Moby-Dick (boek)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Moby-Dick
Titelpagina van de eerste Amerikaanse editie van Moby-Dick, 1851
Titelpagina van de eerste Amerikaanse editie van Moby-Dick, 1851
Oorspronkelijke titel The Whale (VK), Moby-Dick; or, The Whale (VS)
Auteur(s) Herman Melville
Vertaler o.a. Emy Giphart, Helen Knopper, S. Westerdijk, Barber van de Pol
Land Verenigde Staten
Taal Engels
Onderwerp Walvisvaart
Genre Avontuur
Uitgever VS: Harper, VK:Richard Bentley
Uitgegeven VK: 18 oktober 1851, VS: 18 november 1851
Medium Print (Hardback en Paperback)
Portaal  Portaalicoon   Literatuur

Moby-Dick; of, de Walvis (1851) is een roman van de Amerikaanse schrijver Herman Melville, over de maniakale jacht op de witte potvis Moby Dick[1] door de op wraak beluste gezagvoerder van de walvisvaarder Pequod kapitein Achab, die in een eerdere confrontatie met het dier zijn been heeft verloren. Deze potvis zou zoveel rampen hebben veroorzaakt voor de walvisvaarders dat het dier uitgroeide tot een mythe. Melville droeg het werk op aan de bevriende schrijver Nathaniel Hawthorne, 'als blijk van mijn bewondering voor zijn begaafdheid'.[2] Hoewel de roman bij verschijning flopte en al snel vergeten was, behoort de openingszin ('Call me Ishmael') thans tot de bekendste openingen uit de hele wereldliteratuur. In de twintigste eeuw verwierf Moby-Dick de reputatie een van de belangrijkste Amerikaanse bijdragen aan de literatuur te zijn.

Het verhaal is gebaseerd op Melvilles eigen ervaringen als walvisvaarder op de Acushnet in 1841. Het slot van de roman is gebaseerd op het lot van de Essex, die in 1819 door een walvis tot zinken werd gebracht. Moby Dick zelf is gebaseerd op de beruchte ongrijpbare witte potvis Mocha Dick die in de jaren tussen 1810 en 1840 herhaaldelijk de wateren onveilig maakte.

De schrijfstijl kenmerkt zich door een rijke woordenschat, een complexe, barokke zinsbouw, humor, metaforen en symboliek. Tal van registers worden benut, waaronder preken, regionale accenten en hoofdstukken in een stream-of-consciousness stijl. Elk hoofdstuk vormt een afgeronde eenheid; sommigen zijn opgebouwd als een anatomische verhandeling of een pseudo-taxonomie van walvissoorten, andere zijn opgezet als de tekst van een toneelstuk of zelfs een ballet of een alleenspraak. Grote invloed ging dan ook uit van van Shakespeare, wiens stijl en taal het boek doordesemen. De thematiek betreft de aard en betrouwbaarheid van kennis en waarneming, de vrije wil versus predestinatie, sociale status, het concept van goed en kwaad, en de vraag omtrent het wel of niet bestaan van goden.

Op het laatste moment veranderde Melville de titel van The Whale naar Moby-Dick. De nieuwe titel kwam te laat voor de Britse editie in drie delen, die eerder dan de Amerikaanse verscheen. In de Britse editie ontbrak de epiloog waarin het overleven van Ishmael beschreven wordt. Dit leidde tot kritiek in de recensies, omdat het nu leek alsof het verhaal verteld werd door een verdronken bemanningslid. Ook werd de Britse editie sterk gecensureerd, met name wat blasfemische en seksuele passages betrof: zelfs passages over het seksleven van walvissen sneuvelden, terwijl veel blasfemisch opgevatte frasen in feite verwijzingen zijn naar Miltons Paradise Lost. Daarnaast werd alles geschrapt wat maar enigszins als kritiek op de Engelsen kon worden uitgelegd: zo verdween het volledige hoofdstuk 25 over de rol van walvisolie bij de Britse kroningsplechtigheid.

De gemengd ontvangen roman werd geen succes in de negentiende eeuw. Op de titelpagina's van Melvilles latere boeken staat wel vermeld dat hij de auteur van Typee was, maar niet van Moby-Dick. Na de Eerste Wereldoorlog nam de studie van Amerikaanse literatuur een aanvang en in de jaren na de herdenking van Melvilles honderdste geboortedag steeg zijn reputatie gestaag en in het bijzonder die van Moby-Dick.

Inhoud[bewerken]

Samenvatting[bewerken]

Illustratie uit een vroege editie van Moby-Dick
Leeswaarschuwing: Onderstaande tekst bevat details over de inhoud en/of de afloop van het verhaal.

In een decembermaand besluit Ismaël, een voormalige leraar, om zich aan te melden voor de walvisjacht. Hij reist van zijn woonplaats New York naar Nantucket in Massachusetts. In New Bedford logeert hij in de herberg de Spuitende Walvis, waar hij noodgedwongen een bed deelt met een harpoenier, een getatoeëerde Polynesische prins genaamd Queequeg, wiens vader de koning was van het eiland Rokovoko. Al snel worden de twee boezemvrienden. De volgende ochtend gaat Ishmael ter kerke en hoort hij Vader Mapple preken over Jona. Op maandag arriveren de twee te Nantucket, waar ze verblijven in logement De Traanketels. Dinsdag onderhandelt Ismaël met de eigenaren van de walvisvaarder Pequod, Bildad en Peleg, om zich aan te melden voor de reis. Queequeg blijft op hun kamer om een ramadan te houden. Ismaël wenst de kapitein te zien, maar die is ziek. Peleg schetst een beeld van de kapitein, die Achab heet, 'een groots man, goddeloos en goddelijk tegelijk'. Achab is onvergelijkbaar met anderen, 'hij is Achab, jongen; en oudtijds was Achab, gelijk ge weet, een gekroonde koning!' Op zijn laatste reis heeft een walvis zijn been ontnomen en sindsdien is Achab 'neerslachtig tot wanhopig toe, en woest opstandig soms; maar dat zal wel weer overwaaien.' Hij mag dan geteisterd en beproefd zijn, 'maar Achab bezit zijn menselijkheden!'

De volgende dag wordt ook Queequeg aangenomen. Op hun weg terug ontmoet het duo een in lompen gehulde oude ziener, Elia, die vraagt of er op de monsterrol, het formulier van aanmonsteren, nog iets over hun zielen stond. Mochten ze geen ziel hebben, dan is die van Achab groot genoeg om een tekort bij anderen op te vullen, gaat hij verder, waarna hij over 'die ouwe donderaar' vertelt. Jaren geleden heeft Achab eens drie dagen en nachten voor lijk gelegen en was hij betrokken bij een dodelijk handgemeen met een Spanjaard voor een altaar te Santa, en heeft in een zilveren kalebas staan spugen. Het verlies van zijn been zou zijn voorzegd. Niemand weet van deze mysterieuze zaken. Dan begint Elia over hun aanstaande reis: 'wat er te gebeuren staat, gebeurt toch; en dan nog, misschien blijft het wel uit ook. Hoe dan ook, alles staat al vast hoe het komen gaat.' Op Kerstochtend kijkt het duo toe hoe de voorraad voor een reis van drie à vier jaar aan boord wordt gebracht. Ook komen vier of vijf geheimzinnige figuren aan boord. Op een koude Kerstdag piloten Peleg en Bildad de Pequod de haven uit.

Ahab maakt op Ishmael vanaf het begin een vreemde indruk. Hij is nergens te bekennen als de rest van de bemanning inscheept en tijdens het eerste deel van de reis verlaat hij bijna nooit zijn hut. Wanneer Ahab zichzelf eindelijk vertoont, is Ishmael duidelijk geïntimideerd door Ahabs uiterlijk. Wat opvalt is dat Ahab zijn verloren been heeft vervangen door een kunstbeen gemaakt van potvisbot. Het blijkt dat Ahab op jacht is naar een specifieke witte potvis, Moby Dick. Deze walvis heeft er ooit voor gezorgd dat Ahab zijn been verloor. Ahab is vastbesloten het beest te vinden en wraak te nemen. Hij laat zich daarbij door niets of niemand tegenhouden. Omdat Ahab wel begreep dat de eigenaren van de Pequod walvissen wilden bejagen voor de winst in plaats van voor wraak, heeft hij in het geheim zijn eigen crew mee aan boord genomen. Een van hen is de mysterieuze harpoenier Fedallah.

Tijdens de reis ontmoet de Pequod verschillende andere schepen, waarmee de bemanning vaak ervaringen met Moby Dick uitwisselt. Uiteindelijk komt de Pequod de potvis op het spoor en zet de achtervolging in. Drie dagen lang achtervolgt het schip de potvis, die overal waar hij komt vernielingen aanricht. Fedallah komt om bij een mislukte poging Moby Dick te harpoeneren. Starbuck, de eerste stuurman, blijft proberen Ahab om te praten van zijn wraak af te zien, daar het moedwillig volgen van Moby Dick het schip en de bemanning alleen maar schade zal toebrengen. Ahab houdt echter voet bij stuk en gaat persoonlijk in een sloep de zee op om Moby Dick te harpoeneren. Het touw van de harpoen wikkelt zich echter om Ahabs nek waarop hij door de potvis mee de diepte wordt ingetrokken.

Het moederschip zelf wordt door Moby Dick geramd en zinkt in een draaikolk. Alle bemanningsleden die nog aan boord waren zijn reddeloos verloren. Alleen Ishmael overleeft dit voorval doordat hij zich weet vast te klampen aan de doodskist die Queequeg eerder voor zichzelf maakte. Hij wordt uiteindelijk gered door de bemanning van de Rachel, een van de schepen die de Pequod eerder ontmoette.

Personages[bewerken]

Ahab bevecht Moby Dick
Moby Dick
De witte potvis waar het verhaal om draait. Hij staat bekend als een uitzonderlijk agressief dier dat al vele schepen heeft aangevallen en onder andere Achab zijn been heeft afgebeten. Hij wordt vaak gezien als een symbool voor de zee, de natuur, het noodlot en zelfs God.
Ismaël
matroos op en enig overlevende van de Pequod; jaren later verteller van het verhaal. Hij vertelt bij aanvang van het boek dat hij het zeeleven opzocht omdat hij zich vervreemd voelde van de menselijke samenleving. Hij wordt tegenwoordig vaak gezien als toonbeeld van sociale buitenstaanders in verhalen, zoals wezen en verbannen mensen.
Achab
De kapitein van de Pequod. Hij staat bekend als een tiran met een enorme obsessie voor zijn wraak op Moby Dick. Zijn moeder was een weduwe die stierf toen hij twaalf maanden oud was. De oude Indiaanse vrouw Tistig heeft voorzegd dat zijn naam een voorspelling in zich draagt. Op zijn 18e begon hij met de walvisjacht en ten tijde van het verhaal zit hij al 40 jaar in het vak, zodat hij ongeveer 58 moet zijn. Drie reizen terug is hij getrouwd met een veel jongere vrouw, met wie hij een klein kind heeft. Achab vertoont veel kenmerken van de typische tragische held; hij is op zich geen slecht mens, maar heeft een slechte eigenschap die hij niet kan overwinnen, hetgeen hem uiteindelijk fataal wordt.
Starbuck
de jonge eerste stuurman van de Pequod. Van hem is enkel bekend dat hij getrouwd is en een zoon heeft. Van alle bemanningsleden is hij het meest tegen het feit dat Achab Moby Dick enkel wil opjagen uit wraak, daar volgens hem Moby Dick niets te verwijten valt; dieren hebben immers geen besef van rede. Zijn pogingen Ahab om te praten zijn tevergeefs.
Stubb
tweede stuurman
Flask
derde stuurman
Fleece
de zwarte scheepskok
Pip
de zwarte scheepsjongen, klein van stuk, uit Connecticut
Queequeg
een goede vriend van Ismaël. Hij komt van het fictieve eiland Kokovoko in de Zuidzee en is de zoon van de hoofdman van een kannibalenstam. Hij wordt omschreven als een personage dat tussen de beschaving en “wilden” in valt
Tashtego
harpoenier, indiaan
Daggoo
harpoenier, is enorm lang en afkomstig uit een Afrikaanse kustplaats
Fedallah
een harpoenier die door Achab aan boord is gehaald om hem te helpen bij de jacht op Moby Dick. Hij is een Pers. Hij kan net als Achab erg intimiderend overkomen en wordt door de bemanning zelfs gezien als de duivel in de gedaante van een mens.

Compositie[bewerken]

Melville schreef Moby-Dick tijdens een periode dat de Amerikaanse literatuur een grote groei kende.

Autobiografische elementen[bewerken]

De basis voor de roman zijn Melvilles eigen ervaringen op walvisvaarders tussen 1841 en 1842,

Bronnen over walvissen en walvisjacht[bewerken]

Enkele van de meest sensationele aspecten zijn gebaseerd op historische gebeurtenissen. De witte walvis Moby Dick zelf is tot de naam aan toe geïnspireerd op de beschrijvingen van de witte potvis Mocha Dick.[3] Ook het tot zinken brengen van de Pequod door Moby Dick is geen ongeloofwaardige fantasie, maar gemodelleerd naar het ware verslag van de door een walvis getorpedeerde en tot zinken gebrachte walvisvaarder Essex. Daarnaast gebruikte Melville een reeks van andere walvisboeken om de cetologische hoofdstukken te kunnen schrijven. Toen hij de roman aan het schrijven was, maakte Melville kennis met de auteur Nathaniel Hawthorne.

Structuur[bewerken]

Het boek is geen louter verslag van een heroïsche jacht op een witte walvis: ook metafysische en kennistheoretische thema's komen aan de orde (de onkenbare werkelijkheid, een onverschillige Schepper), en de spirituele ontwikkeling van de zeelieden.

Matroos Ismaël en verteller Ismaël[bewerken]

De ik-verteller, Ishmael, is de enige overlevende van de reis van de Pequod. Er zijn dus twee Ismaëls: het personage dat de reis meemaakt en de ouder geworden Ismaël die het verhaal vertelt en zich daarbij van alles voorstelt dat hij als matroos nooit had kunnen weten. De verteller bedient zich ook van andere genres dan het verhaal: zo zijn enkele hoofdstukken geschreven in de vorm van een toneelstuk, andere bestaan geheel uit alleenspraken van de hoogsten in rang als Achab en Stubb, weer andere zijn essayistische beschouwingen van Ismaël over de walvis en de betekenis van zijn witte kleur.

Achab als complexe allegorische figuur[bewerken]

De eenbenige kapitein Achab is de initiator en het middelpunt van verbazingwekkende avonturen. Hij vervult verscheidene allegorische rollen die elkaar aanvullen en nuanceren. Zo heeft hij trekken van de bijbelse koning waarnaar hij vernoemd is, van Satan uit Paradise Lost, van de klassieke figuren Prometheus, Oedipus (het hoofdstuk waarin Achab het hoofd van een walvis consulteert heet "De sfinx") en Narcissus (met zijn mysterieuze assistent Fedallah als zijn Echo), van Shakespeares koning Lear (met Pip als zijn nar).

Deze rollen werken op elkaar in. Zo benadrukt de vergelijking met Oedipus Achabs onwetendheid en gebrek aan zelfkennis, terwijl die met Narcissus de psychologische redenen daarvoor levert.

De ontmoetingen met de andere schepen[bewerken]

Een belangrijk structurerend element is de serie van negen ontmoetingen met andere schepen, die op drie manieren van belang zijn. In de eerste plaats de distributie over het verhaal. De eerste twee ontmoetingen en de laatste twee doen zich kort na elkaar voor. De centrale groep van vijf ontmoetingen kennen een tussenruimte van ongeveer twaalf hoofdstukken. Aldus ontstaat een soort geraamte waaraan het vlees van het boek kan worden opgehangen.

In de tweede plaats moet Achabs gedrag tijdens de ontmoetingen worden genoemd. De ontmoetingen vertonen de stijgende lijn van zijn maniakale obsessie, zodat de ontmoetingen de climactische ontwikkeling van zijn monomania laten zien. Ten derde de reactie van Ismaël, die, anders dan Achab, elk schip individueel beschouwt en de betekenis ervan probeert te duiden.

Daarnaast hebben de schepen een allegorische functie. Zo is een schip de Jerobeam genaamd: de bijbelse Jerobeam was de voorganger van koning Ahab. De kapitein ervan, Gabriel, heeft een profetische boodschap voor alle volgende schepen, de Samuel Enderby, de Rachel, de Delight en de Pequod". Geen van die schepen werd geheel vernietigd, omdat de kapiteins niet de monomania van Ahab bezaten en zo benadrukt het lot van de Jeroboam de structurele parallel tussen Ahab en zijn bijbelse naamgenoot: "Ahab did more to provoke the Lord God of Israel to anger than all the kings of Israel that were before him" (I Koningen 16:33).[4]

Schrijfstijl[bewerken]

De schrijfstijl is complex, zelfs barok te noemen. Het vocabulaire is rijk en de zinnen zijn vaak lang; niet zelden bestrijkt een zin een hele alinea. Het is alsof de confrontatie met Shakespeare Melville eindelijk het gereedschap opleverde om de in hem levende conceptie vorm te geven. Melville echoot niet alleen Shakespeares eigen woorden, maar heeft diens taalvermogen geheel geabsorbeerd en productief gemaakt, dat wil zeggen dat woorden en frasen uit Moby-Dick shakespeariaans zijn zonder dat ze bij Shakespeare zelf teruggevonden kunnen worden.

De Bijbel is een andere belangrijke invloedsfactor, met name de profeten. Moby-Dick zit vol met onheilspellende vooruitwijzingen en bevat ook enkele profeetachtige personages, zoals de oude squaw Tistig, Elijah en Fedallah. De taal van de King James Version laat zich op elke bladzijde aanwijzen. Daarnaast is ruim sprake van allusies, beeldspraak en homerische vergelijkingen.

Verwantschap en verwijzingen[bewerken]

Afbeelding van de walvisvaart uit het boek Captain Cook's First, Second, Third and Last Voyages

De roman vertoont thematische verwantschap met de klassieke en moderne literatuur zoals Oedipus en Dante Alighieri's Divina Commedia en tevens met de Bijbelboeken Jona (over de man die door een walvis werd opgeslokt) en Job (over de man die vragen stelde naar het wezen van de Schepper en de schepping en over de man die als enige een ramp overleefde en kon vertellen wat er gebeurd was). Belangrijk is ook de naamgeving van de hoofdpersoon Achab als verwijzing naar de oudtestamentische koning Achab die zich verzette tegen God. De verteller Ishmael is genoemd naar de zoon van Abraham en de slavin Hagar: zijn naam betekent veelzeggend "God luistert".

Publicatiegeschiedenis[5][bewerken]

Melville had nog geen uitgever gevonden toen hij in de zomer van 1851 het boek liet zetten. In de negentiende eeuw hadden sommige auteurs zelf de platen met het zetsel van hun werk in bezit, zodat ze een uitgever die hun werk wilde heruitgeven eenvoudig van dienst konden zijn. Het lijkt erop dat ook Melville iets dergelijks voor ogen stond. Uiteindelijk bereikte hij voor de Amerikaanse uitgave een overeenkomst met Harper, de uitgever van zijn eerdere boeken. Ook de Britse uitgever Richard Bentley was dezelfde als voor zijn vorige vier boeken, dus allemaal behalve Typee. In deze periode was nog niet vastgelegd hoe het auteursrecht van de Britse uitgave van een Amerikaans werk lag en er verschenen dan ook veel piratenedities van Amerikaanse werken. De normale procedure om het auteursrecht toch zo zeker mogelijk te stellen was om de Engelse uitgave eerder te laten verschijnen dan de Amerikaanse: dit bewees dat sprake was van een echte overeenkomst, want het was uiteraard onmogelijk om een pirateneditie te maken van niet eerder verschenen werk.

Melville schreef Bentley op 20 juli dat de laatste vellen van zijn boek door de drukpers gingen en stuurde de proefvellen op 10 september naar Engeland. In de tussentijd had hij enkele weken om deze proeven te corrigeren. Melvilles handschrift is berucht om de moeilijke leesbaarheid en de platen van 'Moby-Dick' vertonen dan ook vele leesfouten, naast de gebruikelijke zetfouten. Melville corrigeerde de drukproeven die naar Bentley gestuurd werden als kopij voor de Engelse editie. Omdat het boek dus overzee opnieuw gezet zou worden, nam hij ook de vrijheid om aanvullingen en herzieningen te noteren. De belangrijkste daarvan is een voetnoot in hoofdstuk 87 betreffende het woord 'gally' (vergruwelen), waarin een citaat uit Shakespeares Koning Lear voorkomt.

Britse censuur[bewerken]

Bentley, die het boek in drie luxe delen als 'driedekker' zou uitgeven, liet de proefvellen bewerken door een redacteur, die nogal wat wijzigingen aanbracht. De belangrijkste hiervan betreft censuur. Vooral passages die blasfemisch gevonden werden, werden geschrapt of herschreven. Tekstbezorger Tanselle rekent meer dan 1200 geschrapte woorden tot censuur van deze categorie. In hoofdstuk 28 staat bijvoorbeeld: 'Achab stond voor hen met een gezicht waarvan een kruisiging afstraalde'; dit werd gewijzigd in 'met een kennelijke eeuwige kwelling in zijn gezicht'. Wanneer de 'Pequod' aan het slot van de roman zinkt, hamert Tashtego een vogel aan de mast, wat het dier onder 'aartsengelgekrijs' ondergaat. Dit werd gewijzigd in 'onaards gekrijs'. Italiaanse schilderijen van Christus mochten niet diens 'tweeslachtige vormen' ('hermaphroditical') vertonen (hoofdstuk 86). Bijbelse figuren mochten niet het voorwerp van onflatteuze vergelijking zijn, noch mocht er aan hen op onserieuze wijze gerefereerd worden en hen in verband brengen met seksuele activiteiten was al helemaal ondenkbaar. Een mannetjespotvis temidden van vele vrouwtjes mocht dus niet vergeleken worden met 'vrome Salomo, te midden van diens duizend bijvrouwen' (hoofdstuk 88).

Een tweede categorie van censuur betrof seksueel commentaar, ook als dat over walvissen ging. Een oude walvis 'waarschuwt elke jonge Leviathan aan de hand zijner eigen liefdesdwalingen', aldus hoofdstuk 88: het laatste woord werd veranderd in 'jeugdige fouten'. Wanneer Ismaël in hoofdstuk drie het bed met een harpoenier moet delen en bezorgd is dat diens ondergoed 'niet van de properste soort' zou zijn, sneuvelde die hygiënische overweging.

Een derde en laatste categorie van censuur betrof passages die hetzij kleinerend over Britse monarchen, hetzij een kritiek op de Engelsen leken te zijn. Hoofdstuk 25 werd geheel geschrapt, omdat dit handelt over Ismaëls vermoedens aangaande het met walvisolie gezalfde hoofd van de Britse monarch tijdens zijn kroning (Ismaël vergelijkt het hoofd met een slaschotel).

Ten slotte bemoeide de Britse redacteur zich met grammaticale en stilistische kwesties, waarbij op tal van plaatsen een enkelvoud in een meervoud werd omgezet, een tegenwoordige tijdsvorm in een verleden tijd, dit alles in wat Tanselle omschrijft als 'een zeer conservatieve opvatting van de regels voor "correctheid"'. Veel veranderingen maken zo weinig uit dat men zich af kan vragen waarom iemand er de moeite voor nam. Ook werden uitspraken voorzichtiger en minder assertief gemaakt. Bij dit overzicht is niet meegerekend de routinematige omzetting van Amerikaanse naar Britse spelling.

Overige verschillen tussen de edities[bewerken]

Het opvallendste verschil tussen de edities betreft de titel. Nadat hij de kopij al naar Bentley had gestuurd wijzigde Melville de titel van The Whale naar Moby-Dick. Wanneer dit precies gebeurde staat niet vast, maar wel moet het op het allerlaatste moment zijn geweest, want het oktobernummer van Harper's New Monthly Magazine kondigde het boek nog steeds aan onder de oude titel. Ook Bentley had al voor het boek geadverteerd. Toch zag hij kans om de nieuwe titel te vermelden in het voorwerk van het eerste deel. Harper voerde wel de nieuwe titel, maar in combinatie met de oorspronkelijke om het verband met de advertenties en aankondigingen niet te verliezen.

Een ander groot verschil is de plaats van het voorwerk, de Etymologie en de tientallen Aanhalingen uit de bijbel en de wereldliteratuur die op walvissen betrekking hebben, desnoods nadat Ismaël ze in die richting had aangepast. In de Britse editie zijn die onder de kop Appendix achteraan zijn geplaatst. Deze verzameling bevat twee citaten uit Paradise Lost; het tweede verscheen op het titelblad van elk der drie Britse delen. Tanselle neemt aan dat Bentley Melville hiermee enige compensatie wilde bieden voor het achterin zetten van wat vooraan behoorde te staan. In dat geval is het citaat dus niet Melvilles keuze en hoeft er geen groter belang aan te worden toegekend dan aan de andere. Het ligt voor de hand dat Bentley gewoon het voornaamste werk waaruit geciteerd werd uitkoos, voor een Engels publiek is Miltons epos een logische selectie.

Een laatste belangrijk verschil is het ontbreken van de epiloog in de Britse editie. Er zijn te veel variabelen in het spel om de reden hiervan te kunnen achterhalen, maar Tanselle sluit wel uit dat de epiloog nog niet geschreven was toen Melville de proeven naar Bentley verzond. Niet alleen verklaart de epiloog hoe Ismaël heeft kunnen overleven om zijn verhaal te doen, ook wijst de laatste zin van hoofdstuk 93 duidelijk vooruit naar de epiloog. Aangezien er ook helemaal niets in staat dat zich voor censuur leent, ziet Tanselle maar twee serieuze mogelijkheden: of de epiloog is weggelaten bij het naar achteren verplaatsen van het voorwerk, of deze is in Bentleys kantoor op een verkeerde plaats opgeborgen. In het laatste geval is het moeilijk om uit het losse vel met de epiloog af te leiden bij welke kopij het hoort: in de tekst komt geen enkele naam van een personage of het schip voor en ook ontbreekt een paginanummer. Het ontbreken had grote gevolgen voor de receptie, want zonder de epiloog lijkt het alsof Ismaël met het schip is verdronken en dus niet enkele jaren later zijn verhaal had kunnen doen.

Receptie[bewerken]

Nogal wat recensenten van The Whale maakten zich er vrolijk over dat het werk wordt verteld door een personage dat samen met de rest van de bemanning verdronken zou zijn. Melville werd op veelal schampere toon amateurisme verweten. In deze periode was het gebruikelijk om Engelse recensies te herdrukken in Amerikaanse periodieken, zodat de Amerikaanse lezers kennis konden nemen van een grote compositiefout die zich helemaal niet voordeed in de editie die bij hen in de boekwinkels lag. Vanwege het grote verschil tussen beide uitgaven is het zinvol de Britse en de Amerikaanse receptie gescheiden te beschrijven.[6]

The Whale kreeg in Londen buitengewone aandacht van ervaren critici in kranten, maandbladen en kwartaaltijdschriften. Melville-kenner Hershel Parker omschrijft de eenentwintig bekende Engelse (en Ierse) recensies als 'allemaal vakkundig en vele zijn briljante reacties op wat duidelijk werd geien als een opmerkelijk boek.'[7] Over het algemeen beschouwde de Engelse kritiek het boek als 'een fenomenaal literair werk, een filosofische, metafysische, en poëtische roman'.[8] Uitgever Bentley verzamelde de beste citaten uit de eerste recensies voor en advertentie die op 14 november in de Londense Morning Post verscheen.

Het gros van de Amerikaanse recensies van Moby-Dick daarentegen was afkomstig van amateurs en van gewone journalisten zonder literaire expertise; slechts een handvol was van gespecialiseerde critici en zelfs de beste daarvan lieten zich meer door morele dan door esthetische principes leiden. In plaats van de literaire aspecten was het vooral de praktische informatie over de walvisvisserij die in Amerika de aandacht trok. Daarnaast had Melville de pech dat uitgerekend de wrokkige, negatieve besprekingen in de Engelse tijdschriften Athenaeum en Spectator de enige twee waren die in Amerika zo wijd en zijd werden herdrukt en geciteerd dat ze deel uitmaken van de Amerikaanse receptiegeschiedenis. Zo ontging het het Amerikaanse leespubliek dat The Whale in Londen veel aandacht had gekregen, laat staan positieve aandacht.[9]

Kort voordat het boek verscheen stond het onderwerp ervan in de belangstelling, omdat een walvis het schip Ann Alexander tot zinken had gebracht. Over dit incident handelt een groot deel van de eerste aflevering van de recensie die in twee delen in de Literary World verscheen, op 15 en 22 november, het tijdschrift dat in 1850 Melvilles essay "Hawthorne and his Mosses" had gepubliceerd. De anonieme recensie wordt toegeschreven aan Evert Duyckinck, een bekende van Melville.[10] De tweede aflevering heeft een afkeurende toon en Duyckinck waarschuwt de lezers voor de volgens hem niet-godsdienstige tendens in Moby-Dick (enkele jaren eerder was Duyckinck al geschokt door Melvilles beroemd geworden brief waarin hij Shakespeare vrijuit met Christus vergeleek). Duyckinck zag er een combinatie van drie boeken in, waarvan het eerste, een grondig verslag over de potvis, hem het meest beviel, zodat hij er weinig woorden aan besteedde. Het tweede boek, de avonturen van de bemanning van de Pequod, beviel hem allerminst, omdat de personages een weinig realistische indruk maakten en, erger nog, de spreekbuis waren voor onwelvoeglijke religieuze overwegingen. Het derde boek houdt het midden tussen essay en rapsodie en is afkeuringswaardig vanwege het gebrek aan respect waarmee de meest heilige opvattingen over het leven geweld werden aangedaan en onderwerp van speculatie werden gemaakt.[11] Onder meer vanwege de invloed van deze recensie op volgende, werd hiermee het startschot gegeven voor een kritische ontvangst die dusdanig Melvilles woede opwekte dat hij in zijn volgende werk, de roman Pierre (1852), een bittere satire van het Amerikaanse literaire wereldje verwerkte en zijn abonnement op Literary World opzegde.[12]

Op 1 december schreef Hawthorne, aan wie het boek was opgedragen, aan Evert Duyckinck een enthousiaste brief over Moby-Dick en tegelijk een protest tegen de recensie:[noot 1]

Wat een boek heeft Melville geschreven! Het geeft mij het idee van een veel grotere kracht dan zijn eerdere werken. Het wil mij voorkomen dat de recensie ervan in de Literary World geen recht deed aan de sterkste kanten ervan.[13]

Bewerkingen en vertalingen[bewerken]

Nederlandstalige vertalingen[bewerken]

  • Moby Dick, of De witte walvisch, vertaald door J.F. Werumeus Buning, Amsterdam: Querido, 1929.
  • Moby Dick, of De witte walvisch, idem (bekort door A. Verbraeck), 's-Gravenhage: Nederlandsche boekenclub, 1930.
  • Moby Dick of De walvis, vertaald door S. Westerdijk, Utrecht: Het Spectrum, 1979 (Klassieken).
  • Moby Dick, of De walvis, vertaald door Helen Knopper, Bussum: Van Holkema & Warendorf / Antwerpen: De Standaard, 1981.
  • Moby Dick, vertaald door Barber van de Pol, Amsterdam: Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2008 (Perpetua reeks).

Films[bewerken]

Televisie[bewerken]

Overig[bewerken]

Moby-Dick is meerdere malen bewerkt voor radio en toneel, zoals:

In 2004 bracht de Amerikaanse band Mastodon het album Leviathan uit, dat losjes gebaseerd is op Moby-Dick.

Bronnen[bewerken]

  • Melville, Herman (1988). Moby-Dick; or, the Whale. The Writings of Herman Melville Volume Six. Edited by Harrison Hayford, Hershel Parker, and G. Thomas Tanselle. Evanston; Chicago: Northwestern University Press and the Newberry Library. ISBN 0810103249
  • Parker, Hershel (1988). 'Historical Note [Paragraaf] IV.' [Beschrijving bronnen betreffende walvissen en walvisvaart]. In Melville 1988, p. 635-647.
  • ---- (1988). 'Historical Note [Paragraaf] VII.' [Receptiebeschrijving] In Melville 1988, p. 689-732
  • Tanselle, G. Thomas (1988). 'Historical Note [Paragraaf] VI.' [Analyse van drukproces en verschillen tussen Engelse en Amerikaanse editie.] In Melville 1988, p. 659-689.
  • Wright, Nathalia (1949). Melville's Use of the Bible. Durham, North Carolina: Duke University Press.

Externe links[bewerken]

Voetnoten[bewerken]

  1. Het is onbekend of Hawthorne vermoedde dat Duyckinck zelf de auteur van de niet ondertekende recensie was.