Proosdij van Meerssen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
De proosdij van Meerssen in 1888
Muurrestant proosdij
Voormalige proosdijhof
Inrijpoort proosdijhof

De proosdij van Meerssen is de instelling die vanaf de middeleeuwen tot aan het eind van het ancien régime het bestuur en de rechtspraak uitoefende over de bezittingen van de proosdijkerk van Meerssen. De proosdij van Meerssen was tevens de ambtswoning van de proost van Meerssen, waar ook het bestuur en de rechtspraak over de proosdij zetelden.

Geschiedenis[bewerken]

Karolingische palts[bewerken]

Meerssen zou al in de vroege middeleeuwen een Karolingische palts hebben bezeten, die wellicht terugging op een Romeinse villa. De paltskapel bevond zich waarschijnlijk op de plaats van de huidige Basiliek van het H. Sacrament. In de palts van Meerssen zou in 870 het Verdrag van Meerssen zijn gesloten, hoewel dat volgens andere bronnen in Eijsden (toen Aspide geheten) gebeurde. In elk geval verbleef Lodewijk de Duitser, een van de onderhandelaars, wel in Meerssen. De palts zou in die tijd eigendom zijn geweest van Giselbert I van de Maasgouw, stamvader van het Huis der Reiniers. Zijn zoon Reinier I ontving in 911 de titel markgraaf van Lotharingen en stierf in 915 in Meerssen.

In 928 huwde Giselbert II, zoon van Reinier I, de ongeveer 30 jaar jongere dochter van koning Hendrik de Vogelaar, Gerberga van Saksen. In 939 nam Giselbert deel aan een opstand tegen Gerberga's broer, de Duitse koning Otto I de Grote. Giselbert II kwam in de slag bij Andernach (939) om het leven, waardoor Gerberga op haar vijfentwintigste weduwe werd. Gerberga behield haar 64.000(?) hectare grote bruidsschat, inclusief bezittingen te Meerssen, Beek, Schimmert, Hulsberg en Maastricht, voor zichzelf en haar kinderen.

Na het overlijden van de hertog trouwde Gerberga met koning Lodewijk IV van Frankrijk, waardoor ze koningin van West-Francië werd. In de Franse koningsstad Reims maakte ze kennis met de benedictijner monniken van de abdij van Saint-Remi, die ze adviseerde om zich in Meerssen te vestigen. Kort voor haar dood, in 968, schonk Gerberga de palts aan de benedictijnen van Reims, met als voorwaarde dat de monniken voor de zielenrust van Giselbert en de zijnen moesten bidden.

Van palts naar proosdij[bewerken]

De Franse monniken vestigden inderdaad een klooster of een kapittel in de Meerssense palts en behielden eeuwenlang de inkomsten hiervan. In 1136 gaf de Luikse prins-bisschop Alberon toestemming aan abt Odo van de Remigiusabdij om de Meerssense stichting om te zetten in een proosdij. Behalve de proost woonden er vanaf dat moment geen geestelijken meer in Meerssen. De proost was tevens ambachtsheer van Meerssen. Hij mocht de schout en schepenen benoemen zonder tussenkomst van de voogd, de wereldlijke beschermer van de proosdij, de toenmalige heer van Valkenburg. De proost bezat daarnaast het patronaatsrecht van een aantal kerken en kapellen in de omgeving, onder andere te Meerssen, Klimmen, Hulsberg, Schimmert, Bunde, Amby, Houthem en Schin op Geul. Hij trok tevens de tiendrechten die in 1145 door Koenraad III aan de proosdij waren verleend.

Van de Meerssense proosten zijn slechts enkele namen overgeleverd. Bekend is Jean de Beaufort, die in 1364 proost werd en de bouwheer werd van de huidige gotische kerk. De proosdij van Meerssen bleef tot 1561 in het bezit van de Sint-Remigiusabdij van Reims. In 1561 ging de proosdij over naar het twee jaar eerder opgerichte bisdom Roermond. Tussen 1609 en 1611 behoorde de proosdij weer korte tijd aan de benedictijnen van Reims, die hun rechten vervolgens overdeden aan de augustijnen van Eaucourt. De heerlijke rechten over de proosdijbezittingen gingen later over naar het Staatse deel van het land van Valkenburg.

Einde proosdij, klooster[bewerken]

Na de verovering van de Zuidelijke Nederlanden door de Franse revolutionaire legers in 1794, werd de proosdij opgeheven. De proosdijkerk was van 1798 tot 1802 gesloten en werd daarna bestemd tot parochiekerk. De proosdij zelf werd verkocht aan de advocaat Charles Roemers uit Maastricht, die een deel van de gebouwen als landgoed liet inrichten. In 1935 liet de toenmalige eigenaar, mevrouw Stevens-Daems, de proosdij na aan de congregatie van de Kleine Zusters van de Heilige Joseph te Heerlen. In 1936 werd een deel van het complex afgebroken ten behoeve van de uitbreiding van de kerk en nieuwbouw voor de zusters, beide naar plannen van de Roermondse architect Jos Cuypers. In 2006 vertrokken de laatste vijf zusters uit de proosdij.

Erfgoed[bewerken]

In 2008 heeft op het terrein van de proosdij een archeologische opgraving plaatsgevonden, waarbij vroegmiddeleeuws aardewerk en bewoningssporen uit de bronstijd en ijzertijd zijn gevonden. In 2012 vond in opdracht van de gemeente Meerssen opnieuw een inventariserend onderzoek plaats, waarbij onder andere een noord-zuid lopende gracht is gevonden, waarvan de jongste fase uit de 11e of 12e eeuw dateerde, maar die waarschijnlijk al veel eerder was gegraven. De gracht omgaf het proosdijcomplex en waarschijnlijk ook de palts.[1]

De overgebleven gebouwen bestaan uit de zogenaamde Proostenkelder, de Tiendschuur (voormalige bibliotheek), restanten van de Proosdijhoeve (bestuurscentrum) en een kapelletje (vanwege de bouw van het latere klooster verplaatst; thans bloemisterij). Het door Cuypers ontworpen gebouw Markt 25 uit 1937 functioneerde tientallen jaren als secretariaat van het katholieke jeugdwerk in Limburg en krijgt thans een nieuwe bestemming in het kader van het plan Maison Proosdij. De contouren van de verdwenen gebouwen zijn deels aangegeven in het plaveisel van de Markt.

Zie ook[bewerken]

Bronnen, referenties[bewerken]