Israëlische nederzetting

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Warning icon.svg De neutraliteit van dit artikel wordt betwist.
Zie de bijbehorende overlegpagina voor meer informatie.
Kaart van de Israëlische nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever (en in Oost-Jeruzalem), 1 januari 2006
Groene lijn, Israëlische Westoeverbarrière en nederzettingen in omgeving Bethlehem, 2011

Een Israëlische nederzetting is een vestiging of kolonie van Israëliërs in gebieden die door Israël zijn veroverd en bezet in de Zesdaagse Oorlog van 1967. De bewoners ervan worden aangeduid als kolonisten. Dergelijke, als internationaal illegaal aangemerkte, nederzettingen bevinden zich op de bezette Westelijke Jordaanoever van Palestina, in het door Israël wederrechtelijk geannexeerde Oost-Jeruzalem en op de op Syrië veroverde Golanhoogten. Tot 1979 respectievelijk 2005 waren er ook nederzettingen op het inmiddels aan Egypte teruggegeven schiereiland Sinaï en in de Palestijnse Gazastrook.

Locaties en kenmerken[bewerken]

De nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever bevinden zich voornamelijk in het C-gebied van de in 1993 gesloten Oslo-akkoorden, hoewel er ook nederzettingen midden in Palestijnse steden zijn gesticht, zoals in Hebron en Oost-Jeruzalem. Israël bouwt deze nederzettingen over de Groene Lijn, de bestandslijn van 1949 die de feitelijke grens vormt tussen Israël en de Westelijke Jordaanoever.

De Westoeverbarriëre is gedeeltelijk buiten deze grens opgetrokken op Palestijns grondgebied. Deze, ook wel zo genoemde Apartheidsmuur, betrekt de Israëlische nederzettingen bij elkaar en isoleert Palestijnse dorpen, van elkaar en van hun akkers.

Vele nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever breiden zich uit door natuurlijke bevolkingsgroei en woningbouw. Met uitzondering van de charedisch-joodse nederzettingen is de migratiestroom negatief. Hierbij wordt vaak de slechte veiligheidssituatie als reden opgegeven.

Israël ordent de nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever onder zijn administratieve bestuur (Civil Administration) als het informele administratieve district Judea en Samaria, welks gebied gelijk wordt gesteld met dat van de Westelijke Jordaanoever. De nederzettingen en buitenposten in dat district zijn ondergebracht in Regionale Raden.

Israëlische nederzettingen/outposts bij Za'atara[1]

Bouw en confiscatie van grondgebied[bewerken]

De bouw van een Israëlische nederzetting begint over het algemeen met het plaatsen van enkele primitieve wooncontainers, campers of caravans zonder veel accommodatie, een zogenoemde buitenpost, in het militair bezette gebied. Vaak betreft het ook voormalige militaire posten die op geconfisqueerd grondgebied zijn gesticht, tot 'staatsland' worden verklaard en nadien als natuurgebied worden bestempeld of worden bebouwd. Er worden dan fabrieken of moderne intensieve landbouwbedrijven op gevestigd, Israëlische bewoners worden er gehuisvest en breiden zich zo uit tot goed geoutilleerde satellietsteden van Israël. Sommige nederzettingen zijn samengevoegd tot clusters, zoals Goesj Etsion terwijl andere worden gesitueerd rond Palestijnse dorpen en steden. Vaak worden ze boven op een heuvel gesitueerd omdat vandaar de regio goed in de gaten gehouden kan worden en zijn met elkaar verbonden door snelwegen en tunnels. Deze nederzettingen worden vervolgens met elkaar en met het grondgebied van de staat Israël verbonden door een parallel wegenstelsel, 'bypassroads' waar Palestijnen geen toegang tot hebben en waardoor hun dorpen en grondgebied van elkaar worden afgesplitst en afsloten.

De overgrote meerderheid van de kolonisten in de nederzettingen is zionistisch en/of joods. Ter uitbreiding van het grondgebied worden weer nieuwe buitenposten opgezet, die na verloop van tijd door Israëlische wetgeving erkend worden en zich uitbreiden tot nieuwe nederzettingen of wijken van de bestaande nederzettingen.

Donaties en fondsen[bewerken]

Private donateuren in de Verenigde Staten USA hebben gedurende vijf jaar (2009 t/m 2013) meer dan $220 miljoen dollar gestort in fondsen ten bate van de Israëlische nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever. Dit werd in december 2015 door de Israëlische krant Haaretz aangetoond na een onderzoek. In tegenstelling tot linkse niet-gouvernementele organisaties (NGO's) en mensenrechtenorganisaties die donaties krijgen van buitenlandse regeringen en instellingen, krijgen Israëlische nederzettingen-groepen geld van buitenlandse private individuen die belastingvrij geld doneren via non-profit-organisaties. Hieronder bevindt zich ook de Israëlische zionistische organisatie 'Honenu' die Joods terrorisme financiert en steunt. Een van de grootste fondsen is het Hebron Fonds[2][3]

In 2013 ontdekte de Nederlandse Sociale Verzekeringsbank (SVB) dat Israëliërs met AOW in 2006 gekort hadden moeten worden omdat het Nederlandse kabinet de Israëlische soevereiniteit niet erkent. Verantwoordelijk PvdA-minister Lodewijk Asscher beriep zich vervolgens op fouten in de uitvoering van de regeling, maar in september 2016 besloten advocaten Michiel Pestman en Liesbeth Zegveld namens drie burgers aangifte te doen wegens ambtsmisdrijf van Asscher.[4]

Panama Papers[bewerken]

Veel buitenlandse bedrijven en organisaties, die geregistreerd staan in belastingparadijzen doneren grote kapitalen aan nederzettingen-organisaties of aan premier Netanyahu. Uit onderzoek van de Panama Papers (2016) bleek dat zionistische organisaties uit deze praktijken tientallen miljoenen sjekels ontvangen. Een daarvan is de als NGO aangemerkte nederzettingenorganisatie Amana van Ze'ev Hever, die van verschillende kanten grote sommen kapitaal ontvangt waarmee de huizenbouw en de infrastructuur van de nederzettingen wordt gefinancierd.[5] Een andere organisatie, die binnen acht jaar reeds 122 miljoen sjekels ontving, is Vrienden van Ir David, die met zijn fonds 'Elad'[6] onder meer de Palestijnse wijk Wadi Hilweh (Silwan) in Oost-Jeruzalem in bezit neemt ten bate van Israëlische joodse nationalistische kolonisten, die de stad claimen als 'City van David'.

Status van de nederzettingen[bewerken]

De nederzettingen zijn internationaal als illegaal aangemerkt en moeten dan ook door Israël ontruimd worden. Israël negeert de Resoluties van de Verenigde Naties waarin dit besloten is, en gedoogt de bouw en uitbreidingen van de nederzettingen en legaliseert ze na enige tijd.

Internationale resoluties en rapporten[bewerken]

Verschillende internationale organisaties zoals de Verenigde Naties en de meeste landen, inclusief landen die in het algemeen Israël steunen, bestempelen de nederzettingen als illegaal en een aantal VN-veiligheidsraadsresoluties (446, 452, 465, 471, 2334) hebben ze dan ook als zodanig bestempeld.[7]

Op 23 december 2016 nam de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties Resolutie 2334 aan waarin staat dat Israël moet stoppen met de bouw van nederzettingen in Palestijns gebied.[8] [9] In tegenstelling tot eerdere Resoluties onthielden de Verenigde Staten zich van stemming die met alle overige 14 stemmen werd aangenomen.

Internationaal Gerechtshof[bewerken]

In het verleden is al vele malen door verschillende internationale autoriteiten, waaronder het Internationaal Gerechtshof en het Hooggerechtshof van Israël zelf, vastgesteld dat Israël wel degelijk bezetter van deze gebieden is. Artikel 49 van de Vierde Geneefse Conventie verbiedt de overbrenging van de eigen bevolking naar bezet gebied in het algemeen: het maakt hierbij geen verschil of dit onder dwang of uit vrije wil gebeurt.

Het Internationale Rode Kruis (ICRC) heeft dit expliciet uitgesproken in zijn commentaar op de Geneefse Conventies en concludeert dat de nederzettingen in strijd zijn met het Humanitair Oorlogsrecht.[10]

OCHA[bewerken]

In het rapport van augustus 2014 van het Bureau voor de Coördinatie van Humanitaire Zaken (OCHA) van de V.N. wordt vermeld dat er 341.000 Israëlische kolonisten wonen in 135 nederzettingen en ongeveer 100 'outposts' (buitenposten) in gebied C (zie: Oslo-akkoorden) van de bezette Westelijke Jordaanoever (wat in strijd is met internationaal recht), die zich daarmee een grondgebied toe-eigenen dat 9x groter is dan het door hen zelf officieus begrensde en militair beschermde gebied[11][12]

Amnesty International[bewerken]

Amnesty International drong er in april 2015 bij de Israëlische autoriteiten nogmaals op aan om de petitie te behandelen die op 31 juli 2011 bij het Hooggerechtshof juli 2011 was ingediend met betrekking tot bouwplanningsrechten en -organisaties van Palestijnse gemeenschappen in de C-gebieden die 60% van de bezette Westelijke Jordaanoever omvatten. In deze gebieden, die volledig onder Israëlische militaire controle staan wordt "de Vierde Geneefse Conventie geschonden" en vinden er oorlogsmisdaden plaats "onder artikel 8(2)(a)(iv) van het Statuut van Rome van het Internationaal Strafhof." Een onderzoek in 2013, uitgevoerd door het OCHA schatte dat er 297.000 Palestijnen in ongeveer 530 woongebieden woonden. Sinds de petitie van 31 juli 2011 tot april 2015 hadden de Israëlische autoriteiten meer dan 1875 gebouwen verwoest[13].

Israëlische politiek ten aanzien van de nederzettingen[bewerken]

Volgens de Israëlische regering zijn de nederzettingen wel legaal: de bepalingen die illegale nederzettingen in bezet gebied behandelen zouden niet opgaan voor de gebieden die Israël in 1967 veroverde omdat er volgens Israël geen wettige soevereine macht in die gebieden zou hebben bestaan. Israël noemt de gebieden niet "bezet" maar "betwist".[14] Soms wordt een outpost door Israël zelf bedreigd met ontmanteling, maar wordt deze na verloop van tijd toch gelegaliseerd, ondanks uitspraken van het Hooggerechtshof; die worden soms jaren vooruitgeschoven of slechts ten dele of helemaal niet uitgevoerd, en vervolgens op dezelfde plek weer opgebouwd.[15][16][17]

Amona (outpost bij Ofra), 2013

In 1976 verklaarde de toenmalige Israëlische minister-president Yitzhak Rabin dat voortzetting van vestiging van nederzettingen tot Apartheid zou kunnen leiden. Hij duidde de Joods fundamentalistische organisatie voor nederzettingen Goesj Emoeniem/Gush Emunim aan als "een kanker in het maatschappelijk en democratisch weefsel van de staat Israël".[18] Binnen Gush Emunim werd in 1976 een kleinere kolonistenorganisatie opgericht: Amana, die in de jaren daarna uitgroeide tot een grote organisatie met vertegenwoordigers in de VS en Europa.

In 1977 won de Likoedpartij de verkiezingen van de Arbeidspartij van Rabin. De zionistisch georiënteerde Likoed had reeds voor de verkiezingen verklaard dat de gehele Westelijke Jordaanoever (door hen 'district Judea en Samaria' genoemd), aan het Joodse volk toebehoort. De nieuwe premier Menachem Begin betuigde zijn steun voor uitbreiding van de nederzettingen, ondanks het feit dat dit internationaal als illegaal wordt aangemerkt en er privaat Palestijns land voor wordt geconfisqueerd. De samenwerkende 'Governement-World Zionist Organisation Settlement Affairs Committee' besloot de, tot dan toe gedoogde Gush Emunim nederzettingen Ma'ale Adumim, Ofra, (dat bijna geheel op privaat Palestijns land is gebouwd[19] en Elon Moreh (ten noordoosten van Nablus) een officiële status te geven.

In september van dat jaar kondigde de nieuwe minister van Landbouw en hoofd van de Israëlische Land Administratie Ariel Sharon zijn plan aan om binnen 20 jaar meer dan een miljoen Joden op de Westelijke Jordaanoever te huisvesten. Het plan omvatte infrastructuur, woningen, en landverwerving vanuit Jeruzalem en de Jordaanvallei en richting de hoger gelegen gebieden. Het kwam overeen met het ‘Master Plan voor Judea en Samaria’ van het Land Settlement Department van de Jewish Agency for Israel[20].

In augustus 1984 waren er reeds 113 nederzettingen gesticht, verspreid over de Westelijke Jordaanoever. Er woonden op dat moment -de uitbreidingen van Oost-Jeruzalem niet meegerekend- reeds 46.000 Joodse kolonisten. Volgens plan zouden er per jaar 15.000 woningen voor kolonisten bijgebouwd worden.

Verharding[bewerken]

In 1970 had Israël honderden dunams tot 'staatsland' verklaard om er de nederzetting Ofra op te bouwen en er de Palestijnse woningen op verwoest[21]

Op 21 oktober 2015 keurde premier Benjamin Netanyahu met terugwerkende kracht een stedelijk bouwplan voor de nederzetting Itamar bij Nablus goed en op 29 oktober nog eens voor drie nederzettingen, hoewel ze jarenlang als illegaal waren beoordeeld[22]

In december 2014 had het Israëlische Hooggerechtshof, na herhaaldelijk uitstel van een beslissing, besloten dat de illegale buitenpost Amona bij de nederzetting Ofra uiterlijk december 2016 ontruimd moest worden en de Palestijnse eigenaars van de grond gecompenseerd.[23]

In september 2016 werd door de staat Israël toegegeven dat er bij vergissing stukjes privaat Palestijns land van totaal 45 dunams waren onteigend voor de nederzetting Ofra (tussen Jeruzalem en Nabloes) en dat dat teruggegeven zou worden aan de eigenaars. Daarentegen werd besloten om de wet te herzien, waarbij (alleen) deze stukjes land van het 'Masterplan voor de Nederzettingen' zouden worden uitgesloten.[24]

Premier Benjamin Netanyahu, gesteund door de rechtse partijen, maakte begin oktober 2016 bekend dat hij van plan was om de buitenpost Amona te legaliseren en een nieuwe nederzetting te bouwen voor de 'bewoners' ervan.[25] Na een verwijt van president Barack Obama hieromtrent aan Netanyahu dat hij hiermee afspraken met de V.S. had gebroken verklaarde de Israëlische minister voor Diaspora-aangelegenheden en Onderwijs Naftali Bennett op 6 oktober dat 'de Westelijke Jordaanoever nú geannexeerd moest worden' [26] In november 2016 dreigde burgemeester Nir Barkat van Jeruzalem met het verwoesten van honderden of duizenden Palestijnse huizen in Oost-Jeruzalem als de buitenpost Amona geëvacueerd werd.[27]

Op 5 december is de Israëlische Knesset in principe akkoord gegaan met een wetsvoorstel dat Joodse nederzettingen op Palestijnse privégrond legaliseert.[28]

Israël reageerde fel op de stemonthouding van de Verenigde Staten bij Resolutie 2334 van 23 december 2016, waarin Israël moet stoppen met de bouw van nederzettingen en de grenzen van 1967 moet respecteren. Via zijn bureau heeft Netanyahu direct laten weten deze V.N.-resolutie te verwerpen en zich niet aan de voorwaarden te houden.

Frustratie van de vredesonderhandelingen[bewerken]

De voortgaande bouw en uitbreiding van de nederzettingen staat gesprekken met de Palestijnen over vrede in de weg[29]

In 1995, vlak na de Akkoorden van Oslo, woonden er in totaal 138.000 Joodse kolonisten in de Palestijnse gebieden (afgezien van Oost-Jeruzalem), in 2009 was dat verdubbeld tot 280.000. Het Rode Kruis schat het aantal in 2012 op 350.000. De schattingen voor de totale bevolking van de Westoever lopen uiteen van 2,5 tot 3,5 miljoen inwoners.

Tussen 2008 en medio mei 2010 was voor de Palestijnse Autoriteit de verdere uitbreiding van joodse nederzettingen een reden om geen vredesbesprekingen meer te voeren Deze onderhandelingen waren na de oorlog in Zuidelijk Libanon in 2008 gestrand.

Op 31 augustus 2014, tijdens de vredesonderhandelingen over het conflict in de Gazastrook 2014, werd bekend dat Israël van plan was om 400 hectare grond op de Westelijke Jordaanoever te annexeren. Het betrof het land van Palestijnse boeren in de buurt van de nederzettingencluster Goesj Etsion bij Bethlehem. Het omvat het grondgebied van vijf dorpen in het Gouvernement Bethlehem. Volgens de VS zou dit 'contrapoductief' voor de vredesonderhandelingen werken.[30]

Op 5 oktober 2016 verweet het Witte Huis Netanyahu dat hij met zijn plannen om een nieuwe nederzetting te bouwen voor de outpost Amona het streven naar vrede ondermijnde.[31]

Op grond van V.N.-resolutie 2334 hield John Kerry op 28 december 2016 een toespraak, waarin hij zich met kritiek richtte op de Israëlische regering en een aantal principes aandroeg voor een toekomstige afspraak over vrede.[32]

Geweld en vernielingen door kolonisten[bewerken]

Een groep van of 25 kolonisten uit de nederzetting Yitzhar, ten zuiden van Nablus vernielde 97 olijfbomen in het dorp Burin op 12 november 2009
Graffiti op een Palestijns huis buiten de nederzetting Ma'ale Levona. "Joden wordt wakker!", "Dood aan de Arabieren", "Wraak!" (31 January 2014)

Sinds de stichting van nederzettingen, na 1967, wordt er door kolonisten veel geweld gebruikt tegen de Palestijnse bevolking.[33] Door de Israëlische politiek, met name onder leiding van premier Netanyahu, is het aantal nederzettingen rond en in de Palestijnse steden op de Westelijke Jordaanoever sterk uitgebreid, en is de verwoesting van Palestijnse huizen (ook in Israël zelf), de deportatie van Palestijnse Bedoeïenen, grondonteigening en annexatie van grondgebied in versneld tempo toegenomen.

Agressie van religieus zionistische kolonisten uit zich onder meer in het plaatsen van outposts (buitenposten van nederzettingen) op Palestijns grondgebied, het vernielen van olijfboomgaarden en stelen van olijven[34][35], brandstichting[36][37], gooien van stenen, molestaties en toenemend gewapend geweld. Vaak gaat dit gepaard met discriminerende leuzen, die als tags op Palestijnse huizen worden geklad. Israëlische militairen grijpen bij dergelijke acties van de kant van de kolonisten nauwelijks in. Ook in Palestijnse steden en dorpen worden in toenemende mate aanslagen gepleegd en zijn ook kerken en moskeeën het doelwit[38][39].

De term voor dergelijke aanslagen, die als pressiemiddel gebruikt worden om de regering te dwingen af te zien van concessies aangaande de bouw van nederzettingen, is 'price tag'. Dit is voornamelijk gericht tegen Israëlische Arabieren, Palestijnen en linkse organisaties[40]. De daders, die vaak wel bekend zijn, ontsnappen of worden in de meeste gevallen na arrestatie en verhoor weer vrijgelaten.[41]

Een groot aantal van deze ultra-nationalistische kolonisten die ook door veel Israëliërs als terroristen worden gezien, is sinds 1967 door immigratie vanuit de Verenigde Staten in deze nederzettingen komen wonen[42]. Het bloedbad van Hebron (1994), aangericht door de Amerikaans-Israëlische Baruch Goldstein werd door de toenmalige premier Yitzhak Rabin fel veroordeeld. Hijzelf werd niet lang daarna door een religieuze zionist gedood.

Sinds de bouw van nederzettingen worden Palestijnse inwoners van omliggende dorpen in hun levensonderhoud en bewegingsvrijheid door de kolonisten belemmerd en bedreigd. Alleen al in 2011 hebben Joodse kolonisten 7500 olijfbomen van Palestijnse boeren vernield (pas na 5 jaar begint de boom vruchten te dragen). Dat stellen hulporganisaties, waaronder Oxfam Novib, op basis van eigen onderzoek. Tienduizenden Palestijnse families zijn voor hun inkomen afhankelijk van de opbrengst ervan in het oogstseizoen. Boeren worden echter weerhouden om naar hun landbouwgrond te gaan en oogsten worden geroofd. De afgelopen 6 jaar zijn 688 gevallen geregistreerd van kolonistengeweld tegen Palestijnen. In negen van de tien gevallen zou het niet zijn gekomen van een aanklacht tegen verdachten.[43]

Internationale en nationale vrijwilligers en activisten zetten zich in om Palestijnen en hun leefgebied tegen dit geweld te beschermen en voor hun rechten op te komen; vaak met gevaar voor eigen leven. Op 23 oktober 2015 werd rabbi Arik Ascherman, voorzitter van de organisatie 'Rabbi's voor Human Rights' (RHR), bij de nederzetting Itamar in de buurt van Nablus door een kolonist met een mes aangevallen terwijl hij ter bescherming Palestijnse boeren bij hun olijfoogst vergezelde[44]

Aanvallen en geweld tegen Palestijnen in de buurt van deze nederzettingen blijft aanhouden.[45]

Aantal nederzettingen[bewerken]

Onder meer (de grootste)

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]