Bürgerliches Gesetzbuch

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Reichsgesetzblatt 1896 Seite 195.png

Het Bürgerliches Gesetzbuch (BGB) is het belangrijkste Duitse wetboek op het gebied van het privaatrecht. Het BGB werd op 18 augustus 1896 uitgevaardigd, op 24 augustus van dat jaar gepubliceerd om op 1 januari 1900 in werking te treden. Samen met alle sindsdien gedane aanpassingen werd het BGB op 2 januari 2002 opnieuw gepubliceerd (BGBl. I S. 42, ber. S. 2909 en 2003 S. 738). Sindsdien zijn er nog enige aanpassingen geweest, de laatste op 1 januari 2005 (BGBl. I 2004, S. 3396).

Het BGB is ingedeeld in vijf boeken:

Het BGB is om zijn doordachte structuur bekend en heeft als voorbeeld gefunctioneerd voor burgerlijke wetboeken van verschillende landen. Zo nam Japan aan het einde van de 19e eeuw een ontwerp van het BGB nagenoeg onveranderd over. Het Zwitserse Zivilgesetzbuch dateert uit 1907 en is geïnspireerd op het Duitse BGB, maar wordt gezien als moderner en duidelijker.

Vermeldenswaard is vooral de gelaagde structuur, die in het Duits bekendstaat als Klammertechnik: het algemene deel bevat de basisregels en -begrippen die ook voor alle verdere boeken gelden.

Ontstaan[bewerken]

Voor de inwerkingtreding van het BGB golden in het in 1871 opgerichte Duitse Rijk onder andere het gemene recht, algemeen landrecht (ALR), de Code civil van Napoleon, Badens recht en het Saksisch BGB.

Aan het streven naar codificatie ging de codificatiestrijd van 1814 tussen Anton Friedrich Justus Thibaut en Friedrich Carl von Savigny vooraf.

De liberaal Thibaut was van mening dat een enkele, eenduidige codificatie van het privaatrecht het economische verkeer zou vereenvoudigen en tot nationale eenheid zou bijdragen. De conservatief Savigny vond dat de rechtswetenschap nog niet rijp was voor een codificatie. In eerste instantie had de opvatting van Savigny de overhand, mede door de overtuigingskracht van zijn befaamde boek Vom Beruf unserer Zeit für Gesetzgebung und Rechtswissenschaft.

In de loop van de tijd verschoof de heersende opinie naar het standpunt van Thibaut. De oprichting van het Duitse rijk was de belangrijkste stimulans. In 1873 besloten de Rijksdag en de Bundesrat op voorstel van de volksvertegenwoordigers Miquel en Lasker tot het ontwikkelen van een burgerlijk wetboek. De eerste commissie werd in 1874 ingesteld en leverde in 1888 een eerste ontwerp op. Dit voorstel was sterk gebaseerd op het Romeinse recht en op de leer van Savigny en werd daarom gezien als asociaal, archaïsch en moeilijk begrijpbaar. Volgens velen was de invloed van de Leipziger hoogleraar Romeins recht Bernhard Windscheid te overheersend. In 1890 werd een tweede commissie ingesteld die in 1895 het tweede ontwerp opleverde. Met kleine wijzigingen werd dit voorstel aangenomen.

Invoering[bewerken]

Bij de invoering trad ook het Einführungsgesetz zum Bürgerlichen Gesetzbuche (EGBGB) in werking, dat overgangsregels bevat voor het tot die tijd in Duitsland geldende recht en voor het internationaal privaatrecht. Sindsdien worden bij veranderingen van het BGB de nodige overgangsregels (bijvoorbeeld wegens het Eenwordingsverdrag met de DDR in het EGBGB verwerkt.

Ontwikkeling[bewerken]

In de eerste 50 jaar van zijn bestaan werd het BGB nauwelijks veranderd. Dat kwam onder andere door de algemene regels, zoals art. 242, dat een ontwikkeling van het recht via de rechtspraak (jurisprudentie) mogelijk maakten.

Ook in het Derde Rijk bleef het BGB kracht. De nationaalsocialistische rechters legden de dogmatiek van het wetboek echter in de geest van de nieuwe ideologie uit. Het BGB bevatte verschillende Generalklausen (algemene bepalingen) van een vaak morele strekking zoals "goede trouw", "redelijkheid en billijkheid" en "verweer van kwade trouw" die dit mogelijk maakten. Men hoefde alleen maar in te vullen wat men onder deze begrippen precies verstond. Zo deed het begrip "wichtiger Grund" ("gegronde reden") goede dienst als basis van ontslag. Het BGB definieerde niet wat die "wichtiger Grund" moest inhouden, waardoor het eenvoudig was om bijvoorbeeld een Joodse achtergrond daaronder te scharen. Bij het opstellen van het BGB had men deze vage formuleringen wel als een probleem gezien, maar men ging ervan uit dat de rechter hier gewetensvol mee om zou gaan. Het BGB werd zo tot instrument van de nationaal-socialistische ideologie.
Overigens vonden de nationaalsocialisten het BGB wel heel weerbarstig wetboek. Bovendien waren zij van mening dat het Duitse recht was vervuild door het BGB, omdat het BGB gestoeld was op het Romeinse recht. De nationaalsocialisten zagen daarin een onderdrukking van het inheemse recht. In 1940 begon men dan ook met het ontwerp van een nieuw wetboek. Dit is echter nooit voltooid, doordat het Derde Rijk in 1945 verslagen werd. Enkele losse wetten, zoals de Huwelijkswet (Ehegesetz) voerden de nazi's wel in.

Vanaf 1946 werden hervormingen op het gebied van het familierecht gedaan. Eerst werd door de bezettingsmogendheden het Ehegesetz uitgefaseerd. Vanaf 1953 werd stap voor stap de gelijke behandeling van mannen en vrouwen verwezenlijkt (zie ook artikel 3 lid 2 van het Grundgesetz). In de jaren zestig werd het scheidingsrecht gemoderniseerd.

In de jaren daarna werden talrijke wetten voor consumentenbescherming (zoals een colportagewet (Haustürwiderrufsgesetz) en de algemene-voorwaardenwet (Gesetz zur Regelung des Rechts der Allgemeinen Geschäftsbedingungen, "AGB-Gesetz")) buiten het BGB in het leven geroepen, waardoor de overzichtelijkheid verloren ging.

De laatste grote aanpassing gebeurde bij de modernisering van het verbintenissenrecht op 2 januari 2002 (BGBl. I S. 42), waarbij onder andere richtlijnen van de Europese Unie op het gebied van consumentenbescherming werden omgezet. Bij deze gelegenheid werden veel losse wetten weer naar het BGB overgebracht.

DDR[bewerken]

In de DDR trad in 1966 het Familiengesetz (familierecht) in werking, en in 1976 bij besluit van de Volkskammer van 16 september 1975 het Zivilgesetzbuch der DDR. In deze wetboeken stond de ontwikkeling van de socialistische persoonlijkheid centraal, evenals de bevordering van de socialistische moraal. Deze wetten zijn op 3 oktober 1990 weer buiten werking getreden.

Rechtsvergelijking[bewerken]

Vergelijkbare codificaties in andere landen zijn:

Externe links[bewerken]