melkklieren voor het zogen van de jongen is niet bekend. Thrinaxodon was een snelle renner gezien de bouw van de poten. De sterke achterpoten stonden recht onder het lichaam. Het hielbeen had zich bij Thrinaxodon ontwikkeld en door middel van sterke pezen werkte dit botstuk als een hefboom zodat de voeten van de grond kwamen bij het lopen. Alle tenen hadden dezelfde lengte, waardoor het lichaamsgewicht gelijk verdeeld werd. Thrinaxodon had ook nog enkele reptielachtige eigenschappen, waaronder een typisch reptielachtige rug. Het belangrijkste reptielachtige kenmerk was een onderkaak die uit meerdere botten bestond. Bij echte zoogdieren bestaat de onderkaak alleen nog uit de mandibula en hebben de andere kaakbeenderen zich ontwikkeld tot de gehoorbeentjes incus en malleus. Bij Thrinaxodon en de cynodonten in het algemeen was de mandibula wel al het grootste bot in de onderkaak, maar was de ontwikkeling van de gehoorbeentjesketen nog in gang. Deze ontwikkeling betekende een sterke verbetering van het gehoor en de toegenomen auditieve input maakte toename van het hersenvolume noodzakelijk. Naast de auditieve hersengebieden namen ook de olfactoire hersengebieden in omvang toe. De schedelinhoud van de cynodonten is dan ook duidelijk toegenomen in vergelijking met andere therapsiden. Thrinaxodon had zeven nekwervels, net als vrijwel alle zoogdieren. [3] [4] [5] [6] [7] [8] [9]

Vondsten[bewerken]

Thrinaxodon werd in 1894 beschreven door Harry Seeley. Fossielen van Thrinaxodon zijn gevonden in de Balfourformatie en de Katbergformatie van de Beaufortgroep in de Zuid-Afrikaanse Karoo Beds (T. liorhinus), de Fremouw-formatie in Antarctica (T. liorhinus) en de Panchetformatie in India (T. bengalensis), in gesteentelagen die uit het Indien (251-249.7 mjg) dateren. In 1987 beschreef José Bonaparte bovendien T. brasiliensis op basis van fossielen uit de Formação Santa María in Brazilië, maar later vond een revisie plaats en werd de vondst hernoemd naar Prozostrodon. [10] [11] [12] [13] [14]

Classificatie[bewerken]

Thrinaxodon wordt binnen de Cynodontia ingedeeld bij de familie Galesauridae of in een eigen familie, de Thrinaxodontidae. De Galesauridae vormen samen met de Eucynodontia de Epicynodontia, een subgroep die alle Triassische cynodonten omvat. De Galesauridae ontwikkelden zich in het Laat-Perm of Vroeg-Trias uit de procynosuchiden. Aan het einde van het Vroeg-Trias stierven de galesauriërs uit en werden vervangen door Cynognathus.

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Tetrapod burrows from the Triassic of Antarctica. Sidor CA, Miller MF & Isbell JL. Journal of Vertebrate Paleontology; 2008; 28: pp. 277-284.
  2. Earliest evidence of cynodont burrowing. Ross Damiani R, Modesto S, Yates A & Neveling J. Proceedings of the Royal Society London; 2003; 270: pp. 1747-1751.
  3. De geïllustreerde encyclopedie van dinosauriërs en prehistorische dieren. D Palmer & B Cox. Second Edition; Könemann, 2000; p. 192.
  4. Vertebrate Palaeontology. MJ Benton. Third Edition; Blackwell Publishing, 2005; pp. 289-296.
  5. Complete Guide to Prehistoric Life. T Haines & P Chambers. First Edition; BBC Books, 2005; p. 69.
  6. De evolutie van de zoogdierachtige reptilen naar zoogdieren. April 2004. De voorouders van de zoogdieren: over de synapside reptielen en de evolutionaire lijn die hun resten in het fossielenbestand vertonen. NaDarwin.nl; 2005.
  7. Kheper.net: The Cynodont Radiation.
  8. Thrinaxodon. Dykes T. Mesozoic Eucynodonts (home.arcor.de/ktdykes).
  9. Growth patterns of Thrinaxodon liorhinus, a non-mammalian cynodont from the Lower Triassic of South Africa. Botha J & Chinsamy A. Palaeontology; 2005; Volume 48; Part 2: pp. 385-394.
  10. Fossil Reptiles of the South African Karoo. (http://museums.org.za/sam/resource/palaeo/cluver/first.htm)
  11. The Permian-Triassic Transition: Think global, die local. Dykes T. Mesozoic Eucynodonts (home.arcor.de/ktdykes).
  12. A new therioherpetid cynodont from the Santa Maria Formation (middle Late Triassic), southern Brazil. Abdala F & Ribeiro AM. Geodiversitas; 2000; 22 (4): pp. 589-596.
  13. Distribution and diversity patterns of Triassic cynodonts (Therapsida, Cynodontia) in Gondwana. Abdala F & Ribeiro AM. Palaeogeography, Palaeoclimatology, Palaeoecology; January 2010; 286: pp. 202–217.
  14. Gondwana vertebrate faunas of India. Bandyopadhyay S. Pinsa; May 1999; 65; Number 3: pp. 285-313.