Jan de Lichte (bendeleider)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Jan de Lichte zoals verbeeld door Roel D'Haese

Jan de Lichte (Velzeke, gedoopt 7 april 1723 - Aalst, 14 november 1748) was een Vlaams (Zuid-Nederlands) crimineel en bendeleider. Gedreven door armoede en gebrek tegen de achtergrond van de Oostenrijkse Successieoorlog ging hij samen met kameraden over tot diefstallen, overvallen en uiteindelijk moord. Na een klopjacht werd hij door de Franse bezettingsmacht gearresteerd en terechtgesteld door radbraken.

Het optreden van de bende en haar einde vormden de inspiratiebron van legenden en volkssagen. Tegenwoordig is Jan de Lichte ook bekend door Louis Paul Boons literaire interpretatie in zijn boek De bende van Jan de Lichte.

Levensloop[bewerken]

Een bestaan in de marge[bewerken]

Jan de Lichte werd in 1723 geboren nabij de Driesmolen in Velzeke in het marginale gezin van Judocus (of Joseph) de Lichte en Elisabeth de Schepper.[1] Zijn ouders waren toen al op middelbare leeftijd.[2] Voor hun levensonderhoud dienden zij een beroep te doen op de Tafel van de Heilige Geest, het armenbestuur. Jans ouders en andere familieleden, zoals zijn oudere broer Pieter de Lichte en zijn oom Joannes de Schepper, liepen veroordelingen op wegens diefstal.

Jan was een snoever, driftig en belust op bravoure.[3] Vermoedelijk als uitweg uit de armoede nam de jonge Jan dienst in het Oostenrijkse, vervolgens het Hollandse leger, om telkens kort daarop te deserteren. In 1740 pleegde hij zijn eerste diefstallen in Dikkele en Strijpen. Al gauw trok hij op met andere armoedzaaiers en landlopers, die men overal langs Vlaamse wegen tegenkwam.

In 1743 werd de eerste geweldpleging van Jan de Lichte genoteerd, toen hij met een pistool op bedevaarders aan de kapel van Onze-Lieve-Vrouw van Deinsbeke (Zottegem) schoot.

Ten gevolge van de Oostenrijkse successieoorlog vielen in 1745 de Franse troepen de Oostenrijkse Nederlanden binnen. Het Land van Aalst, dat ongeveer overeenkomt met het huidige Arrondissement Aalst, had toen ongeveer 125.000 inwoners. Plots moest het de 52.000 soldaten van het Franse leger voeden. De levensomstandigheden werden hierna nog harder.

De bende[bewerken]

De "bende" was geen gestructureerde organisatie, maar een losvast samenwerkingsverband van rabauwen, zigeuners en andere klassenlozen die nu eens met de ene, dan weer met de andere een slag sloegen. De rondtrekkende dieven stalen in afgelegen hoeves, in windmolens, smidsen, kortom bij de gewone man. De buit bestond vooral uit kleding, die werd doorverkocht aan helers, en voedingswaren voor eigen gebruik. Geld werd er nauwelijks buitgemaakt: dat was er niet te vinden. Misdaden waren doorgaans weinig heroïsch, zo werden Jan de Lichte en zijn kornuiten in 1747 bij een poging tot roofoverval met succes verjaagd.

Er waren verschillende kernen actief. De echt zware jongens zaten in de groep van Jan de Lichte. Deze opereerde vooral in de streek tussen Zottegem en Geraardsbergen en was vooral actief vanaf 1747. De groep bestond onder meer uit Francis van der Geenst ("Tincke"), Francis van den Haute ("Abeel"), Anthone van der Gucht ("Tone den Breteur"), Jan Savoye ("Klein Janneken"), Francis Meulenaere, Adriaan Vagenende, de broers Jean en Jacques Couvreur, Lieven Faviel, Jan de Vrieze, Gillis van der Elst, en Simon Ysenbaert. Er is in de historische bronnen geen indicatie dat Jan de Lichte echt de leider was.

De bandieten hielden zich schuil in oorden als het Raspaillebos en maakten hun buit te gelde in herbergen als De Honger in Sint-Maria-Oudenhove en De Paling in Aspelare. Tussen elkaar ontstonden er echter dikwijls conflicten, over de verdeling van de buit of over de aanspraken op de vrouwen waar ze ongehuwd mee samenwoonden.

Escalatie van het geweld[bewerken]

Op derde Pinksterdag 1748 (2 juni) hielden Jan de Lichte en de andere kopstukken zich onledig met het spelen van krulbol in een herberg te Scheldewindeke. Er ontstond een twist met Jan de Vrieze, die ontaardde in een handgemeen. Jan de Lichte stak hierbij De Vrieze met een mes in de buik. De Lichtes kompanen Vagenende en Meulenaere sleepten het lijk honderd passen verder en gooiden het in een poel, niet zonder het eerst te hebben ontkleed. Bij zijn arrestatie droeg Meulenaere nog de kleren van het slachtoffer.

Op dat ogenblik lijkt zich een knop omgedraaid te hebben in het hoofd van Jan de Lichte en dreef hij het geweld tegen zijn voormalige kameraden op. Gillis van der Elst werd vermoord te Bavegem. Met pistoolschoten in de rug trachtte De Lichte zich van zijn rivalen Tincke en Pieter van de Putte te ontdoen. In de nacht van 30 op 31 juli bracht hij de onschuldige Jan Dossche, die hem bij het inbreken had betrapt, met een pistoolschot om het leven. In de nacht van 15 op 16 augustus werd te Grammene Marie-Anne de Smet door De Lichte en Vagenende vermoord met messteken en pistoolschoten.

Einde van Jan de Lichte en de bende[bewerken]

De executie van Jan de Lichte op de Grote Markt van Aalst

Na de val van Maastricht (7 mei 1748) kwam er een wapenstilstand in de Oostenrijkse Successieoorlog, waardoor de Franse bezettingsmacht zijn aandacht kon richten op de brigands die het land onveilig maakten. Op 28 september 1748 werd een klopjacht georganiseerd waarbij alle inwoners van de kasselrijen Kortrijk, Aalst, Dendermonde en Oudenaarde werden opgeroepen om iedereen zonder geldige papieren of vaste verblijfplaats op te pakken. Circa 130 personen werden opgepakt. Sommigen werden opgesloten in het Belfort van Aalst, maar wegens het grote aantal van de arrestanten werden er ook gevangengezet in de lokalen van de rederijkers van Sint-Barbara en Sint-Catharina.

Van 7 oktober tot 14 december 1748 werden iets meer dan 100 personen veroordeeld. De straffen werden dezelfde dag of daags nadien uitgevoerd.

Op 14 november 1748 om half twaalf werd Jan de Lichte door radbraken geëxecuteerd. Deze straf, weinig gezien in de Nederlanden, was bedoeld om de veroordeelde elke kans op opstanding op de Dag des oordeels te ontnemen. Vier andere moordenaars (Simon Ysenbaert, Lieven Faviel, Augustijn Hendricx, Jan de Priester) ondergingen hetzelfde lot. 17 anderen werden opgehangen; de vrouwen en helers werden doorgaans gegeseld en verbannen. 11 bendeleden die tijdig hadden te weten ontkomen, werden bij verstek ter dood veroordeeld.

Volksoverlevering[bewerken]

In de volksoverlevering groeide Jan de Lichte uit tot een schrikbarende roverhoofdman en de bende werd "zijn" bende. In de volkssagen wordt het historische personage Jan de Lichte vermengd met andere bandieten, zoals de Bokkenrijders (actief in het Maasland), en de binders en voetbranders[4] (actief tijdens de Franse Revolutie).

Volgens een onderzoek dat werd afgerond in 1967 waren er toen nog in minstens 35 Oost-Vlaamse gemeenten verhalen over Jan de Lichte en zijn bende.

Sommige verhalen illustreren de wreedheid van de bendeleider: in een op verschillende plaatsen terugkerend verhaal zou hij bijvoorbeeld een slapende tingieter kokende tin in de mond hebben gegoten.[5][6] In andere verhalen komt de arrestatie van Jan de Lichte aan bod: tijdens de klopjacht zou hij zich verscholen hebben in een holle boom en werd hij verraden door een blaffende hond. Ten slotte zijn er diverse uiteenlopende versies van zijn laatste woorden voor zijn terechtstelling.

Literaire interpretaties[bewerken]

De Wetterense gemeentesecretaris E. Ternest publiceerde in 1874 Jan de Lichte en zijne bende. Dit was een zogenaamd volksboek dat met zijn sensationele inhoud en geschreven in de toegankelijke volkstaal, gretig aftrek vond. Ternests werk zou de inspiratiebron worden van de volgende bewerkingen.

De volksschrijver Abraham Hans publiceerde in 1908 onder het pseudoniem Hans Van Horenbeek de schelmenroman Jan de Lichte en zijn zwarte rooversbende.

Louis Paul Boon gebruikte in zijn roman De bende van Jan de Lichte (1957) elementen van de schelmenroman, maar in zijn versie wordt Jan de Lichte in plaats van een ordinaire bandiet tot een idealist, een anarchist of vrijheidsstrijder, die het niet enkel gemunt heeft op de Franse bezetters, maar een revolutie van de klassenlozen tegen de gevestigde orde wil ontketenen. Deze versie had zodanig succes dat er een vervolg kwam (De zoon van Jan de Lichte). Het boek werd bewerkt tot onder meer een toneelstuk door Pieter de Prins, een musical door Wim De Craene en een stripreeks door Nagel.[7] Deze romantische voorstelling bezorgde hem de bijnaam "de Vlaamse Robin Hood."

Historicus Danny Lamarcq schreef een meer bij de historische werkelijkheid aanleunende monoloog. Anton Cogen gebruikte fragmenten hiervan voor een scenario bij de Jan de Lichtepad tussen Velzeke en Zottegem.[8]

Naar aanleiding van de onthulling van het standbeeld in 1981 publiceerde Hugo Claus de gedichtencyclus Jan de Lichte, met een lithografie van Roel D'Haese. Wannes Van de Velde vertolkte het slot van deze cyclus, het Gebed van Jan de Lichte, in 1990 in het Antwerps op zijn album De zwarte rivier.[9]

Standbeeld[bewerken]

Het standbeeld aan het Antwerpse Justitiepaleis

Na de dood van Boon in 1979 wilde het Louis Paul Boon-genootschap een hommage voor de schrijver en gaf de opdracht aan kunstenaar Roel D'Haese een standbeeld te maken. In plaats van een beeld van de schrijver maakte deze echter een drie meter hoog beeld van Jan de Lichte, het hoofdpersonage van naar zijn opvatting de belangrijkste roman van Boon.

Het was de bedoeling van D'Haese en Hugo Claus dat dit standbeeld op de Grote Markt van Aalst terechtkwam - op de plaats van het beeld van Dirk Martens, werd verteld. De Aalsterse gemeenteraad zag een dergelijke eerbetoon voor een misdadiger echter niet zitten. Het beeld werd aangeboden aan Zottegem, met de bedoeling het in Jan de Lichtes geboorteplaats Velzeke te plaatsen. Om dezelfde redenen als in Aalst werd het beeld hier ook afgewezen. Ten slotte kwam het beeld terecht in het Middelheimpark. Sinds eind 2009 staat het beeld aan het nieuwe Antwerpse gerechtsgebouw.[10]

Andere herdenkingen[bewerken]