Land van Aalst

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Land Van Aalst door Jacques Horenbault in 1619
Land Van Aalst door Leclerc in 1784

Het land van Aalst is een landstreek rond de stad Aalst in België. Van 1046 tot 1164 was het een graafschap.

Ontstaan en ontwikkeling[bewerken]

Vóór de 11e eeuw was het land tussen Dender en Schelde een deel van het hertogdom Brabant, een land afhankelijk van het Heilige Roomse Rijk.

Om de Schelde als westgrens te beschermen, stichtte keizer Otto II (973-983) drie belangrijke versterkingen langs de rechteroever van de rivier:

Elk van deze drie was de hoofdplaats van een markgraafschap, een strategisch gelegen grensprovincie die de verdediging van de rijksgrens moest verzekeren.

Het markgraafschap Ename strekte zich uit tussen de Schelde in het Noorden en het Westen, de Dender in het Oosten en de Hene in het Zuiden. In de noordelijke helft ervan, met de steden Aalst, Oudenaarde en Geraardsbergen, was de taal Germaans, in de zuidelijke helft, met de steden Aat (Ath), Leuze en Chièvres, Romaans.

Nadat graaf Boudewijn V van Vlaanderen in 1046 de burcht van Ename wist in te nemen en de rechter Schelde-oever met het markgraafschap had veroverd, werd de zuidelijke, Romaanse helft aan de graaf van Henegouwen afgestaan, in ruil voor een deel van Vlaams-Brabant.

De nieuwe heerser verplaatste daarop het centrum van Ename naar Aalst, aan de nieuwe oostgrens van Vlaanderen. Hij bouwde er een burcht en vertrouwde het beheer van het zo tot burggraafschap Aalst omgevormde gebied toe aan een zekere Rudolf, uit een familie die zich van Gent liet noemen.

Het is waarschijnlijk kort nadien dat Rudolfs nazaten het zwaard in hun banier gingen voeren, op een moment dat veel edele huizen in westelijk Europa zich een blijvend symbool begonnen te kiezen.

Met de dood van Dirk het kind omstreeks 1164 kwam een voortijdig einde aan het geslacht der graven van Aalst. Hierdoor werd het leencontract verbroken, en verviel het burggraafschap terug aan de graven van Vlaanderen, waardoor het elke feitelijke betekenis verloor. Het werd omgevormd tot een kasselrij van het graafschap Vlaanderen.

Het Steen, de grafelijke burcht van Aalst, werd toevertrouwd aan een plaatselijk adellijk geslacht, de heren van Poppenrode, die de naam van Aelst aannamen. Door het huwelijk van een erfdochter met Johan Tollins ging het burggraafschap op deze laatste over. Zijn dochter Josina Tollings trouwde omstreeks 1500 met ridder Jan van Immerseel, wiens familie de titel van burggraaf van Aalst behield tot aan de Franse Revolutie.

Bestuur[bewerken]

In 1209 was de burggraaf als bestuurder echter reeds vervangen door een grafelijke hoogbaljuw en werd zijn functie sedertdien zuiver ceremonieel. Het was voortaan de hoogbaljuw, voorzitter van het Leenhof, die waakte over het naleven van de wetten en het bestraffen van misdadigers. De Vlaamse graaf, als feodale heer, behield zijn leenhof Ten Steene, in diezelfde stad.

Het bestuur van het Land van Aalst gebeurde door een hoofdcollege, dat tot 1759 voornamelijk administratief bedrijvig was. Het bestond uit negen afgevaardigden:

Omschrijving van het Land van Aalst[bewerken]

Het Land van Aalst omvatte:

Everbeek komt in deze opsomming niet voor, omdat het tot aan de Franse Revolutie tot het graafschap Henegouwen behoorde.