Westelijke Jordaanoever

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Westelijke Jordaanoever
landsdeel in Palestina Vlag van Palestina
We-map.png
Algemeen
Inwoners 2.785.366 Palestijnen en 356.000 Israëli's[1]
Detailkaart
Kaartje met de nederzettingen
Kaartje met de nederzettingen
Foto's
Het centrum van Ramallah, Westelijke Jordaanoever
Het centrum van Ramallah, Westelijke Jordaanoever
Portaal  Portaalicoon   Azië

De Westelijke Jordaanoever (Arabisch: الضفة الغربية, aḍ-Ḍiffä l-Ġarbīyä, Hebreeuws: יהודה ושומרון / הגדה המערבית, Jehoeda Wesjomron (Judea en Samaria) / Hagadah Hama'aravit), ook wel Westoever of (minder juist) Cisjordanië genoemd, is het grootste grondgebied van de Palestijnse gebieden en vormt samen met de Gazastrook de staat Palestina. Het is een bergachtig gebied dat aan de oostzijde wordt begrensd door de rivier de Jordaan en de Dode Zee. Naast deze natuurlijke grens worden de noordelijke, westelijke en zuidelijke grenzen gevormd door de wapenstilstandsgrenzen van 1949 tussen Israël en Jordanië, de zogenoemde Groene Lijn.

In 2014 telde de Westelijke Jordaanoever naar schatting 2.785.366 Palestijnse en 356.000 Israëlische inwoners.[1]

Westelijke Jordaanoever na 1948[bewerken]

Map
Kaart met de grenzen van het Verdelingsplan van 1947 van de V.N. (roze) vergeleken met de wapenstilstandsgrens van 1949 (groen)

Na de Arabisch-Israelische-Oorlog[bewerken]

Het gebied is dat deel van het voormalige Britse Mandaatgebied Palestina dat in 1948 door (toenmalig) Transjordanië werd veroverd, nadat zionistische Joden de staat Israël hadden uitgeroepen in een groot deel van dit mandaatgebied. Hierbij werd de Joodse wijk van Jeruzalem tijdens, maar ook na de oorlog grotendeels verwoest en Jeruzalem werd een verdeelde stad met vele (prikkeldraad)versperringen. Op 24 april 1950 werd het gebied formeel geannexeerd door Transjordanië, na annexatie noemde Jordanië het gebied 'Westelijke Jordaanoever'. Transjordanië (dat "over de Jordaan" betekent) veranderde hierna zijn naam in Jordanië. De Palestijnen die er woonden kregen automatisch het Jordaanse staatsburgerschap. De annexatie werd alleen erkend door Groot-Brittannië en Pakistan, beide landen waren bevriend met het bestuur van Jordanië. Het gebied met inbegrip van Oost-Jeruzalem werd verboden gebied voor Joden uit Israël en de andere landen.[2] Christelijke pelgrims moesten een doopbewijs tonen aan de Jordaanse autoriteiten om te bewijzen dat ze geen Jood waren.[3][4]

Zesdaagse oorlog en erna[bewerken]

In de Zesdaagse Oorlog van 1967 werd het gebied door Israël veroverd en vervolgens militair bezet evenals Oost-Jeruzalem met de 'oude stad' van Jeruzalem (Jeruzalem als geheel zou volgens Resolutie 181 Algemene Vergadering Verenigde Naties in deze geschiedenis een aparte status krijgen). Vervolgens annexeerde Israël Oost-Jeruzalem met een groot aantal omringende Palestijnse dorpen. Het dagelijks bestuur van de Tempelberg met daarop de Al-Aqsa moskee met de bekende Rotskoepel bleef onder beheer van de (toen door Jordanië gedomineerde) waqf, een islamitische organisatie. In 1988 liet Jordanië zijn claim op de Westelijke Jordaanoever varen.

Militaire bezetting en bestuur[bewerken]

Sinds het begin van de bezetting in juni 1967 bestuurt de bevelhebber van het israelisch leger ter plaatse "de Gebieden" ( "the Territories") via het uitvaardigen van militaire orders.Deze orders hebben kracht van wet: als men ze niet gehoorzaamt is men verantwoording schuldig aan een militaire rechtbank.

Heel veel terreinen van het leven van de Palestijnse bewoners worden hierdoor bepaald: burgerlijke, strafrechtelijke zaken en alles wat met veiligheid en leger te maken heeft.[5] Joodse kolonisten hebben er niet mee te maken. Zij worden zo nodig voor een burgerlijke rechter gedaagd.

Sinds 1981 is het "Civiel Bestuur" ( Hebrew: המנהל האזרחי‎‎, ha-Minhal ha-ʾEzraḥi ; engels: the Civil Administration) het israelisch bestuursorgaan waardoor Israel de door haar in 1967 bezette Westelijke Jordaanoever bestuurt. Het werd in het leven geroepen door militaire order nr. 947. Terwijl het formeel daarvan gescheiden opereert, is het aan het Israelische leger en de Shin Beth ondergeordend. Het personeel bestaat uit IDF militairen en (Israëlische) burgers. Israël duidt zijn bestuur over de nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever aan met Judea en Samaria (district).

Het Civiel Bestuur maakt onderdeel uit van een groter orgaan, dat bekend is onder de naam: Coordinator of Government Activities in the Territories (COGAT).[6] Dat is op zijn beurt weer onderdeel van het israelisch Ministerie van Defensie. Haar functies werden in 1994 grotendeels overgenomen door de Palestijnse Autoriteit, maar zij heeft nog steeds een bestuurstaak m.b.t. de Palestijnse bevolking van het C-gebied van de Westelijke Jordaanoever (zie hieronder: Osloakkoorden) en bij de coördinatie met de Palestijnse regering.

De honderden militaire orders bleven intussen van kracht. Men maakt ook gebruik van Britse wetten, b.v. uit de periode 1936-1947, waarmee het Britse Bestuur destijds eerst de openbare orde na de Arabische opstand wilde veilig stellen en later - na 1945 - de onrust aan joodse en Palestijnse zijde wilde beteugelen. B.v. de "Palestine (Defence) Order in Council, 1937 en de "Defence (Emergency) Regulations" van 1945. Alles bij elkaar 147 regels. Deze gingen over naar het israelisch wetboek, tenzij zij uitdrukkelijk geannuleerd waren. Ook wetten uit de Jordaanse- en zelfs de Ottomaanse tijd worden toegepast (bv de regel dat een akker die 3 jaar niet wordt bewerkt vervalt aan de staat).

Gesloten militaire zone[bewerken]

Als het Israël goeddunkt kan een commandant een bepaald gebied tot 'gesloten militaire zone' verklaren. Dit betekent dat het Israelisch militair belang voor alle andere belangen gaat. In de praktijk betekent dit vaak dat er voor de Palestijnse bewoners van dit gebied een eind is gekomen aan hun gewone bestaan. Dries van Agt[7] geeft als voorbeeld een gebied ten zuiden van Hebron: Schaapherders en kleine boeren van een 12-tal gehuchten woonden daar sinds 1967 in een 'gesloten militair gebied'. In 1999 werden zij daaruit verdreven en hun eigendommen werden geconfisqueerd. In dit geval hielp een beroep op het Israëlisch Hooggerechtshof: echter sinds de meesten zijn teruggekeerd -hun grotwoningen waren intussen verwoest, waterbronnen afgesloten, schapen en geiten gestolen- wordt hen echter het leven zeer bemoeilijkt door kolonisten.[8]

Water[bewerken]

Water is hier -en over 't algemeen in het Midden Oosten- een zeer kostbaar en schaars artikel. Over deze levensbehoefte zijn door de bezettingsmacht ingrijpende orders uitgevaardigd: Militaire order nummer 2 van de (commandant van de ) Israëlische krijgsmacht, plechtig genaamd 'Militaire Proclamatie 2', uitgevaardigd op 7 juni 1967, bepaalt dat de watervoorraden op de Westelijke Jordaanoever, boven- en ondergronds, eigendom zijn van de staat Israël en door de staat worden beheerd.

Hierna zouden nog vele militaire orders worden uitgevaardigd m.b.t. dit onderwerp, o.a.:

  • Order Nr. 58 (1967) verklaart dat het verboden is om een nieuwe waterinstallatie te bouwen zonder goedkeuring van de bevoegde officier, en dat deze een aanvraag daartoe kan weigeren zonder opgaaf van redenen.
  • Order Nr. 92 (1967) verklaart dat de rechtsmacht om te beslissen over alle water-aangelegenheden ligt bij een speciale officier die wordt aangewezen door een Israëlisch gerechtshof.
  • Order Nr. 291 (1968) verklaart alle overeenkomsten m.b.t. land en water die van voor 1967 dateren ongeldig.
  • Order Nr. 158 (1967) verbiedt de Palestijnen nieuwe waterputten te slaan, oude waterputten te verdiepen of waterprojecten te bouwen. Straf op niet naleven is confiscatie ervan.

Voor hun drinkwater-voorziening en de irrigatie van hun akkers zijn de Palestijnen hier dus geheel afhankelijk van de staat Israel.

Gevolgen[bewerken]

Door de Westelijke Jordaanoever militair in bezit te nemen kreeg Israël de facto de macht over de zogeheten Mountain Aquifer en als bezettende staat daarmee de jure de verantwoordelijkheid over een juist en rechtvaardig gebruik ervan (met het oog op de plaatselijke bevolking).[9] Het water ervan stroomt ondergronds in alle windrichtingen. Het dekt een derde van de waterbehoefte van Israël zelf. Het komt ook in de Jordaan vallei aan de oppervlakte (b.v. in Jericho) of het wordt er opgepompt. Niet in de laatste plaats door een hele serie zionistische nederzettingen die daar zijn en die er hun landbouwgronden mee irrigeren.[10] Deze vallei is dan ook C-gebied (Oslo-akkoorden II) en al Israel's plannen en gedrag lijken te duiden op haar voornemen tot annexatie. Hierdoor zou een Palestijnse Staat geen oever-staat meer zijn (met verlies van alle rechten vandien).

In de decennia die volgden op de Zesdaagse oorlog zijn de putten waarover de Palestijnen konden beschikken minder water gaan produceren of zelfs droog komen te staan. Volgens Palestijnse waterdeskundigen komt dat omdat Israël (ook t.b.v. de nederzettingen) meer water oppompt (mede vanwege hun diepere putten (tot 600 m.). Israël ontkent dit; het bewijs valt moeilijk te leveren en gedetailleerde gegevens zijn geheim. [11] Intussen ziet het akkerland van de nederzettingen er goed geïrrigeerd uit en beschikken deze niet zelden over zwembaden. Daarentegen moeten vele Palestijnen woekeren met regenwater. Veel Palestijnen hebben bij hun huis een cisterne aangelegd, een ondergrondse ruimte waarin regenwater wordt opgeslagen (inhoud 50 a 80 m3). De meeste gezinnen gebruiken echter meer per jaar en moeten dus water kopen bij een waterhandelaar. Die koopt het weer ...bij de Israëlische waterleidingmaatschappij Mekorot.[12]

Steden als Bethlehem, Ramallah en Nabloes beschikken over een waterleidingnet wat nog uit de Britse tijd dateert, gebreken vertoont en te weinig capaciteit heeft. Veel ook gaat verloren door lekkende leidingen. Veel gezinnen hebben daarom een tank op hun dak aangelegd.[13]

Met betrekking tot het Palestijns watergebruik voor de land- en tuinbouw: Israël bevroor dit op het niveau van voor 1967.[14][15]

Nederzettingen[bewerken]

Met betrekking tot de Israëlische nederzettingen zijn militaire orders nr. 783 (aangaande bestuur van regionale Raden, Councils) en nr. 892 (bestuur plaatselijke Raden) van kracht. Zij geven Joodse nederzettingen en hun leiders de status van territoriale enclaves waarin de Israëlische wet geldt.

Land[bewerken]

Hier zijn onder meer de Israëlische militaire orders nrs. 811 en 847 van kracht: deze staat Joden toe land te kopen van onwillige Palestijnse verkopers door gebruik te maken van 'volmacht' (power of attorney)(vgl[16]).

Afcheidingsmuur/-hek[bewerken]

De Israëlische Westoeverbarrière (sinds 2002) loopt voor het grootste deel over Palestijns land. De benodigde grond hiervoor, plus die ten behoeve van een brede parallelle veiligheidszone, is en wordt onteigend door middel van talrijke militaire orders, zoals bijvoorbeeld Declaration s/2/03 (2003): Gronden aan de Israëlische kant worden geconfisqueerd en tot 'Gesloten gebied' verklaard voor Palestijnen. Alleen Palestijnen die er vlakbij wonen mogen door een specifiek poortje passeren en zich er ophouden, mits zij over een persoonlijk en geschreven goedkeuringsbewijs beschikken (van de bevoegde commandant van het Israëlische defensieleger (IDF), meestal voor een beperkte tijd.

Oslo-akkoorden[bewerken]

Sinds de bezetting door Israël streefden de politieke Fatah-beweging en vervolgens ook de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) onder leiding van Yasser Arafat naar een eigen Palestijnse staat. (De Verenigde Naties houden voor de verdeling van het mandaatgebied Palestina nog steeds vast aan het Verdelingsplan van 1947 volgens Resolutie 181 Algemene Vergadering Verenigde Naties).

In 1993 werden de Oslo-akkoorden gesloten en kreeg de in 1994 opgerichte Palestijnse Autoriteit onder leiding van Mahmoed Abbas beperkte autonomie in delen van de Westelijke Jordaanoever, die daarvoor werd ingedeeld in gebieden met een A-, B- of C-status: [17]

  • Gebied A (18% van het grondgebied, 55% van de populatie) waar de Palestijnse Autoriteit zowel het burgerlijk bestuur als het veiligheidstoezicht uitoefent. Voornamelijk de steden.
  • Gebied B (20% van het grondgebied, 41% van de populatie) waar de Palestijnse Autoriteit het burgerlijk bestuur uitoefent met gedeeld Israëlisch-Palestijns veiligheidstoezicht .Voornamelijk platteland.
  • Gebied C (62% van het grondgebied, 5,8% van de bevolking) onder volledig Israëlisch veiligheidstoezicht en bijna volledig Israëlisch burgerlijk toezicht. Met name vruchtbare en bronrijke gebieden; gebied aan weerskanten van de Israëlische Westoeverbarrière en een brede strook langs de Jordaan; delen waarin sinds 1967 veel Israëlische nederzettingen waren gesticht.

Over de status van Jeruzalem zou vijf jaar na de Oslo-akkoorden onderhandeld worden.

Israëlische nederzettingen[bewerken]

De bouw van Israëlische nederzettingen is door de VN-Veiligheidsraad in resolutie 446 van maart 1979 illegaal verklaard. De geldigheid van deze resolutie wordt echter door Israël betwist. Hoewel veel zogenaamde buitenposten (Engels: outposts) later tot nederzettingen worden gemaakt of bij bestaande nederzettingen worden gevoegd worden sommige buitenposten ook door Israël wel als illegaal beschouwd. Vaak betreft dit een aantal campers of caravans waarin streng religieuze joodse jongeren verblijven; na een illegaal-verklaring weigeren ze veelal te vertrekken. Dit leidt soms tot confrontaties van deze kolonisten met het Israëlische leger en de politie.

In augustus 2005 werden samen met de ontruiming van alle Israëlische nederzettingen in de Gazastrook, 4 van de 150 nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever ontruimd[18]. Daarentegen werd door Israël te zelfder tijd het plan bekendgemaakt dat de nederzetting Betar Illit, die al meer dan 20.000 kolonisten had, datzelfde jaar nog uitgebreid zou worden met tenminste 235 woningen, waarmee het deel zou gaan uitmaken van het Goesj Etsion nederzettingenblok. Dit was echter in strijd met de zogenoemde 'Roadmap' uit 2003, een vredesplan voorbereid door de Verenigde Naties, de Verenigde Staten, de Europese Unie en Rusland, die de vorming van twee onafhankelijke staten beoogde. President George W. Bush van de VS had de Israëlische premier Ariël Sharon daarvóór ook al gewaarschuwd tegen verdere uitbreiding van de 150 nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever en in Oost-Jeruzalem, waar toen al 400.000 Israëliërs woonden. De Palestijnse Planning-minister Ghassan al-Khattib beschreef dit Israëlische plan als een "provocatie jegens het Palestijnse volk"[19]

Een aantal voorbeelden van nederzettingen[bewerken]

Deze lijst is lang niet volledig.

Demografie[bewerken]

In december 2007 hield de Palestijnse Autoriteit een volkstelling. Hieruit bleek dat er op de Westelijke Jordaanoever inclusief Oost-Jeruzalem 2.345.000 Palestijnen woonden, een verdubbeling ten opzichte van 10 jaar daarvoor.[20] Op de Westelijke Jordaanoever wonen ook nog 341.000[1] Israëlische kolonisten in nederzettingen. In Oost-Jeruzalem wonen 200.000 Israëliërs. Verder wonen op de Westelijke Jordaanoever nog kleine etnische groepen zoals Samaritanen, maar deze groepen zijn zeer klein en bestaan uit een paar honderd mensen. Na de tweede intifada (2000-2005) is het contact tussen Palestijnse en Israëlische bewoners sterk afgenomen.

Rond de 30% van de Palestijnen die op de Westelijke Jordaanoever wonen zijn Palestijnse vluchtelingen of nakomelingen van vluchtelingen die vóór 1948 in het gebied, dat nu Israël heet, woonden. In juni 2008 waren dat volgens de UNRWA 754.263 personen.[21]

Zo'n 75% van de inwoners van de Westelijke Jordaanoever is moslim, 17% is joods en 8% is christen.

Westoeverbarrière[bewerken]

Israël besloot in 2002 een scheidingsmuur te bouwen, volgens zeggen om zich te beschermen tegen zelfmoordaanslagen en beschietingen vanuit de Westelijke Jordaanoever (lijst van aanslagen in Israël). Deze Israëlische Westoeverbarrière ligt deels op de grens van, deels diep in de Westelijke Jordaanoever. De muur en de vele controleposten/checkpoints belemmeren het economisch verkeer vanuit de Westelijke Jordaanoever. De Algemene Vergadering van de Verenigde Naties bepaalde dat een gedeelte van het traject in strijd is met het internationaal recht, na een identiek advies van het Internationaal Gerechtshof in Den Haag (2004). De motivering hiervoor is dat deze Westoeverbarrière niet de Groene Lijn (de wapenstilstandsgrens) volgt, maar diep in de Westelijke Jordaanoever snijdt waardoor Palestijns grondgebied bij Israël geannexeerd wordt. Het betreft vooral gebieden waar de muur om nederzettingen en religieuze plaatsen heen is gebouwd teneinde deze te beschermen en de toegang vanuit Israël gemakkelijker te maken. Door de Palestijnen wordt de muur ook wel Sharon's Wall of Apartheidsmuur genoemd. Palestijnse christenen en moslims maken er bezwaar tegen dat bepaalde religieuze plaatsen hiermee alleen door en voor joden worden geclaimd. Voor verbinding met Israël en de nederzettingen onderling is een uitgebreid wegennet door de Westelijke Jordaanoever aangelegd dat niet toegankelijk is voor Palestijnen.

Belangrijke Palestijnse plaatsen op de Westelijke Jordaanoever[bewerken]

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]