Westelijke Jordaanoever

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Warning icon.svg De neutraliteit van dit artikel wordt betwist.
Zie de bijbehorende overlegpagina voor meer informatie.
Westelijke Jordaanoever
landsdeel in Palestina Vlag van Palestina
We-map.png
Algemeen
Inwoners 2.785.366 Palestijnen en 356.000 Israëli's[1]
Detailkaart
Gouvernementen en gebieden onder Palestijns gezag (Area A en Area B donkergroen, samen 28% van de landoppervlakte)
Gouvernementen en gebieden onder Palestijns gezag (Area A en Area B donkergroen, samen 28% van de landoppervlakte)
Foto's
Het centrum van Ramallah, Westelijke Jordaanoever, 2007
Het centrum van Ramallah, Westelijke Jordaanoever, 2007
Portaal  Portaalicoon   Azië

De Westelijke Jordaanoever (Arabisch: الضفة الغربية, aḍ-Ḍiffä l-Ġarbīyä, Hebreeuws: הגדה המערבית, Hagadah Hama'aravit), ook wel Westoever genoemd is het grootste grondgebied van de Palestijnse gebieden en vormt samen met de Gazastrook de staat Palestina. Sinds 1967 is het gebied militair bezet door Israël die het als het (administratieve) district Judea en Samaria aanduidt. Het is een bergachtig gebied dat aan de oostzijde wordt begrensd door de rivier de Jordaan en de Dode Zee. Naast deze natuurlijke grens worden de noordelijke, westelijke en zuidelijke grenzen gevormd door de wapenstilstandsgrenzen van 1949 tussen Israël en Jordanië, de zogenoemde Groene Lijn.

Demografie[bewerken]

In december 2007 hield de Palestijnse Autoriteit een volkstelling. Hieruit bleek dat er op de Westelijke Jordaanoever inclusief Oost-Jeruzalem 2.345.000 Palestijnen woonden, een verdubbeling ten opzichte van 10 jaar daarvoor.[2] Op de Westelijke Jordaanoever wonen ook nog 341.000[1] Israëlische kolonisten in nederzettingen. In Oost-Jeruzalem wonen 200.000 Israëliërs. Verder wonen op de Westelijke Jordaanoever nog kleine etnische groepen zoals Samaritanen, maar deze groepen zijn zeer klein en bestaan uit een paar honderd mensen. Na de tweede intifada (2000-2005) is het contact tussen Palestijnse en Israëlische bewoners sterk afgenomen.

Rond de 30% van de Palestijnen die op de Westelijke Jordaanoever wonen zijn Palestijnse vluchtelingen of nakomelingen van vluchtelingen die vóór 1948 in het gebied, dat nu Israël heet, woonden. In juni 2008 waren dat volgens de UNRWA 754.263 personen.[3]

Zo'n 75% van de inwoners van de Westelijke Jordaanoever is moslim, 17% is joods en 8% is christen. In 2014 telde de Westelijke Jordaanoever naar schatting 2.785.366 Palestijnse en 356.000 Israëlische inwoners.[1]

Voorgeschiedenis: Mandaatgebied Palestina[bewerken]

Map
Kaart met de grenzen van het Verdelingsplan van 1947 van de V.N. (roze) vergeleken met de wapenstilstandsgrens van 1949 (groen)

De 'Westelijke Jordaanoever' was tot 1948 een deel van het Britse Mandaatgebied Palestina in het voormalige Palestina in de Levant.

Na 1948: De Westelijke Jordaanoever[bewerken]

In de Arabisch-Israëlische Oorlog van 1948, waarin zionistische Joden in een groot deel van dit Mandaatgebied de staat Israël uitriepen, werd het overgebleven deel door (toenmalig) Transjordanië veroverd. Tijdens maar ook na deze oorlog werd Jeruzalem grotendeels verwoest, en na de wapenstilstand in 1949 was het een met prikkeldraadversperringen verdeelde stad: West-Jeruzalem bij Israël en Oost-Jeruzalem (inclusief de 'oude stad', Al-Quds) bij Transjordanië. De wapenstilstandsgrens werd 'de Groene Lijn' genoemd. Op 24 april 1950 annexeerde Transjordanië het Palestijnse gebied formeel en noemde het de 'Westelijke Jordaanoever'. Trans-Jordanië (dat "over de Jordaan" betekent) veranderde hierna zijn naam in Jordanië. De Palestijnen die er woonden kregen automatisch het Jordaanse staatsburgerschap. De annexatie werd alleen erkend door Groot-Brittannië en Pakistan, beide landen waren bevriend met het bestuur van Jordanië. Het gebied met inbegrip van Oost-Jeruzalem werd verboden gebied voor Joden uit Israël en de andere landen.[4] Christelijke pelgrims moesten een doopbewijs tonen aan de Jordaanse autoriteiten om te bewijzen dat ze geen Jood waren.[5][6]

Sinds de Zesdaagse oorlog van 1967[bewerken]

In de Zesdaagse Oorlog van juni 1967 werd de Westelijke Jordaanoever door Israël veroverd en vervolgens militair bezet evenals Oost-Jeruzalem met de Oude Stad Al-Quds (Jeruzalem) (Volgens Resolutie 181 Algemene Vergadering Verenigde Naties van 1947 zou Jeruzalem als geheel een aparte status moeten krijgen). Vervolgens annexeerde Israël Oost-Jeruzalem samen met een groot aantal omringende Palestijnse dorpen.[7] Het dagelijks bestuur van de Tempelberg met daarop de Al-Aqsa moskee met de bekende Rotskoepel bleef onder beheer van de (toen door Jordanië gedomineerde) waqf, een islamitische organisatie. In 1988 liet Jordanië zijn claim op de Westelijke Jordaanoever varen.

Militair bestuur door Israël[bewerken]

De Zesdaagse oorlog eindigde op 10 juni. De dag erna stelde Israël een militair bestuur aan om dit Palestijnse gebied (deel van wat de Israëliërs "de Gebieden"/'The Territories' gingen noemen) te besturen. De verantwoordelijke bevelhebber daarvan vaardigde militaire orders (M.O.) uit die kracht van wet hadden: als men ze niet gehoorzaamde was men verantwoording schuldig aan een militaire rechtbank. Eind 1966 had Israël het militair bestuur over de Palestijnse bevolking in Israël zelf beëindigd, dat in 1948 was ingesteld. Het leven van de Palestijnse bewoners wordt op veel terreinen door militaire orders bepaald: burgerlijke, strafrechtelijke juridische zaken en alles wat met veiligheid en leger te maken heeft. Overtredingen vallen onder de militaire rechtbank [8] Joodse kolonisten vallen onder het Burgerlijk recht.

Civiel bestuur[bewerken]

Sinds 1981 is het Israëlische bestuursorgaan voor de bezette Westelijke Jordaanoever het "Civiel Bestuur" (Hebreeuws: מנהל האזרחי‎, ha-Minhal ha-ʾEzraḥi; Engels: the Civil Administration), in het leven geroepen door militaire order nr. 947. Hoewel het er formeel gescheiden van opereert, valt het onder het gezag van het Israëlische leger en de Shin Beth. Het personeel bestaat uit IDF militairen en (Israëlische) burger-ambtenaren. Israël duidt zijn bestuur over de Israëlische nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever aan met Judea en Samaria (district).

Het Civiel Bestuur maakt onderdeel uit van een groter orgaan, dat bekend is onder de naam: Coordinator of Government Activities in the Territories (COGAT).[9], wat op zijn beurt weer onderdeel is van het Israëlische Ministerie van Defensie.

Haar functies werden na de Oslo-akkoorden in 1994 weliswaar grotendeels overgenomen door de Palestijnse Autoriteit, maar zij heeft nog steeds een bestuurstaak behouden ten aanzien van de Palestijnse bevolking in het C-gebied van de Westelijke Jordaanoever, en de coördinatie met de Palestijnse regering.

Het systeem van militaire orders bleef echter van kracht. Er wordt ook nog gebruik gemaakt van Britse wetten, onder meer uit de mandaatperiode 1936-1947, waarmee het Britse bestuur destijds in eerste instantie de openbare orde na de Arabische opstand wilde veiligstellen en later -na 1945- de onrust aan Joodse en Palestijnse zijde wilde beteugelen. Bijvoorbeeld de "Palestine (Defence) Order in Council" van 1937, en de "Defence (Emergency) Regulations" van 1945; alles bij elkaar 147 regels. Deze werden opgenomen in het Israëlische wetboek, tenzij zij uitdrukkelijk geannuleerd waren. Ook wetten uit de Jordaanse- en zelfs de Ottomaanse tijd worden toegepast (bijvoorbeeld de regel dat een akker die drie jaar niet wordt bewerkt vervalt aan de staat).

Israel ziet zich overigens niet als "bezetter". Zij ziet zich dan ook niet gebonden aan bv de 4e Geneefse Conventie. De Westbank ziet zij als "betwist" gebied. De Palestijnen en de Internationale gemeenschap ziet dat anders.

Handhaving openbare orde[bewerken]

De openbare orde wordt gehandhaafd door de Israëlische Grenspolitie (Engels: Israel Border Police) in verbinding met het Israëlische defensieleger. Militaire order 101 verbiedt samenkomsten van 10 personen of meer voor een zaak die als 'politiek' geïnterpreteerd kan worden, tenzij de Israëlische militaire commandant permissie heeft gegeven. Daarvoor staat een detentie van 10 jaar en/of een hoge boete. Militaire order 224 verklaart de noodmaatregelen van 1945 van het Britse mandaatsbestuur van kracht voor de Palestijnen op de Westelijke Jordaanoever.

Deze wetten hebben "een nazi-karakter, zijn tiranniek, immoreel en illegaal"...dat zijn woorden van Menachem Begin destijds.[10]

Militaire order 132 staat de arrestatie en gevangenzetting van kinderen vanaf 12 jaar oud toe.

Gesloten militaire zone[bewerken]

Als het Israël goeddunkt kan een commandant een bepaald gebied tot 'gesloten militaire zone' verklaren (M.O. 1651) wat inhoudt dat Israëlische militaire belangen vóór alle andere belangen gaan. In de praktijk betekent dit vaak dat er voor de Palestijnse bewoners van dat gebied een eind komt aan hun gewone dagelijkse bestaan. Dries van Agt geeft als voorbeeld een gebied ten zuiden van Hebron: Schaapherders en kleine boeren van een 12-tal gehuchten woonden daar sinds 1967 in een (verklaard) 'gesloten militair gebied'. In 1999 werden zij daaruit verdreven en hun eigendommen werden geconfisqueerd. In dit geval hielp een beroep op het Israëlisch Hooggerechtshof: echter sinds de meesten zijn teruggekeerd -hun grotwoningen waren intussen verwoest, waterbronnen afgesloten, schapen en geiten gestolen- wordt hen het leven zeer bemoeilijkt door kolonisten.[11] Een order om snel demonstratie's te voorkomen of uiteen te slaan.

Israëlische nederzettingen[bewerken]

Met betrekking tot de Israëlische nederzettingen zijn de M.O.'s nr. 783 (aangaande bestuur van regionale Raden, Councils) en nr. 892 (bestuur plaatselijke Raden) van kracht. Zij geven de nederzettingen en hun leiders de status van territoriale enclaves waarin de Israëlische wet geldt.

Onteigening van grondgebied[bewerken]

Op de Westelijke Jordaanoever zijn ook de Israëlische M.O.'s nrs. 811 en 847 van kracht die het Joden toestaat om land te kopen van onwillige Palestijnse verkopers door gebruik te maken van 'volmacht' (power of attorney)(vgl[12]).

Op basis van M.O. 364 heeft Israël reeds vele hectares Palestijns grondgebied tot 'Staatsland' verklaard c.q. geconfisqueerd en verklaart/confisqueert nog steeds, zoals onder meer op 10 maart 2016 een gebied van 234 hectare ten zuiden van Jericho niet ver van de Dode Zee.[13] De legerradio bevestigde dat daartoe een verklaring was ondertekend.

Verwoesting van huizen en gebouwen[bewerken]

Vele huizen die in Palestijnse dorpen in gebied C van de Oslo-akkoorden liggen, worden systematisch door Israël verwoest.[14] Bewoners ervan worden verdreven of gedwongen overgeplaatst naar andere delen op de Westelijke Jordaanoever. Echter, bewoning op die plaatsen kan naderhand weer door Israël als 'illegale bewoning' bestempeld worden.

In juli 2016 werd Israël er door de EU op gewezen om zich als bezetter te houden aan zijn verplichtingen aan internationale wetten, universele normen en de Oslo-akkoorden. Sinds 2013 zijn er namelijk in toenemende mate honderden huizen van Palestijnen verwoest, waaronder "in de eerste 6 maanden van 2016 alleen al 91 humanitaire gebouwen van de Europese Unie (EU)".[15]

Afcheidingsmuur/-hek[bewerken]

De Israëlische Westoeverbarrière (sinds 2002) loopt voor het grootste deel over Palestijns land en wijkt hiermee af van de Groene Lijn, de wapenstilstandsgrens van 1949. De benodigde grond hiervoor, plus die ten behoeve van een brede parallelle veiligheidszone, is reeds en wordt steeds verder onteigend door middel van talrijke militaire orders, zoals Declaration s/2/03 (2003): Gronden aan de Israëlische kant worden geconfisqueerd en tot 'Gesloten gebied' verklaard voor Palestijnen. Alleen Palestijnen die er vlakbij wonen mogen soms door een specifiek poortje passeren en zich er ophouden, mits zij over een persoonlijk en geschreven goedkeuringsbewijs beschikken van de bevoegde commandant van het (IDF), meestal voor een beperkte tijd.

Water[bewerken]

Water is in dit gebied -en over 't algemeen in het Midden Oosten- een zeer kostbaar en schaars artikel. Ten aanzien van deze levensbehoefte zijn door de bezettingsmacht ingrijpende orders uitgevaardigd:

  • Militaire order nummer 2 van de (commandant van de) Israëlische krijgsmacht, plechtig genaamd 'Militaire Proclamatie 2', uitgevaardigd op 7 juni 1967 (tijdens de Zesdaagse Oorlog, bepaalt dat de watervoorraden op de Westelijke Jordaanoever, boven- en ondergronds, eigendom zijn van de staat Israël en door de staat worden beheerd.

Hierna zijn met betrekking tot dit onderwerp nog vele militaire orders uitgevaardigd, o.a.:

  • Order Nr. 58 (1967) verklaart dat het verboden is om een nieuwe waterinstallatie te bouwen zonder goedkeuring van de bevoegde officier, en dat deze een aanvraag daartoe kan weigeren zonder opgaaf van redenen.
  • Order Nr. 92 (1967) verklaart dat de rechtsmacht om te beslissen over alle water-aangelegenheden ligt bij een speciale officier die wordt aangewezen door een Israëlisch gerechtshof.
  • Order Nr. 158 (1967) verbiedt Palestijnen om nieuwe waterputten te slaan, oude waterputten te verdiepen of waterprojecten te bouwen. De straf op niet naleven is confiscatie ervan.
  • Order Nr. 291 (1968) verklaart alle overeenkomsten met betrekking tot land en water die van vóór 1967 dateren ongeldig.

Voor hun drinkwater-voorziening en de irrigatie van hun akkers zijn de Palestijnen hier dus geheel afhankelijk van de staat Israel.

Gevolgen voor de leefbaarheid[bewerken]

Door de Westelijke Jordaanoever militair in bezit te nemen kreeg Israël de facto de macht over de zogeheten Mountain/(Berg) Aquifer en als bezettende staat daarmee de jure de verantwoordelijkheid over een juist en rechtvaardig gebruik ervan (met het oog op de plaatselijke bevolking).[16] Het water ervan stroomt ondergronds in alle windrichtingen. Het dekt een derde van de waterbehoefte van Israël zelf. Het komt ook in de Jordaan vallei aan de oppervlakte (b.v. in Jericho) of het wordt er opgepompt. Niet in de laatste plaats door een hele serie zionistische nederzettingen die daar zijn en die er hun landbouwgronden mee irrigeren.[17] Deze vallei is dan ook C-gebied (Oslo-akkoorden II) en al Israel's plannen en gedrag lijken te duiden op haar voornemen tot annexatie. Hierdoor zou een Palestijnse Staat geen oever-staat meer zijn (met verlies van alle rechten vandien).

In de decennia die volgden op de Zesdaagse oorlog zijn de putten waarover de Palestijnen konden beschikken minder water gaan produceren of zelfs droog komen te staan. Volgens Palestijnse waterdeskundigen komt dat omdat Israël (ook t.b.v. de nederzettingen) meer water oppompt (mede vanwege hun diepere putten (tot 600 m.). Israël ontkent dit; het bewijs valt moeilijk te leveren en gedetailleerde gegevens zijn geheim.[17] Intussen ziet het akkerland van de nederzettingen er goed geïrrigeerd uit en beschikken deze niet zelden over zwembaden. Daarentegen moeten vele Palestijnen woekeren met regenwater. Veel Palestijnen hebben bij hun huis een cisterne aangelegd, een ondergrondse ruimte waarin regenwater wordt opgeslagen (inhoud 50 a 80 m3). De meeste gezinnen gebruiken echter meer per jaar en moeten dus water kopen bij een waterhandelaar, die dit op zijn beurt moet kopen bij de Israëlische waterleidingmaatschappij Mekorot.[17]

Steden als Bethlehem, Ramallah en Nabloes beschikken over een waterleidingnet wat nog uit de Britse tijd dateert, gebreken vertoont en te weinig capaciteit heeft. Veel water gaat ook verloren door lekkende leidingen. Veel gezinnen hebben daarom een tank op hun dak aangelegd.[17]

Met betrekking tot het Palestijns watergebruik voor de land- en tuinbouw: Israël bevroor dit op het niveau van voor 1967.[18][19]

Gewassen[bewerken]

Eeuwenlang hebben Palestijnen olijfbomen geplant, verzorgd en olijven geplukt. Nu is toestemming nodig van de militaire commandant: M.O. 1015.

Vrijheid van meningsuiting[bewerken]

Ook voor de import, de verspreiding en het drukken van kranten en tijdschriften is toestemming nodig (MO 50); voor het uitzenden van radio- en TV-programma's (MO 79); het beinvloeden van de publieke opinie door het hijsen van een vlag of het verspreiden van artikelen of uitingen van kunst is verboden als dit de publieke opinie zo beinvloedt dat de (staats)veiligheid in gevaar komt.[20]

Palestijnse Autoriteit[bewerken]

De Oslo-akkoorden van 1993 stelden een Palestijnse staat in het vooruitzicht, waarnaar sinds de bezetting door Israël de politieke Fatah-beweging en vervolgens ook de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) onder leiding van Yasser Arafat streefden. De akkoorden werden in 1993 gesloten en de in 1994 opgerichte Palestijnse Autoriteit - die nu onder leiding staat van Mahmoed Abbas - kreeg beperkte autonomie in delen van de Westelijke Jordaanoever, die daarvoor werd ingedeeld in gebieden met een A-, B- of C-status:[21]

  • Gebied A (18% van het grondgebied, 55% van de populatie) waar de Palestijnse Autoriteit zowel het burgerlijk bestuur als het veiligheidstoezicht uitoefent. Voornamelijk de steden Jenin, Nabloes , Tulkarem , Qalqilya , Jericho, Ramallah , Bethlehem en Al-Khalil / Hebron.
  • Gebied B (20% van het grondgebied, 41% van de populatie) waar de Palestijnse Autoriteit het burgerlijk bestuur uitoefent met gedeeld Israëlisch-Palestijns veiligheidstoezicht .Voornamelijk platteland.
  • Gebied C (62% van het grondgebied, 5,8% van de bevolking) onder volledig Israëlisch veiligheidstoezicht en bijna volledig Israëlisch burgerlijk toezicht. Met name vruchtbare en bronrijke gebieden; gebied aan weerskanten van de Israëlische Westoeverbarrière en een brede strook langs de Jordaan; delen waarin sinds 1967 veel Israëlische nederzettingen waren gesticht.

Over de status van Jeruzalem zou vijf jaar na de Oslo-akkoorden onderhandeld worden (1999).

De Verenigde Naties houden voor de verdeling van het Mandaatgebied Palestina nog steeds vast aan het Verdelingsplan van 1947 volgens Resolutie 181 Algemene Vergadering Verenigde Naties) en vele daaropvolgende resoluties

C-gebied[bewerken]

Restricties met betrekking tot de toegankelijkheid van en op de Westelijke Jordaanoever, 2014.[1]

Door alle maatregelen wordt het leven van de Palestijnen in het C-gebied maatschappelijk, economisch en op gezins/familieniveau sterk bemoeilijkt. Israël is bezig dit gebied de facto te annexeren (volgens het Masterplan 2010 van Ariel Sharon) [22] Gate48 gaf in september 2016 een onderzoeksrapport uit over de omstandigheden waarmee de Palestijnen in dit gebied te maken hebben.[23] (Het linker kaartje: "Restricties van de toegankelijkheid...", geeft het C-gebied in lichtblauw weer).

Israëlisch Masterplan[bewerken]

Voor de Palestijnse C-gebieden zijn en worden door Israëlische bestuurders 'Masterplannen' aangenomen binnen het "Masterplan voor Israël in de 21ste eeuw" Israël 2020, van het Samuel Neaman Institute, het Israëlische Instituut voor Technologie. Een tweede fase is gepland tot 2050, waarbij de bezette Westelijke Jordaanoever, dat Israël beschouwt als zijn Judea en Samaria (district), impliciet door Israël naar behoefte kan worden ingevuld en gebruikt "National planning must ensure the country's ability to embrace future surges of immigration by preserving extensive land reserves.", met name wanneer in het scenario van 'Israel and the Jewish People' wordt gesproken over de congruentie van de nationale grenzen en het Heilige Land (Beloofde land)[24] In de opties voor de toekomtige ruimtelijke organisatie van Israël, het 'National Spatial Plan' van het masterplan wordt vermeld dat Israël vreedzame relaties onderhoudt met zijn buren in het Midden-Oosten (pagina 6). Palestina wordt niet genoemd.

Beperking bewegingsvrijheid[bewerken]

Juist dit thema heeft de Human Rights Council / Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties eind januari 2016 in haar jaarlijkse rapport over de mensenrechtensituatie in de Bezette Palestijnse Gebieden en Oost-Jeruzalem belicht. Zij beschrijft deze situatie door een analyse te geven hoe in deze gebieden bewegingsvrijheid beperkt wordt door de bezetting en onderzoekt de impact van deze beperkingen op het economisch welbevinden van de Palestijnen en hun sociale en culturele rechten.[25]

Checkpoints[bewerken]

De bevolking van de bezette Westelijke Jordaanoever wordt onder andere gecontroleerd door een systeem van honderden controleposten ofwel checkpoints. Verhelderende gegevens daarover vindt men in het rapport van 29 januari 2007 van de Speciale (V.N.)rapporteur voor de mensenrechten in de bezette Palestijnse gebieden, de Zuid-Afrikaan John Dugard [26] Het zijn merendeel 'vaste' posten, maar er is ook een aantal 'vliegende' posten, die plotseling worden opgezet.

In 2014/15 waren er 85 vaste checkpoints op de Westelijke Jordaanoever (waarvan 9 op de Groene Lijn). Verder waren er honderden "vliegende" controleposten, die nu eens hier dan weer daar worden opgericht. Met de daarbij geplaatste wegblokkades, tranches en aarden wallen wordt zo de bewegingsvrijheid van Palestijnen ernstig belemmerd. Voeg daarbij de rigoureuze inspecties van voertuigen en bagage, waardoor langdurige vertraging ontstaat. Deze situatie ontregelt het dagelijkse leven van de Palestijnse bevolking: sociaal, economisch en religieus.

Checkpoint bij Abu Dis op de Westelijke Jordaanoever, 2006

Deze checkpoints verdelen de Westelijke Jordaanoever in vier gescheiden gebieden: Noord (Nabloes, Jenin en Tulkarem; Centrum (Ramallah), Zuid (Hebron), en Oost-Jeruzalem. Daarbinnen worden nog weer kleinere enclaves gevormd (mede door de aparte wegen voor kolonisten): zo'n 10 'kantons of Bantoestans' (zoals de Zuidafrikaanse jurist John Dugard ze in zijn rapport noemt). De Palestijnse bevolking moet zich bij deze checkpoints legitimeren (pasjesregeling) en wordt daar ondervraagd. Deze identiteitskaarten zijn heel belangrijk voor familiebezoek, werk, zaken, en dergelijke. Ze zijn echter moeilijk te verkrijgen en het kwijtraken ervan veroorzaakt een groot probleem. De regels bij de checkpoints worden ook regelmatig veranderd en informatie aan het publiek (over sluiting of veranderde openingstijden) is summier. Er bestaat bovendien een geheime lijst van 180.000 Palestijnen (2007) aan wie de doorgang wordt geweigerd (terwijl zij dit zelf pas ter plaatse ervaren.[27] Joods-Israëlische vrouwen hebben, vanwege een niet zelden voorkomende onheuse bejegening van Palestijnen door hun joodse landgenoten die de checkpoints bemensen (b.v. pasjesinname zonder opgaaf van redenen, urenlang laten wachten in de felle zon, geschreeuwde bevelen, alle bovenkleding laten uitdoen), een toezichtgroep Machsom Watch opgericht.[28] Zij observeren het gedrag van deze Israëlische soldaten en reageren assertief als zij schendingen van mensenrechten constateren.

Verkeer van en naar de Gazastrook[bewerken]

Het gaat hierbij over een verbinding tussen 1.8 miljoen Palestijnen in de Gazastrook enerzijds en 3 miljoen Palestijnen op de Westelijke Jordaanoever en in Oost-Jeruzalem anderzijds. In overeenstemming met de Oslo-akkoorden opende Israel in oktober 1999 een safe passage/een veilige verbinding tussen de Gazastrook en de Westelijke Jordaanoever. Daarover mochten toen 12000 burgers van de Gazastrook naar de Westelijke Jordaanoever reizen. Deze route werd echter in september 2000 vrijwel afgesloten, nadat de 2e Intifada was uitgebroken. Nadat in 2007 Hamas aan de macht gekomen was in de Gazastrook stelde Israël strikte quota voor pasjes/permits in voor bepaalde categorieën van personen. Dit was dan ivm. medische en humanitaire noodzaak en voor enkele zakenmensen. In 2014/2015 was het aantal reizigers - dankzij verzachtingen van enkele maatregelen - gestegen tot 13.800. De Egyptische autoriteiten sloten hun grens met de Gazastrook op 24 oktober 2014. Eind oktober 2015 wachtten 30000 Gazanen (geregistreerd als humanitaire gevallen) op de openstelling van de Rafahdoorgang naar Egypte.[29]

Israëlische nederzettingen[bewerken]

De bouw, sinds 1967, van Israëlische nederzettingen in bezet gebied is door de VN-Veiligheidsraad in resolutie 446 van maart 1979 illegaal verklaard. De geldigheid van deze resolutie wordt echter door Israël betwist. Hoewel veel zogenaamde buitenposten (Engels: outposts) na verloop van tijd tot officiële nederzettingen worden gemaakt of bij bestaande nederzettingen worden gevoegd worden sommige buitenposten ook door Israël wel als illegaal beschouwd. Vaak betreft dit een aantal campers of caravans waarin streng religieuze joodse jongeren verblijven; na een illegaal-verklaring weigeren ze veelal te vertrekken. Dit leidt soms tot confrontaties van deze kolonisten met het Israëlische leger en de politie, maar niet altijd tot verwijdering van deze posten of wordt het stuk land tot 'state-land'verklaard.[30]

In 1976 verklaarde de toenmalige Israëlische minister-president Yitzhak Rabin dat voortzetting van vestiging van nederzettingen tot Apartheid zou kunnen leiden. Hij duidde de Joods fundamentalistische organisatie voor nederzettingen Gush Emunim/Goesj Emoeniem aan als "een kanker in het maatschappelijk en democratisch weefsel van de staat Israël".[9] Binnen Gush Emunim was in 1976 een kleinere kolonistenorganisatie opgericht: Amana, die in de jaren daarna uitgroeide tot een grote organisatie met vertegenwoordigers in de VS en Europa. Deze zionistische nederzettingen-organisatie Amana financiert door middel van buitenlandse fondsen de huizenbouw en infrastructuur van de Israëlische nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever.

In augustus 2005 werden weliswaar samen met de ontruiming van alle Israëlische nederzettingen in de Gazastrook, 4 van de 150 nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever ontruimd[31]. Maar daarentegen werd door Israël te zelfder tijd het plan bekendgemaakt dat de nederzetting Betar Illit, die al meer dan 20.000 kolonisten had, datzelfde jaar nog uitgebreid zou worden met ten minste 235 woningen, waarmee het deel zou gaan uitmaken van het Goesj Etsion nederzettingenblok. Dit was in strijd met de zogenoemde 'Roadmap' uit 2003, een vredesplan voorbereid door het 'Quartet', de Verenigde Naties, de Verenigde Staten, de Europese Unie en Rusland, die de vorming van twee onafhankelijke staten beoogde. President George W. Bush van de VS had de Israëlische premier Ariël Sharon daarvóór ook al gewaarschuwd tegen verdere uitbreiding van de 150 nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever en in Oost-Jeruzalem, waar toen al 400.000 Israëliërs woonden. De Palestijnse Planning-minister Ghassan al-Khattib beschreef dit Israëlische plan als een "provocatie jegens het Palestijnse volk"[32]

Een aantal voorbeelden van nederzettingen[bewerken]
Kaartje met de Israëlische nederzettingen, 2005

hoewel de lijst lang niet volledig is.[33] [34]

Buitenlandse financiering[bewerken]

Uit onderzoek door de Israëlische krant Haaretz is gebleken dat in de periode 2009-2013 private donoren in de Verenigde Staten, via non-profit organisaties, reeds meer dan $220 miljoen hebben doorgesluisd aan Joodse gemeenschappen op de Westelijke Jordaanoever.[35] Terwijl de Israëlische rechtse politiek links-politieke organisaties beticht van het verkrijgen van buitenlandse donaties en daar steeds verder inperkt[36], ontvangen Israëlische groepen die de nederzettingen steunen via private personen grote sommen geld. [37]

Producten uit nederzettingen[bewerken]

In november 2015 antwoordde de Europese Commissie op vragen van ministers van buitenlandse zaken van EU-staten (waaronder Minister Bert Koenders van Nederland) met een Notitie hoe EU-wetgeving moet worden geïnterpreteerd met betrekking tot de door Israël in 1967 bezette gebieden en in het bijzonder betreffende de aanduiding made in Israel op producten uit nederzettingen buiten Israëls grenzen van 1967. In deze Notitie werd herhaald dat deze voornoemde gebieden bezet zijn en de erop gebouwde nederzettingen illegaal volgens internationaal recht; dat de aanduiding 'made in Israel' juridisch niet juist is en daarmee consumenten onjuist zou voorlichten en onvoldoende keuzevrijheid zou bieden. Bovendien zou hiermee een oneerlijk voordeel worden behaald gezien het EU-associatieverdrag met Israël. Israël besloot daarop de contacten met EU-instellingen die betrokken zijn bij het vredesproces met de Palestijnen op te schorten.[38]

Wegen voor kolonisten[bewerken]

Voor verbinding met Israël en de nederzettingen onderling is een uitgebreid wegennet door de Westelijke Jordaanoever aangelegd dat niet toegankelijk is voor Palestijnen. Het mag alleen gebruikt worden door kolonisten. Hierover kan men in korte tijd van en naar Israel resp. van Israel naar de grote nederzettingen rijden zonder dat men door Palestijnse stadjes en dorpjes hoeft te rijden. (Vandaar dat in het Engels deze wegen "settler-bypass-roads" worden genoemd)

Westoeverbarrière[bewerken]

Israël besloot in 2002 een scheidingsmuur te bouwen, volgens zeggen om zich te beschermen tegen zelfmoordaanslagen en beschietingen vanuit de Westelijke Jordaanoever (lijst van aanslagen in Israël). Deze Israëlische Westoeverbarrière ligt deels op de grens van, deels diep in de Westelijke Jordaanoever. De muur en de vele controleposten/checkpoints belemmeren het economisch verkeer vanuit de Westelijke Jordaanoever. De Algemene Vergadering van de Verenigde Naties bepaalde dat een gedeelte van het traject in strijd is met het internationaal recht, na een identiek advies van het Internationaal Gerechtshof in Den Haag (2004). De motivering hiervoor is dat deze Westoeverbarrière niet de Groene Lijn (de wapenstilstandsgrens) volgt, maar diep in de Westelijke Jordaanoever snijdt waardoor Palestijns grondgebied bij Israël geannexeerd wordt. Het betreft vooral gebieden waar de muur om nederzettingen en religieuze plaatsen heen is gebouwd teneinde deze te beschermen en de toegang vanuit Israël gemakkelijker te maken. Door de Palestijnen wordt de muur ook wel Sharon's Wall of Apartheidsmuur genoemd. Palestijnse christenen en moslims maken er bezwaar tegen dat bepaalde religieuze plaatsen hiermee alleen door en voor joden worden geclaimd.

De belangrijkste Palestijnse plaatsen op de Westelijke Jordaanoever[bewerken]

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]