Nablus

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Zie het artikel Voor het gelijknamige gouvernement, zie Nablus (gouvernement).
Nablus
نابلس
שכם
Plaats in Palestina Vlag van Palestina
Nablus
Nablus
Situering
Gouvernement Nablus
Coördinaten 32° 13′ NB, 35° 16′ OL
Algemeen
Oppervlakte 28,6 km²
Inwoners (2007) 126.132[1] (4410 inw./km²)
Overig
Website Nablus.org
Foto's
Nablus 2014
Nablus 2014
Portaal  Portaalicoon   Azië

Nablus (Arabisch: نابلس-Nables, Hebreeuws: שכם-Sjechem) is een Palestijnse stad in het noordelijk deel van de Westelijke Jordaanoever ten zuiden van Jenin. Het is de hoofdstad van het Gouvernement Nablus, en het economische en culturele centrum ervan. In 2007 had Nablus ongeveer 126.000 inwoners.

An-Najah Universiteit Nablus
Een siniyyeh kanafeh
Zuilen met zeep in de Touqan fabriek in Nablus in 2008
Nablus in 1898
Nablus in 1918
An-Nasr Moskee, Nablus (2014)
Interieur van de An-Nasr Moskee; in de 13e eeuw van een Kruisvaarderskerk weer in gebruik genomen als moskee.
Interieur van de An-Nasr Moskee in 2010
Martyrs Square in de beneden/binnenstad van Nablus, 2007
De Manara klokkentoren in de Oude Stad in 2008
De Israëlische noord-zuid (Nazareth-Beërsjeva) hoofdweg 'Route 60' op de Westelijke Jordaanoever[2]
Het Huwwara-chekpoint met Palestijnen die naar het zuiden willen reizen (2006)
Een straat in Nablus richting de Oude Stad. Op de achtergrond de Minaret van de An-Nasr moskee (2008)
Avondschemering in Nablus 2011

Nablus heeft de grootste Palestijnse universiteit, de An-Najah National University[3], opgericht in 1977, en de Palestijnse aandelenbeurs.[4] De stad is een modern economisch en commercieel centrum met restaurants en een groot winkelcentrum. Nablus staat bekend om zijn kanafeh, een zoete kaasdelicatesse. Sinds de tiende eeuw wordt in Nablus olijfoliezeep geproduceerd. Begin 19e eeuw bestonden er 30 bloeiende zeepfabrieken.[5]

De stad werd door de Romeinen gesticht onder de naam Neapolis. De naam Nablus is van deze naam Neapolis afgeleid.

Geschiedenis[bewerken]

Neapolis[bewerken]

Flavia Neapolis ("nieuwe stad van Flavius") werd gesticht in het jaar 72 door de Romeinse keizer Vespasianus, op het Samaritaanse dorp Mabartha ("de passage") gelegen tussen de bergen Ebal en Gerizim. Deze lag 2 kilometer ten westen van de Bijbelse stad Sichem, die in datzelfde jaar door de Romeinen werd verwoest tijdens de eerste Joodse Oorlog.[6][7] Vanwege de strategische geografische ligging en de overvloed aan water uit nabijgelegen bronnen, floreerde Neapolis.

De stad werd gebouwd in een Romeins schaakbordpatroon, voor zover de heuvelachtige topografie van het terrein dat mogelijk maakte. Er vestigden zich veteranen van zegevierende legioenen en andere buitenlandse kolonisten.[8] In de 2e eeuw bouwde keizer Hadrianus een groot theater in Neapolis dat zou kunnen plaats bieden aan maximaal 7000 mensen.

Er zijn munten gevonden in Nablus die dateren uit deze periode, die Romeinse militaire emblemen tonen en goden en godinnen van het Griekse pantheon, zoals Zeus, Artemis, Serapis en Asklepios.[8] Neapolis was op dat moment volledig heidens. Justinus de Martelaar, die met het platonisme in contact kwam en zich later tot het christendom bekeerde, werd daar rond het jaar 100 geboren.[9][8]

De stad bloeide tot de burgeroorlog tussen Septimius Severus en Pescennius Niger in 198-9. Omdat Neapolis de kant koos van de verslagen Pescennius Niger, ontdeed Severus de stad tijdelijk van haar wettelijke privileges, en gaf deze aan het nabijgelegen Sebastia.[8]

In 244 transformeerde Philippus I Arabs Flavius Neapolis in een Romeinse kolonie genaamd Julia Neapolis. De stad behield deze status totdat het in 251 onder het bestuur van Trebonianus Gallus kwam.

Samaritaanse Opstand[bewerken]

Conflicten tussen de christelijke bevolking van Neapolis ontstaan in 451. Tegen die tijd was Neapolis samen met de rest van Palestina (toen een deel van Syrië) en Syrië zelf onder het bewind van het Byzantijnse Rijk. De spanningen waren een gevolg van monofysitische christelijke pogingen om te voorkomen dat de patriarch van Jeruzalem, Juvenal zou terugkeren naar zijn bisschoppelijke zetel in Neapolis.[6]

Het conflict groeide echter niet uit tot een burgeroorlog. Toen de spanningen tussen de christenen van Neapolis afnamen, groeiden de spanningen tussen de christelijke gemeenschap en de Samaritanen dramatisch. In 484 werd de stad het toneel van een dodelijke ontmoeting tussen de twee groepen, uitgelokt door geruchten dat de christenen de relikwieën van Aärons zonen en kleinzonen Eleazar, Ithamar en Pinehas wilden verplaatsen.

Samaritanen drongen daarop de kathedraal van Neapolis binnen, doodden daar de christenen en hakten de vingers van bisschop Terebinthus af. Terebinthus vluchtte vervolgens naar Constantinopel, en verzocht om een garnizoen soldaten dat verdere aanvallen moest voorkomen. Als gevolg van de opstand richtte de Byzantijnse keizer Zeno een kerk op, gewijd aan Maria op de berg Gerizim. Hij verbood de Samaritanen naar de berg te reizen om hun religieuze ceremonies te vieren, en nam de synagoge op de berg in beslag. Deze beslissingen van de keizer wakkerden de woede van de Samaritanen tegen de christenen verder aan.[6]

De Samaritanen kwamen opnieuw in opstand onder het bewind van keizer Anastasius I. Ze bezetten de berg Gerizim opnieuw, die later werd heroverd door de Byzantijnse gouverneur van Edessa, Procopius. Een derde Samaritaanse opstand die plaatsvond onder leiding van Julian Ben Saba in 529 was misschien wel de meest gewelddadige. De bisschop van Neapolis Ammonas werd vermoord en de priesters van de stad werden in stukken gehakt en verbrand samen met de relikwieën van de heiligen. De strijdkrachten van keizer Justinianus I werden gestuurd om de opstand te onderdrukken. Het leidde tot de slachting van het grootste deel van de Samaritaanse bevolking in de stad.[6]

Islamitische heerschappij en de kruisvaarders[bewerken]

De Arabieren veroverden Neapolis in 636, samen met het grootste deel van Palestina, onder Khalid ibn Walid, een generaal in het leger van de Rashidun van Omar ibn al-Chattab na de Slag bij de Jarmuk. De stad behield haar naam in het Arabisch: Nablus.

Nablus werd onder de dynastieën van de Omajjaden, Abbasiden en Fatimiden een belangrijk handelscentrum tijdens de eeuwen van islamitische heerschappij. In de stad woonde toen een gemêleerde bevolking van Arabieren, Perzen, moslims, Samaritanen, christenen en joden. De Arabische geograaf Al-Moeqaddasi beschreef Nablus in de 10e eeuw als een stad rijk aan olijfbomen, met een grote markt, een fijn geplaveide Grote Moskee, stenen huizen, een stroom die door het centrum van de stad vloeide, en opvallende molens.[10] Hij merkte ook op dat de stad als bijnaam Klein Damascus had, want Nablus was in die tijd internationaal befaamd om zijn linnen.[10][11][12]

Onder bevel van prins Tancred van Galilea werd Nablus in 1099 bezet door de kruisvaarders en omgedoopt tot Napels. Hoewel de Kruisvaarders voor hun troepen die onderweg waren naar Jeruzalem op grote schaal proviand opeisten van de bevolking, is de stad door hen niet geplunderd, vermoedelijk vanwege de aanwezigheid van een aanzienlijke christelijke bevolking. Nablus werd een deel van het kroondomein van het koninkrijk Jeruzalem. Naast de moslims, oosters-orthodoxe christenen en de Samaritaanse bevolking kwamen nu ook een aantal Kruisvaarders zich in Nablus vestigen, die afkwamen op de rijkdom van de stad. In 1120 kwamen de kruisvaarders bijeen in de Raad van Nablus, en maakten toen de eerste geschreven wetten voor het koninkrijk.

Tijdens de tweede helft van de heerschappij van de kruisvaarders begonnen islamitische troepen de stad binnen te vallen om controle over de stad terug te krijgen. In 1137 vielen Arabische en Turkse troepen (die gestationeerd waren in Damascus) Nablus binnen, en doodden daar christenen. Daarbij werden ook de kerken van de stad platgebrand, maar de stad werd niet heroverd.

Koningin Melisende van Jeruzalem woonde in Nablus van 1150 tot 1161, nadat ze de macht over de stad kreeg toebedeeld om zo een geschil met haar zoon Amalrik I op te lossen. De Kruisvaarders richtten verscheidene christelijke instellingen in Nablus op, waaronder een kerk gewijd aan de passie en de verrijzenis van Jezus. In 1170 richtten zij ook een verpleeghuis op voor pelgrims.

Aan de heerschappij van de Kruisvaarders kwam in 1187 een einde, toen de Ajjoebiden onder Saladin de stad veroverden. Volgens een liturgisch manuscript in het Syrisch, vluchtten de Latijns-christenen de stad uit, maar de oorspronkelijke oosters-orthodoxe christelijke inwoners bleven. De Syrische geograaf Yaqut al-Hamawi (1179-1229) schreef over het Nablus onder Ajjoebidische heerschappij als een "gevierde stad in Filastin (Palestina) ... met uitgestrekte landerijen en een mooie omgeving". Hij noemt ook de omvangrijke Samaritaanse bevolking in de stad.[13]

Na de herovering door de moslims werd de Grote Moskee van Nablus - die in de tijd van de kruisvaarders was omgedoopt tot kerk - als moskee hersteld. Maar tijdens een driedaagse rooftocht van de Tempeliers ging het gebedshuis in vlammen op. Er werden 1000 mensen gedood en naar verluidt werden vrouwen en kinderen meegenomen en verkocht op de slavenmarkten in Akko.[14][15] De Samaritaanse synagoge, die oorspronkelijk gebouwd werd in 362 door de hogepriester Akbon en later werd omgedoopt tot een kerk door de Kruisvaarders, kreeg als laatste bestemming een moskee, net als andere kerken uit de tijd van de Kruisvaarders.

Nablus viel in handen van de mammelukken-dynastie in 1260. Tijdens dat bewind zijn tal van moskeeën en scholen gebouwd, bezat Nablus stromend water en vele Turkse baden en exporteerde het olijfolie en zeep naar Egypte, Syrië, de Hidjaz, diverse mediterrane eilanden en de Arabische woestijn.

Israëlische bezetting sinds 1967[bewerken]

In de Arabisch-Israëlische oorlog van 1948 is door zionisten in Palestina de staat Israël uitgeroepen. Sinds de bezetting daarna in 1967 van de Westelijke Jordaanoever heeft Israël rond Nablus Israëlische nederzettingen en buitenposten/outposts gesticht, waaronder Ariël en Itamar, waarmee Israël tezamen met de daar aangelegde Israëlische wegen, een groot deel van het grondgebied rond Nablus annexeerde.

Eind 1995 werd het bestuur van de stad door Israël overgedragen aan de Palestijnse Autoriteit als onderdeel van de Oslo-akkoorden van 1993. De stad ligt in een van de zogenoemde A-gebieden, wat inhoudt dat de Palestijnse Autoriteit zowel civiel als militair de controle heeft over het gebied. Weliswaar houdt Israël controle over de in- en uitgangen naar de stad. Er zijn drie Palestijnse vluchtelingenkampen gelegen rond Nablus, gevestigd in 1949-1950.

Gewelddadigheden[bewerken]

Sinds de stichting van de nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever wordt er door ultra-nationalistische kolonisten, van wie een groot aantal door immigratie vanuit de Verenigde Staten in deze nederzettingen zijn komen wonen[16] veel geweld gebruikt tegen de Palestijnse bevolking. Door de Israëlische steeds rechtser wordende politiek, met name sinds eind 20ste eeuw door de huidige Netanyahu, is het aantal nederzettingen rond en in de Palestijnse steden op de Westelijke Jordaanoever sterk uitgebreid, en is de verwoesting van Palestijnse huizen, grondonteigening en annexatie van grondgebied in versneld tempo toegenomen.

Palestijnse boeren hebben al decennialang te lijden van geweld door Joodse kolonisten uit de omliggende nederzettingen die hun olijfboomgaarden vernielen, in brand steken, de oogst roven of hen de toegang tot hun land belemmeren; vaak onder toeziend oog of bescherming van de militairen van het IDF.[17]

Volgens ultra-orthodoxe Israëliërs zou zich nabij Nablus het graf van aartsvader Jozef bevinden. De graftombe wordt door hen als heilige plaats beschouwd. Maandelijks houden zij pelgrimages naar dit vermeende graf onder bescherming van het Israëlische defensieleger (IDF). Op 7 oktober 2000 vernielde een Palestijnse menigte het Graf van Jozef.[bron?] Tussen 2000 en 2005 (tijdens de Tweede Intifada), werden vanuit Nablus regelmatig terroristische aanslagen gepleegd in Israël. Het Israëlische leger viel daarom in 2002 de stad binnen als onderdeel van Operatie Beschermingsschild om terrorisme te bestrijden. Ook later viel het Israëlische leger Nablus binnen; hierbij vielen soms ook burgerslachtoffers.[bron?] De graftombe is enige tijd geleden door Israël op de lijst van Israëlisch Erfgoed (Israëli Heritage) geplaatst.[bron?]

Op 16 oktober 2015 werd de graftombe van Jozef zwaar beschadigd, toen door tientallen Palestijnse jongeren molotovcocktails werden gegooid in de ruimte waar deze staat.[18]

Op 23 oktober 2015 werd rabbijn Arik Ascherman met een mes aangevallen door een kolonist bij de nederzetting Itamar in de buurt van Nablus.[19] Hij was daar met meerdere mensen om Palestijnse boeren te beschermen tegen het geweld, de diefstal van olijven en het vernielen en in brand steken van hun olijfgaarden door Joodse kolonisten.

Van donderdag 2 op vrijdag 3 juni 2016 werd door joodse Israëliërs weer een massale nachtelijke gebedsbijeenkomst gehouden bij de graftombe. Zij werden daarbij beschermd door soldaten van het IDF. Toen Palestijnse jongeren begonnen te demonstreren werd op hen geschoten, waarbij 10 gewonden vielen. Een daarvan Jamal Dweikat ,(20), bezweek later aan zijn verwondingen.[20]

Begin september 2016 werden de wegen rond Nablus en een aantal Palestijnse dorpen, waaronder Burin, door het Israëlische leger (IDF) gebarricadeerd met steenhopen. Deze actie zou, in tegenspraak tot een beslissing van het Hooggerechtshof, een 'collectieve straf' zijn naar aanleiding van klachten van het leger vanwege stenen gooien langs de Israëlische 'Route 60'. Voor de bewoners van deze Palestijnse dorpen is daardoor hun dagelijks leven totaal ontregeld en zijn ze ook afgesloten van noodzakelijke medische hulp.[21] Dit komt bovenop de agressie en de regelmatige aanvallen op de Palestijnse olijfboomgaarden door joodse kolonisten uit de omliggende nederzettingen.[22]

Geboren[bewerken]

Samaritaanse hogepriesters[bewerken]

Overige personen[bewerken]

Zie ook[bewerken]

Externe link[bewerken]

Panorama over Nablus, met aan de rechterkant de berg 'Ebal' met de rots "Sit Islamieh" en links de zuidelijk gelegen berg "Jirziem" met in de verte een militaire post van het IDF