Terugtrekking van gletsjers sinds 1850

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Whitechuck Glacier in Glacier Peak Wilderness Nationaal Park in de Amerikaanse staat Washington in 1973.
Bijna hetzelfde gezicht op Whitechuck in 2006, toen deze tak van de gletsjer zich 1,9 km teruggetrokken had.
Het ijs in Noord- en Zuid-Amerika (zonder Groenland) dat wegsmolt tussen 2003 en 2010 bedroeg ongeveer 25 procent van het totale verlies.
Inkrimping van de San Rafaelgletsjer (1990 - 2000) in Patagonië. De San Quintíngletsjer is op de achtergrond zichtbaar.
Verkorting van de Rhônegletsjer sinds 1880 met horten en stoten. Dikke groene lijn: totale verkorting, rode lijn: jaarlijkse verkorting. In de periode 1912 - 1921 was er een constant herstel van +137 meter en tussen 1960 en 1980 was de gletsjer met plussen en minnen stabiel ondanks de kleine aanwassen van totaal +71 meter. Van 1880 tot 2000 trok de gletsjer zich netto ongeveer 1,2 km terug.

De terugtrekking van gletsjers sinds 1850, die door glaciologen geconstateerd is, wordt vaak genoemd als aanwijzing voor de opwarming van de aarde en valt samen met de gemeten toename van broeikasgassen in de atmosfeer. Gebergten op middelbare breedten zoals de Himalaya, Alpen, Rocky Mountains, Cascade Range, het zuidelijke deel van de Andes en geïsoleerde bergtoppen in de tropen zoals de Kilimanjaro in Afrika vertonen verhoudingsgewijs de grootste verliezen aan gletsjerijs. Het gaat om een wereldwijde trend, maar plaatselijk kunnen bij wijze van uitzondering gletsjers (soms tijdelijk) aangroeien door toegenomen sneeuwval.[1][2][3]

Uit analyse van vele gletsjers volgt dezelfde historische opwarmingskromme van de Aarde als uit directe onafhankelijke temperatuursmetingen.[4][5] Het smeltwater dat vrijkomt door terugtrekking van gletsjers, vergroot de hoeveelheid zoet water voor rivieren, bevloeiing en huishoudelijk gebruik. Vele dieren en planten zijn voor hun bestaan afhankelijk van smeltwater van gletsjers, dat tevens het peil van de oceanen verhoogt.

Massabalans[bewerken]

Veranderingen in de massabalans sinds 1970; geel en rood is dunner geworden, blauw is dikker geworden.

De massabalans van een gletsjer, het verschil tussen de toename van de hoeveelheid sneeuw en ijs in het bovenste koudere deel en de afname in het onderste warmere deel door afsmelting en verdamping, is cruciaal voor zijn voortbestaan.[6][7] Tegenwoordig hebben bijna alle gletsjers een negatieve massabalans en worden kleiner.[8]

Als het hoger gelegen deel, de accumulatiezone van de gletsjer, zelf ook een negatieve massabalans heeft zal de gletsjer op den duur verdwijnen als het klimaat niet kouder wordt of er meer sneeuw gaat vallen.[9][10]

Voor metingen van de omvang en veranderingen daarin van ijsmassa's zijn tegenwoordig satellieten en lasertechnologie voorhanden.[11] Het belangrijkste symptoom voor een negatieve massabalans van een gletsjer als geheel is het dunner worden ervan over zijn hele lengte. Dan is er in feite geen accumulatiezone meer zonder welke een gletsjer niet kan voortbestaan.[10][12]
De Easton Glacier in de staat Washington bijvoorbeeld zal waarschijnlijk steeds langzamer inkrimpen tot de helft van zijn huidige omvang en dan stabiliseren. Het bovenste deel ervan is in goede conditie en met sneeuw bedekt. De Grinnell Glacier in Montana zal waarschijnlijk steeds sneller inkrimpen en verdwijnen. Zelfs het hoogste deel hiervan is niet bedekt met sneeuw en wordt dunner. Dat zal gebeuren bij meer kleine gletsjers met een geringer hoogteverschil tussen het bovenste en onderste deel.[10]

Situatie op de continenten[bewerken]

Tijdlijn van het percentage toenemende gletsjers in Italië en Zwitserland, van het jaarlijkse Glacier Commission-onderzoek. Zowel het midden van de 20e eeuw als tegenwoordig tonen een sterke terugtrekking.

Europa[bewerken]

In Frankrijk zijn alle zes grotere gletsjers in omvang aan het afnemen. Op de Mont Blanc, de hoogste top van de Alpen, is de Argentièregletsjer sinds 1870 1150 meter korter geworden.[13] Ook de andere Mont Blanc gletsjers trokken zich terug, inclusief de Mer de Glace, met een lengte van 12 km de grootste Franse gletsjer, is tussen 1994 en 2008 500 meter korter geworden.[14][15] Sinds het einde van de kleine ijstijd bedroeg de terugtrekking 2300 m.[15] De Bossonsgletsjer die in 1900 vanaf de top op 4807 meter hoogte afdaalde tot een niveau van 1050 m komt in 2008 niet lager dan 1400 m boven zeeniveau.[16]

Andere onderzoekers constateerden dat de gletsjers in de Alpen sneller lijken af te nemen dan enkele tientallen jaren geleden.[17] In een studie gepubliceerd in 2009 door de Universiteit van Zürich waren sinds 1973 van de 89 gletsjers er 76 afgenomen, 5 gelijk gebleven en 8 aangegroeid.[18] De Triftgletsjer liet de grootste afname zien en verloor tussen 2003 en 2005 350 meter lengte.[18] De Aletschgletsjer is de grootste gletsjer van Zwitserland en wordt gevolgd sinds het eind van de 19e eeuw. De lengte-afname tussen 1880 en 2009 bedroeg 2,8 km.[19]

Morteratsch (rechts) en Pers (links) gletsjers in 2005

De Morteratschgletsjer in Zwitserland wordt gemeten en bestudeerd sinds 1878. De terugtrekking tussen 1878 en 1998 bedroeg 2 km met een gemiddelde van 17 meter per jaar. Dit langjarig gemiddelde werd flink overschreden in de jaren 1999-2005 toen het 30 m. per jaar was. Ook in Italië worden de meeste gletsjers kleiner.[20] Om de situatie van de gletsjers in Noord-Italië vast te stellen werden luchtfoto's en grondfoto's van rond 1950 en het begin van de 21e eeuw vergeleken. De doorgaans kleinere gletsjers in dat gebied werden de helft kleiner.[21]

Ook in Noord-Europa worden de gletsjers kleiner. De Storgletsjer in Zweden wordt sinds het eind van de Tweede Wereldoorlog door het Tarfala research station onderzocht. In het Kebnekaise gebergte van Noord-Zweden bleken tussen 1990 en 2001 14 gletsjers zich terug te trekken, één was toegenomen en één stabiel gebleven.[22] In Noorwegen worden gletsjers sinds 1990 onderzocht. In het binnenland namen ze in omvang af terwijl ze langs de kust in de jaren 90 toenamen.[23] Dat laatste werd toegeschreven aan zware sneeuwval in de jaren 1989-1995.[23] Nadien zijn door verminderde sneeuwval de meeste gletsjers significant afgenomen.[23] Een onderzoek van 31 Noorse gletsjers in 2010 gaf te zien dat 31 aan het terugtrekken waren, één was onveranderd en drie groeiden.[24] In 2013 waren er van de 33 onderzochte 26 aan het afnemen, 4 onveranderd en 3 aangegroeid.[24]

De Engabreen gletsjer in Noorwegen nam in 2014 in lengte toe tot 7 meter boven zeeniveau, de laagste gletsjerhoogte in Europa.

De Engabreen gletsjer van het Svartisen ijsveld, kende in de 20e eeuw diverse perioden van aangroei maar werd tussen 1999 en 2014 ongeveer 200 meter korter.[25] De Briksdalsbreen trok tussen 1996 en 2004 230 meter terug waarvan 130 m. in het laatste jaar; de grootste jaarlijkse afname sinds het begin van de metingen daar in 1900.[26] Dit getal werd overtroffen toen vier gletsjers van het Jostedalsbreen ijsveld, het grootste op continentaal Europa, van eind 2005 tot eind 2006 meer dan 100 meter korter werden.[27]

In de Spaanse Pyreneeën hebben recente studies belangrijke verliezen in omvang en lengte laten zien van gletsjers op het Maladeta massief gedurende 1981–2005. De oppervlakte van de ijsvelden nam af met 35% van 241 hectare tot 155 ha.[28] Sinds 1991 is 50–60% van het met ijs bedekte gebied verloren gegaan. De Balaitus, Perdigurero en La Munia gletsjers zijn in deze periode verdwenen.

Als oorzaak van het kleiner worden van gletsjers in de Alpen sinds 1850, kan een afname van hun albedo worden genoemd, veroorzaakt door industriële zwarte koolstof, zodat ze iets minder zonlicht weerkaatsen. Dit kan de afname van gletsjers in Europa hebben bespoedigd, terwijl ze anders tot rond 1910 waren gegroeid.[29]

Siberië[bewerken]

Siberië heeft gletsjers in het Altaigebergte, Verchojanskgebergte, Tsjerskigebergte en Soentar-Chajata; mogelijk nog een paar kleine nabij het Baikalmeer die nooit zijn geobserveerd en sinds 1989 mogelijk verdwenen.[30][31][32] Tussen 1952 en 2006 namen de gletsjers in het Aktru River Basin in het Altaigebergte met 7,2% af.[30] De afname deed zich voornamelijk voor aan het uiteinde, ze werden enkele honderden meters korter.[30]

In het meer maritieme Russische verre oosten heeft Kamtsjatka, waar in de winter veel sneeuw valt, een ijsbedekking van ongeveer 906 km2 en in 2010 een aantal van 448 gletsjers.[32][33] Ondanks veel sneeuw in de winter en koele temperaturen in de zomer zorgen de grote regenval in de zomer op de Koerillen en Sachalin voor een per saldo afsmelting, ook op de hoogste toppen. Op het Tsjoektsjenschiereiland aan de noordoostkust van Siberië komen veel kleine gletsjers voor maar de ijsbedekking is in totaal niet groter dan 300 km2.[31]

Gegevens over de afname van de ijsmassa's in deze gebieden zijn minder nauwkeurig. Sinds het eind van de communistische periode is er een flinke afname van het aantal waarnemers.[34] Een tweede reden is dat gedacht werd dat in de bergketens van Werchojansk en Tsjerski geen gletsjers voorkwamen, tot ze werden ontdekt in de jaren na 1940. In de afgelegen gebieden van Kamtsjatka en Tsjoektsjen, al waren daar gletsjers bekend, is de observatie ervan pas na de Tweede Wereldoorlog begonnen.[32] Ondanks dat duiden de beschikbare gegevens op een algemene terugtrekking van alle gletsjers in Siberië met uitzondering van de vulkaangletsjers op Kamtsjatka. De gletsjers van Jakoetië met een oppervlakte van 70 km2 zijn sinds 1945 met 28% afgenomen; in de Altai, het Tsjoektsjenschiereiland en de niet-vulkanische gebieden van Kamtsjatka is de afname beduidend groter.[34]

Azië[bewerken]

Satellietfoto die de vorming van meren toont aan de uiteinden van terugtrekkende gletsjers in Bhutan-Himalaya.

De Himalaya en andere bergketens in Centraal-Azië hebben grote met ijs bedekte gebieden, de grootste op aarde buiten de polen.[35] Ze voorzien voor een deel in de waterbehoefte van westelijk China, Pakistan, Afghanistan en India. Zoals elders laten deze gletsjers een afname zien, onderzoekers stellen dat tussen 1970 en 2000 de ijsmassa met 9% is gereduceerd.[36]

In de Wakhan Corridor in Afghanistan zijn 28 van de 30 onderzochte gletsjers tussen 1976 en 2003 teruggetrokken met gemiddeld 11 meter per jaar.[37] Eén ervan, de Zemestangletsjer, werd in deze periode 460 meter korter; bijna 10% van zijn 5,2 km lengte.[38] Van de 612 gletsjers die in China werden gevolgd tussen 1950 en 1970 was 53% kleiner aan het worden; na 1990 was dat bij 95% het geval.[39] Alle gletsjers in de omgeving van de Mount Everest zijn aan het krimpen. De Rongbukgletsjer die richting Tibet stroomt wordt per jaar 20 meter korter. In de Khumbu regio van Nepal werden tussen 1976 en 2007 alle 15 gletsjers kleiner, gemiddeld met 28 meter per jaar.[40] De bekende Khumbugletsjer werd in een tempo van 18 meter per jaar korter.[40] In India is de Gangotrigletsjer tussen 1936 en 1996 in totaal 1147 meter korter geworden waarvan 850 in het laatste kwart van de 20e eeuw.[41][42] De lengte bedraagt echter nog altijd meer dan 30 km.[42] In Sikkim werden 26 gletsjers tussen 1976 en 2005 13 meter per jaar korter.[43]

Het enige gebied in de Himalaya waar gletsjergroei voorkomt is het Karakoramgebergte, en dan alleen bij gletsjers in de hoogste delen. Dit wordt toegekend aan mogelijk hogere neerslag en de extra druk die van de toegenomen sneeuwmassa uitgaat en de gletsjertongen verder omlaag duwt. Tussen 1997 en 2001 werd de 68 km lange Biafogletsjer in zijn middendeel 10 tot 25 meter dikker hoewel hij niet langer werd.[44]

Door de geschetste ontwikkeling zijn een aantal nieuwe meren ontstaan. De kans op plotselinge overstromingen is toegenomen; men schat dat 21 meren in Nepal en 24 in Bhutan een bedreiging vormen als hun eindmorene het zou begeven.[45] In 1994 doodde een doorbraak van gletsjermeerwater in Bhutan 23 mensen stroomafwaarts.[46]

Gletsjers in Kirgizië vertoonden tussen 1943 en 1977 een kleine achteruitgang; tussen 1977 en 2001 versnelde de afname en verloren ze 20% van hun massa.[47] In het Tiensjangebergte van Kirgizië, China en Kazachstan, hebben gletsjers in het noordelijk deel, die droge gebieden van water voorzien, tussen 1955 en 2000 bijna 2 km³ ijs verloren.[48]

De ongeveer 8000 gletsjers in Tadzjikistan zijn over het algemeen kleiner aan het worden.[49] In de 20e eeuw verloren ze 20 km³.[49] De 70 km lange Fedsjenkogletsjer, de grootste buiten de arctische en gematigde streken op aarde, werd tussen 1933 en 2006 1 km korter en verloor tussen 1966 en 2000 44 km² aan oppervlakte.[49]

Oceanië[bewerken]

Nieuw Zeeland[bewerken]
Deze gletsjers in Nieuw Zeeland bleven de laatste jaren snel in omvang afnemen. Aan de uiteinden zijn groter wordende meren te zien.

In Nieuw-Zeeland zijn de gletsjers sinds 1890 algemeen aan het afnemen, met een versnelling daarvan sinds 1920. De meesten zijn meetbaar kleiner geworden, in de loop van de 20e eeuw is de sneeuwgrens hoger komen te liggen. Sinds 1980 zijn aan de uiteinden van veel gletsjertongen meren ontstaan met de eindmorene als dam. Het verlies aan ijsvolume op het zuidereiland in de jaren 1976 tot 2014 bedroeg 34%.[50]

Diverse gletsjers, met name de veelbezochte Foxgletsjer en Franz Josefgletsjer aan de westkust, kenden in de jaren 1990 perioden van groei, maar de omvang daarvan is klein vergeleken met de totale afname in de 20e eeuw. Beide zijn nu meer dan 2,5 km korter dan een eeuw geleden. Deze grote, snel voortschuivende gletsjers op steile hellingen zijn gevoelig voor kleine veranderingen in de totale massa. Enkele jaren met meer sneeuwval dan normaal vertalen zich snel in een zichtbare aangroei die weer even snel afneemt als aan deze omstandigheden een eind komt.[51]

Nieuw Guinea[bewerken]
Animatie van de omvang van de gletsjers op de Puncak Jaya van 1850 tot 2003
Puncak Jaya ijskap in 1936 USGS
Puncak Jaya gletsjers 1972. Links naar rechts: Northwall Firn, Meren Gletsjer, en Puncak Jaya gletsjer Zie ook de afbeelding van midden 2005

Het bericht van Jan Carstensz uit 1623 over gletsjers op de hoogste bergen van Nieuw Guinea werd met ongeloof begroet, maar in het begin van de 20e eeuw bleken vijf toppen van het Maokegebergte ijsbedekking te hebben. Door de positie van het eiland in de tropen zijn er bijna geen seizoenen. De hoeveelheid neerslag en bewolking zijn het hele jaar door tamelijk gelijkblijvend en kenden in de loop van de 20e eeuw geen merkbare verandering.

De ijskap van de 4720 m hoge Puncak Trikora, die in 1909 tot beneden 4400 m kwamen, verdween geleidelijk tussen 1939 en 1963.[52] De Puncak Mandala ijskap (Merengletsjer) verdween in de jaren 1990.[53] De Idenburg gletsjer op de Ngga Pilimsit droogde in 2003 op. Er zijn nu alleen nog restanten ijs op de hoogste berg, de Puncak Jaya (4884 m); in 1850 hadden deze ijsvelden naar schatting een oppervlak van 20 km² .

Voor de grote afname van de hoeveelheid ijs op deze berg bestaat fotografisch bewijs door vooronderzoek vanuit de lucht voor een beklimming in 1936.[54] Tussen 1936 en 2010 verloor de berg 80% van het ijs, twee derde daarvan sinds een andere wetenschappelijke expeditie in de jaren 1970.[55] Dat onderzoek tussen 1973 en 1976 liet een terugtrekking zien voor de Merengletsjer van 200 meter en voor de Puncak Jaya-gletsjer van 50 meter. Het firnveld op de noordhelling, het grootste overblijfsel van de ijskap op de top van de Puncak Jaya, is na 1942 in twee delen gesplitst. Satellietbeelden van de IKONOS toonden dat in 2002 slechts 2,1 km² ijsveld overbleef; dat tussen 2000 en 2002 het oostelijk firnveld 4,5% verloor en het westelijk 19,4% en de gletsjer op de top 6,8%; ook dat ergens tussen 1994 en 2000 de Merengletsjer geheel was verdwenen.[56] Een expeditie in 2010 naar de overblijvende gletsjers op Puncak Jaya wees uit dat het ijs ongeveer 32 meter dik is en in een tempo van 7 meter per jaar dunner wordt; de resterende gletsjers waren begin 2016 bijna verdwenen.[57][58]

Amerika[bewerken]

Lewis Glacier, North Cascades National Park na het wegsmelten in 1990

Cascaden[bewerken]

De Cascaden in westelijk Noord-Amerika strekken zich uit van zuidelijk British Columbia in Canada tot het noorden van Californië. Ongeveer de helft van de gletsjers in de V.S. uitgezonderd Alaska bevinden zich in het North Cascades National Park, ongeveer 700 in totaal.

De Boulder gletsjer werd tussen 1985 en 2003 450 meter korter
De Easton Glacier werd tussen 1985 en 2005 255 meter korter

Nog tot 1975 namen de gletsjers in de Noord-Cascaden in lengte toe door een periode van koeler weer met meer neerslag, die duurde van 1944 tot 1976. Daarna zijn ze in toenemend tempo aan het afnemen. Tussen 1984 en 2005 the werden de gletsjers in dit gebied gemiddeld 12,5 meter minder dik en verloren ze 20% tot 40% van hun volume.[59] Glaciologen die hier onderzoek doen constateerden dat alle 47 opgemeten gletsjers terugtrekken en dat vier ervan —Spidergletsjer, Lewisgletsjer, Milk Lakegletsjer en Davidgletsjer— na 1985 geheel zijn verdwenen. Een duidelijk voorbeeld is de White Chuck Glacier (nabij Glacier Peak), die in 1958 een oppervlak had van 3,1 km² en in 2002 van 0,9 km². Tussen 1850 en 1950, nam de Bouldergletsjer op de Mount Baker 2600 m in lengte af. William Long van de United States Forest Service merkte dat de gletsjer in 1953 langer werd door koeler en natter weer. In 1979 was de lengte 743 meter toegenomen.[60] Tussen 1987 en 2005 was er een periode van minder sneeuwval in de winter en hogere temperaturen in de zomer wat leidde tot een afname van 450 meter. In dit deel van de Cascaden is de sneeuwdikte in de winter sinds 1946 met 25% afgenomen en zijn de zomertemperaturen met 0,7°C gestegen. Per 2005 zijn 67% van de geobserveerde North Cascade-gletsjers snel aan het afnemen en zullen de huidige klimaatontwikkeling niet overleven.[61]

Rocky Mountains[bewerken]

Op de hellingen van het Glacier National Park in Montana, zijn de gletsjers snel aan het afnemen. De omvang van iedere gletsjer wordt al gedurende tientallen jaren in kaart gebracht door de National Park Service en de U.S. Geological Survey. Vergelijking van foto's uit het midden van de 19e eeuw met huidige afbeeldingen tonen veel bewijs van een flinke terugtrekking sinds 1850. De grotere gletsjers zijn nu ongeveer 1/3 van hun omvang van 1850, veel van de kleinere gletsjers zijn geheel verdwenen. Slechts 27% van het Glacier National Park gebied dat in 1850 met ijs bedekt was (99 km²) was dat nog steeds in 1993.[62] Onderzoekers denken dat omstreeks 2030 het grootste deel van het gletsjerijs in Glacier National Park zal zijn verdwenen tenzij huidige klimaatontwikkelingen zich wijzigen.[63] Grinnell Glacier is een van de vele gletsjers in Glacier National Park die al meerdere decaden fotografisch goed gedocumenteerd zijn. De foto's hieronder laten de afname sinds 1938 zien.

In het semi-aride klimaat van Wyoming kunnen zich in het Grand Teton National Park nog een tiental gletsjers handhaven, die over de laatste 50 jaar alle een afname vertonen. De Schoolroom gletsjer zuidwest van Grand Teton wordt verwacht rond 2025 te verdwijnen. Onderzoek tussen 1950 en 1999 liet zien dat de gletsjers in Bridger-Teton National Forest en Shoshone National Forest in die periode met meer dan 1/3 afnamen. Foto's tonen dat ze half zo groot zijn als toen ze eind 19e eeuw voor het eerst werden gefotografeerd. De grote Gannettgletsjer op de Gannett Peak heeft sinds 1920 50% van zijn volume verloren. Glaciologen verwachten dat de overblijvende gletsjers in Wyoming in het midden van de 21e eeuw zijn verdwenen als de klimaatontwikkeling voortgaat.[64]

Canada[bewerken]

De Athabasca-gletsjer in het Columbia-ijsveld van de Canadese Rockies is de laatste eeuw 1500 meter gekrompen
Valdez Glacier is de laatste eeuw 90 meter dunner geworden

In de Canadese Rocky Mountains zijn de gletsjers groter en meer verspreid dan zuid van de grens met de V.S. Eén van de meer toegankelijke is de Athabascagletsjer, die uit het Columbia-ijsveld met een oppervlak van 325 km² stroomt. De Athabasca Glacier is sinds het eind van de 19e eeuw 1500 meter korter geworden. Het tempo ervan is na 1980 toegenomen, na een periode van langzame terugtrekking tussen 1950 en 1980. De Peytogletsjer in Alberta bedekt een gebied van 12 km²; deze werd snel kleiner in de eerste helft van de 20e eeuw, werd stabiel in 1966 en hernam de afname in 1976.[65]

De Illecillewaetgletsjer in Brits Columbia's Glacier National Park, deel van de Selkirk Mountains (west van de Rockies) is sinds de eerste foto's in 1887 2 km korter geworden.

In Garibaldi Provincial Park in zuidwest Brits Columbia was meer dan 505 km² of 26% van het park, aan het begin van de 18e eeuw met ijs bedekt. De ijsbedekking nam af tot 297 km² rond 1987–1988 en tot 245 km² in 2005. Het verlies van 50 km² in de laatste 20 jaar komt overeen met de negatieve massabalans in dit hele gebied. Alle 9 onderzochte gletsjers zijn in belangrijke mate korter geworden.[66]

Alaska[bewerken]

Kaart van Glacier Bay. Rode lijnen tonen de eindposities en jaartallen tijdens de terugtrekking van de kleine ijstijd gletsjer.
Afname van de Muir Glacier van 1941 tot 1982

Alaska heeft duizenden gletsjers, slechts enkele hebben een naam. De Columbiagletsjer bij Valdez in Prince William Sound is de laatste 25 jaar 15 km korter geworden. Ook de Valdez Glacier in hetzelfde gebied is significant kleiner geworden. "Een onderzoek vanuit de lucht in 2005 van gletsjers langs de kust, waarvan vroeger ijs afkalfde met de getijdenbeweging, laat zien dat ze snel kleiner worden."[67] GLOFs have been known to occur in every region of the world where glaciers are located. Icy Bay in Alaska wordt gevoed door drie grote gletsjers — Guyot, Yahtse, en Tyndall Glaciers — die alle in lengte, oppervlakte en dikte zijn verminderd. Tyndall Glacier is sinds 1960 24 km korter geworden, ongeveer 500 meter per jaar.[68]

De 19 tongen van het Juneau-ijsveld worden sinds 1946 gemonitord. Eén ervan, de Taku Glacier, werd langer; alle andere zijn 1 tot 5,4 km korter geworden.[69] Taku Glacier is tenminste sinds 1890 aan het toenemen, toen John Muir waarnam dat van de voorzijde ijsbergen afkalfden. In 1948 was de aangrenzende fjord ermee gevuld, vond geen afkalving meer plaats en kon de gletsjer zijn opmars voortzetten. In 2005 was de gletsjer slechts 1,5 km van Taku Point en blokkeerde de Taku Inlet. De voortgang bedroeg tussen 1988 en 2005 gemiddeld 17 meter per jaar. Sinds 1988 is de mass balance echter licht negatief waardoor in de toekomst de lengtegroei kan verminderen.[70]

Herhaalde diktemetingen van 67 gletsjers geven een versnelde afname van de dikte te zien als de periode 1950 tot 1995 vergeleken wordt met 1995 tot 2001: respectievelijk 0,70 en 1,80 meter per jaar.[71] De gletsjers worden dus niet alleen korter maar ook dunner.

Zuidelijke Andes[bewerken]

Grote bewoonde gebieden in de omgeving van de centrale en zuidelijke Andes in Argentinië en Chili kennen een vrij droog klimaat en zijn voor de waterbehoefte afhankelijk van Andesgletsjers. Dit water voedt tevens rivieren die soms zijn afgedamd voor waterkrachtcentrales. Mogelijk zijn de grote ijskappen op de Andes rond 2030 verdwenen. In Patagonië zijn ze sinds het eind van de 19e eeuw 10 km korter geworden. Ook is geconstateerd dat de Patagonische gletsjers sneller kleiner worden dan waar ook ter wereld.[72] Het Noord-Patagonisch ijsveld verloor tussen 1945 en 1975 93 km² en van 1975 tot 1996 174 km²; een verlies van 8%. Het Zuid-Patagonisch ijsveld vertoont tussen 1944 en 1986 een afname bij 42 gletsjers, vier bleven gelijk en twee hadden een toename. De grootste afname was bij de O'Higginsgletsjer, die van 1896 tot 1995 14,6 km korter werd. De Perito Morenogletsjer is 30 km lang en een belangrijke uitstroom van het ijsveld; tevens de meest bezochte gletsjer van Patagonië. Perito Moreno vertoonde tussen 1947 en 1996 regelmatig veranderingen met een netto-groei van 4,1 km lengte.[73]
[74] Twee andere belangrijke gletsjers van het zuidelijk veld werden respectievelijk 4,6 km in 21 jaar en 1 km in 13 jaar korter.[75] In de vallei van de Aconcaguarivier is het ijsoppervlak met 20% afgenomen, van 151 km² tot 121 km².[76]

Noordelijke Andes[bewerken]

Meer dan 80% van het gletsjerijs in de noordelijke Andes bevindt zich op de hoogste delen in kleine velden van ongeveer 1 km² grootte. Observaties van de Chacaltajagletsjer in Bolivia en de Antizana Glacier in Ecuador tussen 1992 en 1998 lieten zien dat ze per jaar tussen de 0,60 meter en 1,90 meter dikte verloren. De Chacaltaya verloor sinds 1940 ongeveer 90% van zijn massa en wordt verwacht rond 2015 verdwenen te zijn.[77] In Colombia hebben de gletsjers op de toppen van de Nevado del Ruiz in de laatste 40 jaar meer dan de helft van hun oppervlak verloren.[78] Meer naar het zuiden in Peru zijn de Andes hoger; de gletsjers hebben daar een totale oppervlakte van ruim 700 km².

De Quelccaja-ijskap is de grootste ter wereld in de tropen; alle tongen ervan zijn aan het afnemen.[79] De Qori Kalisgletsjer is er één van, deze is tussen 1995 en 1998 met 155 meter per jaar korter geworden. Het smeltwater heeft sinds 1983 een groot meer aan de voorzijde gevormd.[80]

Afrika[bewerken]

Gletsjers komen in de tropen vrij weinig voor om drie redenen. Ten eerste is dit het warmste deel van de aarde. Ten tweede zijn er bijna geen seizoenen dus geen koudere maanden waarin sneeuw kan cumuleren. Ten derde is er minder hooggebergte waar voldoende kou is om gletsjers te onderhouden. Gletsjers in de tropen zijn klein en daarmee gevoeliger voor veranderingen in het klimaat.[81] Van de tropische gletsjers bevindt zich 99,6% in de noordelijke Andes; 0,25% op de Ruwenzori, Mount Kenya en de Kilimanjaro (berg) in Afrika, en 0,11% in Nieuw Guinea.[82]

Ruwenzori[bewerken]

Het Rwenzorigebergte op de grens van Congo en Oeganda heeft een hoogste top van 5109 meter. Er is fotografisch bewijs van een flinke afname van met ijs bedekte gebieden in de laatste 100 jaar. Tussen 1955 en 1990 was er een afname van ongeveer 40%. Verwacht wordt dat door de ligging in neerslagrijk gebied, de gletsjers langzamer achteruitgaan dan op de Kilimanjaro of Mount Kenia.[83]

Mount Kenya[bewerken]

Mount Kenya is met een hoogte van 5199 meter de tweede top van het continent. Volgens onderzoek door de U.S. Geological Survey waren er in 1900 18 gletsjers rond de top waarvan er in 1986 nog elf over waren. Het totale oppervlakte bedroeg in 1900 1,6 km² wat in het jaar 2000 was afgenomen met 75% tot 0,4 km².[84]

Kilimanjaro[bewerken]
1rightarrow blue.svg Zie Kilimanjaro (berg) voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Poolgebieden[bewerken]

Hoewel gletsjers van de gematigde breedten en de tropen voor de mens van belang zijn vormen ze slechts een klein deel van de ijsbedekking op aarde. Ongeveer 99% wordt gevormd door ijskappen en gletsjers op Groenland, andere eilanden in het noordpoolgebied en Antarctica. Deze aaneengesloten gebieden met de omvang van een continent en een ijsdikte van 3 of meer kilometer, bedekken het grootste deel van de landmassa's rond de polen. Langs de kusten zorgen gletsjers voor transport naar de oceanen.[85]

IJsland[bewerken]

Vatnajökull is de grootste ijskap van Europa. De Breiðamerkurjökullgletsjer ervan werd tussen 1973 en 2004 twee kilometer korter. In het begin van de 20e eeuw kwam de Breiðamerkurjökull tot 250 meter van de oceaan, in 2004 lag het uiteinde drie km landinwaarts. Hierdoor ontstond een lagune, de Jökulsárlón, die is gevuld met afkalvende ijsbrokken. Metingen van de massabalans van de IJslandse gletsjers gaven tussen 1987 en 1995 afwisselend positieve en negatieve jaren maar de negatieve overheersen. De Hofsjökull ijskap had in de jaren 1995–2005 steeds een negatieve balans.[86] De meeste gletsjers namen snel in lengte af in de warme jaren tussen 1930 tot 1960, dit vertraagde in een koelere periode tot 1970 waarna ze weer gingen aangroeien. Deze fase eindigde rond 1990. Na dat jaar begonnen door temperatuurstijgingen de meeste gletsjers op IJsland af te nemen; rond het jaar 2000 zijn alle geobserveerde gletsjers aan het afnemen.[87]

Canada[bewerken]

IJskap op Bylot, een van de Canadese Arctische eilanden, 14 augustus 1975 (USGS)

De Canadese Arctische eilanden bevatten na Antarctica en Groenland de grootste hoeveelheid landijs op aarde.[88][89] De grootste ijskappen zijn die op Baffineiland, op Byloteiland en op Devoneiland. De gletsjers in Noord-Canada bleven tussen 1960 en 2000 bijna in evenwicht, sindsdien is er sprake van een scherpe afname van hun massa door hogere zomertemperaturen.[90] Van 2007 tot 2009 verloren ze per jaar 92 gigaton aan massa.[91]

Andere studies tonen dat de Devon ijskap tussen 1960 en 1999 ongeveer 67 km³ ijs verloor. Alle grote gletsjertongen aan de oostkant werden sinds 1960 1 tot 3 km korter.[92] Op Ellesmere nam de Simmon ijskap sinds 1959 met 47% af in oppervlakte.[93] Op 13 augustus 2005 brak het Ayles ijsveld los van de noordkust van dit eiland. Het 66 km² grote veld dreef de Noordelijke IJszee in.[94] In 2002 was al een ijsveld van Ward Hunt afgebroken. Ward Hunt verloor in de 20e eeuw 90% van zijn oppervlakte.[95]

Noord Europa[bewerken]

Een groot deel van Spitsbergen is bedekt met gletsjers. De Hansbreen is tussen 1936 en 1998 1,8 km korter geworden.[96] Blomstrandbreen is de laatste 80 jaar ongeveer 2 km korter geworden. Sinds 1960 gebeurt dit in een tempo van 35 meter per jaar, na 1995 sneller.[97] Midre Lovenbreen werd tussen 1977 en 1995 200 meter korter.[98] Op Nova Zembla bestond de kustlijn in 1952 voor 208 km uit gletsjerijs. In 1993 was dit afgenomen met 8% tot 198 km.[99]

Groenland[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Groenlandse ijskap voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Terugtrekking van de Helheim gletsjer, Groenland

Het nettoverlies van de Groenlandse ijskap is de laatste jaren ruim verdubbeld van 90 km³ tot 220 km³ per jaar.[100] Geconstateerd werd dat de toename van de afsmelting wijdverbreid was en in 2005 vrijwel alle gletsjers ten zuiden van 70° NB betrof. Diverse zeer grote gletsjers die lang stabiel waren, lieten na het jaar 2000 een afname zien. Drie onderzochte gletsjers, - de Helheimgletsjer, Kangerdlugssuaq gletsjer en Jakobshavngletsjer — draineren samen meer dan 16% van de ijskap. Luchtfoto's van rond 1950 en 1970 tonen dat de voorkant van de Helheim decennialang op dezelfde plaats lag. In 2001 begon de gletsjer zich snel terug te trekken, in 2005 was deze 7,2 km korter geworden.[101]

Jakobshavn-gletsjer in West-Groenland was de afgelopen halve eeuw de snelst bewegende gletsjer ter wereld, voortschuivend met een snelheid van 24 meter per dag. Het uiteinde lag tenminste sinds 1950 op dezelfde plaats. In 2002 begon de 12 km lange drijvende gletsjertong aan een fase van snel verval waarbij brokken van de voorkant afbraken en de lengte met 30 meter per dag afnam. De Kangerdlugssuaq gletsjer die tussen 1988 en 2001 met een snelheid van 15 meter per dag voortschoof deed dat in de zomer van 2005 met een snelheid van 40 meter per dag en werd tegelijk korter. Daarbij was de dikte met meer dan 100 meter afgenomen.[102]

Antarctica[bewerken]

De uiteenvallende Larsen-B Ice Shelf in Antarctica is even groot als de Amerikaanse staat Rhode Island.
1rightarrow blue.svg Zie Antarctica voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De Antarctische ijskap is de grootste ijsmassa ter wereld. Het bedekt bijna 14 miljoen km2 en bevat ongeveer 30 miljoen km3 ijs. Ongeveer 90% van het zoete water van de aarde ligt hier opgeslagen; als het zou smelten zou de zeespiegel 58 meter stijgen.[103] De gemiddelde temperatuur over het hele continent is sinds 1957 stijgende met ruim 0.05°C per 10 jaar.[104]

De antarctische ijsmassa wordt door de Trans-Antarctische rug in twee delen gesplitst. Het oostelijk deel rust op een grote landmassa, de ondergrond van het westelijk deel ligt plaatselijk 2500 meter beneden zeeniveau. Aan de randen van het westelijk deel gaat de ijskap over in drijvende ijsvelden zoals het Ross ijsveld, het Ronne ijsveld, en gletsjers die afwateren in de Amundsenzee.

De Larsen-ijsplaat op het Antarctisch Schiereiland verloor 2500 km² tussen 1995 en 2001. In een periode van 35 dagen in 2002 viel ongeveer 3250 km² in twee delen uiteen, Larsen-A en -B.[105] In 2015 concludeerde men dat het overblijvende Larsen B gedeelte rond 2020 uiteengevallen zal zijn.[106] In juli 2017 brak er een groot stuk met een oppervlak van 5800 km² af van de ijsplaat Larsen C, die hierdoor 12% van zijn massa verloor. Vermoed wordt dat ook Larsen C verder zal desintegreren.[107] De Jones Ice Shelf had in 1970 een oppervlakte van 35 km² maar was in 2008 verdwenen.[108] Wordie Ice Shelf was in 1950 1500 km² groot; in 2000 was nog 1400 km² over.[108] Prince Gustav Ice Shelf nam af van 1600 km² naar 1100 km² in 2008.[108] Nadat deze drijvende ijsmassa's kleiner waren geworden, boden ze minder weerstand aan gletsjers die vanaf het vasteland komen zodat dit een snellere afstroming van ijsmassa's vanaf het continent mogelijk maakte.[109] Op het Antarctisch schiereiland, het enige deel dat zich een stuk ten noorden van de poolcirkel uitstrekt, bevinden zich honderden terugtrekkende gletsjers. In een onderzoek betreffende 244 gletsjers zijn er 212 gemiddeld 600 meter korter geworden vergeleken met de eerste meting in 1953.[110]

De Ross Ice Shelf is het grootste ijsveld van Antarctica (een gebied van ongeveer 510.000 km²: ruwweg de grootte van Frankrijk).[111] De Wilkins Ice Shelf had in 1998 een oppervlakte van 16.000 km² toen in dat jaar 1000 km² verloren ging.[112] In 2007 en 2008 ontstonden veel scheuren waarna nog eens 1400 km² afbrak. Dit was mogelijk een gevolg van afsmelting aan de onderkant omdat bovenop weinig afsmelting te zien was.[113] Begin 2009 brak een ijsbrug kapot die de verbinding vormde tussen Charcot Island en het grootste deel van het ijsveld, wat tussen februari en juni 2009 leidde tot een verlies van nog eens 700 km²[114]

Pine Island Glacier komt vanaf het continent in de Amundsen zee terecht en draineert een flink deel van het westelijk ijsveld. Een studie in 1998 concludeerde dat deze gletsjer 3,5 meter per jaar dunner wordt en zich in 3,8 jaar tijd 5 km terugtrok.[115]

Weergave van de processen op Antarctica
Katabatische wind vanaf de ijskap blaast open plekken in het zee-ijs

Een onderzoek gepubliceerd in 2014 constateerde een terugtrekking van de grounding line in de jaren 1992-2011. Dit is de lijn waarlangs de onderkant van de ijskap of gletsjer contact verliest met de bodem eronder en drijvende wordt (zie afbeelding hiernaast).[116] De grootste terugtrekking werd gezien bij de Sjogren gletsjer, waarvan de grounding line 13 km meer landinwaarts ligt dan in 1953. Dit proces duidt op afsmelting aan de onderkant.
Bij 32 gletsjers werd een beperkte toename gemeten van gemiddeld 300 meter per gletsjer.[117] Totten Glacier draineert een groot deel van het oostelijke ijsveld. In 2008 werd al geconstateerd dat Totten Glacier massa aan het verliezen is.[118] Een onderzoek gepubliceerd in 2015 concludeerde dat Totten Glacier op oost Antarctica dunner aan het worden is als gevolg van afsmelting aan de onderkant, veroorzaakt door oceanische processen en de activiteit van polinia. Warmer oceaanwater rond het continent is waargenomen bij het continentaal plat onder een laag van 400 tot 500 meter koud oppervlaktewater.[119]

Zich terugtrekkende gletsjers[bewerken]

(Tijdelijk) aangroeiende gletsjers[bewerken]

Verdwenen gletsjers[bewerken]

Panorama van het noordelijke deel van de groeiende Perito Morenogletsjer (Argentinië), 2010.
Panorama van het noordelijke deel van de groeiende Perito Morenogletsjer (Argentinië), 2010.

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]