Eduard Meijers

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Eduard Maurits Meijers (Den Helder, 10 januari 1880 - Leiden, 25 juni 1954) was een Nederlands rechtsgeleerde en grondlegger van het huidige (nieuwe) Burgerlijk Wetboek. Meijers groeide op in een joods gezin als zoon van marinearts Isidor Meijers en Julie Wolff.

Inhoud

Universiteit [bewerken]

Meijers deed in 1897 staatsexamen gymnasium en studeerde rechtsgeleerdheid aan de Amsterdamse Gemeente-Universiteit, waar hij op 3 april 1903 promoveerde bij Johannes Houwing. Dat zijn interesses en kunnen verder reikten dan alleen het recht, blijkt onder meer uit zijn filosofische proefschrift, waarin hij het utilisme tegenover het rationalisme van Kant verdedigt en stelt dat het algemeen welzijn als einddoel van elke rechtsinstelling moet gelden. Hierna werkte hij onder meer enige jaren in Amsterdam als advocaat.

In 1910 werd hij hoogleraar in het burgerlijk recht en het internationaal privaatrecht aan de Rijksuniversiteit Leiden. Zijn oratie had als onderwerp De taak der rechtswetenschap ten aanzien der vrije rechtspraak. Met name de rechtsgeschiedenis had zijn interesse en zijn wetenschappelijke publicaties zijn van grote invloed geweest op de ontwikkeling van dit rechtsgebied in Nederland. Ook uit het buitenland kreeg hij veel erkenning: Meijers was eredoctor aan de universiteiten van Aberdeen, Brussel, Glasgow, Leuven, Rijsel en Parijs. Van 1918-1922 was Meijers decaan van de Leidse juridische faculteit; van 1926-1927 was hij rector magnificus. De diesrede van Meijers op 8 februari 1927 behandelde De beteekenis der burgerlijke wet in de huidige samenleving.

Tweede Wereldoorlog [bewerken]

In de Tweede Wereldoorlog was het ontslag van Meijers en andere Joodse wetenschappers door de Duitse bezetter de aanleiding voor Meijers' oud-promovendus Rudolph Cleveringa om op 26 november 1940 zijn beroemde protestrede uit te spreken. Op 7 augustus 1942 werd Meijers met zijn vrouw en dochter gedeporteerd naar Kamp Westerbork. In september 1944 werd hij op transport gezet naar Theresienstadt in het Protectoraat Bohemen en Moravië (thans Terezín in Tsjechië). Ook in gevangenschap hield Meijers zich nog bezig met recht. Meijers overleefde de concentratiekampen en keerde al op 25 juni 1945 terug naar Leiden.

Nieuw Burgerlijk Wetboek [bewerken]

Bij Koninklijk Besluit van 25 april 1947 werd aan Meijers de opdracht gegeven een nieuw Burgerlijk Wetboek te ontwerpen, ter vervanging van het toen vigerende wetboek, dat uit 1838 stamde. In 1954 diende Meijers het ontwerp in voor de eerste vier boeken, vergezeld van een uitgebreide toelichting. Na Meijers' dood werd zijn werk voortgezet door Jan Drion, Jannes Eggens, Frits de Jong en Geert de Grooth. Het eerste boek van het nieuwe Burgerlijk Wetboek werd ingevoerd in 1970; het tweede in 1976. Pas bijna 45 jaar nadat Meijers met zijn werk begon, op 1 januari 1992, zijn de boeken 3, 5, 6 en een deel van boek 7 die het vermogensrecht behandelen, in werking getreden.

Rechtshistorisch onderzoek [bewerken]

Meijers hield zich behalve met het Nederlandse recht ook met rechtsgeschiedenis in de breedste zin bezig. Hij publiceerde onder andere over de geschiedenis van de universiteit van Orléans, spoorde de persoonlijke aantekeningen over de gang van zaken aan de Hoge Raad van Holland, Zeeland en West-Friesland van Cornelis van Bijnkershoek op, gaf een traktaat over internationaal privaatrecht van Baldus de Ubaldis uit en de Inleidinghe tot de Hollandsche Rechtsgeleerdheid van Hugo de Groot. Ook verzamelde hij vele rechtshistorische handschriften en oude drukken die tegenwoordig bewaard worden in de Universiteitsbibliotheek Leiden.

Nederland gaf in 1970 een postzegel uit ter herinnering aan Eduard Meijers[1].

Bronnen, noten en/of referenties