Filip De Pillecyn

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Filip De Pillecyn
De Pillecyn, geflankeerd door Timmermans en diens vrouw (1936)
De Pillecyn, geflankeerd door Timmermans en diens vrouw (1936)
Algemene informatie
Geboren 25 maart 1891, Hamme aan de Durme
Overleden 7 augustus 1962, Gent
Beroep schrijver, activist
Dbnl-profiel
Portaal  Portaalicoon   Literatuur

Filip De Pillecyn (Hamme aan de Durme, 25 maart 1891 - Gent, 7 augustus 1962) was een Vlaams schrijver en actief in de Vlaamse Beweging. Hij was een van de medeoprichters van de IJzerbedevaart en werd vanwege zijn associatie met het VNV en DeVlag na de Tweede Wereldoorlog veroordeeld wegens collaboratie. Na zijn celstraf werd hij lid van het IJzerbedevaartcomité. Zijn bekendste boek is "Monsieur Hawarden" dat ook verfilmd werd. Filip De Pillecyn werd door Gerard Walschap beschouwd als "De Prins der Nederlandse Letteren".

Jeugd[bewerken]

Filip werd geboren als jongste van vier zonen. Zijn vader Henri was ontvanger op een stoomboot en effectenmakelaar, zodat de kleine Filip geen armoede leed. Hij liep eerst school in het dorp en ging daarna naar het "Institut Saint Joseph" te Sint-Niklaas (1903 tot 1910) om zijn Frans te leren, Hij voltooide zijn humaniorastudies in het Klein-Seminarie in dezelfde stad, waar hij met de latere Priester Edward Poppe op de schoolbanken zat. In het laatste jaar van de Grieks-Latijnse humaniora was Poppe de eerste voor Nederlands en De Pillecyn de eerste voor godsdienst. Nadien studeerde hij Germaanse filologie aan de Katholieke Universiteit Leuven (1910 tot 1914) bij onder andere professor Lodewijk Scharpé. In 1926 zou hij tot doctor promoveren met een thesis over Hugo Verriest. In Leuven vond hij een gunstige bodem voor zijn Vlaamsgezinde en literaire aspiraties en zette hij zich actief in voor de Vlaamse studentenbeweging. Hij sloot aan bij de studentenkring Met Tijd en Vlijt en was in 1914 voorzitter van het Algemeen Katholiek Vlaamsch Studentenverbond. Hij werkte mee aan het studentenblad Ons Leven en werd na zijn studies aangeworven als eerste redacteur voor het dagblad De Standaard. De oorlog verhinderde de publicatie van deze nieuwe krant.

De Eerste Wereldoorlog[bewerken]

Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog week De Pillecyn uit naar het neutrale Nederland, waar hij bij De Maasbode een betrekking vond en op voorspraak van Frans Van Cauwelaert als vertaler werd aangeworven bij het 'Office Belge' in Den Haag. In 1915 vertrok hij als oorlogsvrijwilliger via Engeland naar Frankrijk. Hij werd aan het front van de IJzer ingezet als cyclist bij de zware artillerie.

Hij werd actief bij het Secretariaat der Vlaamsche Hoogstudenten en werd binnen de Frontbeweging secretaris van de Legervergadering, als plaatsvervanger van 'ruwaard' Adiel Debeuckelaere. Hij was ook medestichter van 'Heldenhulde'. De Pillecyns Vlaams-nationalisme kwam aan het front tot volle ontwikkeling door de wantoestanden op Vlaams gebied. In 1917 schreef hij in samenwerking met Hendrik Borginon het pamflet Vlaanderens dageraad aan den IJzer waarin hij opriep tot een federale herinrichting van de Belgische staat. Tijdens de oorlog schreef hij een twintigtal gedichten die, samen met werk van Jozef Simons, in 1920 verschenen met de titel Onder den Hiel. Hij schreef ook verhalen die gebundeld verschenen in 1927 onder de titel De rit.

Het interbellum[bewerken]

Na de wapenstilstand verbleef hij van 1918 tot 1926 in Brussel. In 1919 werd hij redactiesecretaris van De Standaard. Hij schreef scherpe artikels over Vlaamse problemen en volgde voor de krant het proces Maurice Geerardyn. Hij werd een van de leiders van de door hem mee opgerichte Vlaamse Oud-strijders VOS en werd hoofdredacteur van hun tijdschrift De VOS. Hij interesseerde zich voornamelijk aan de antimilitaristische houding binnen de VOS. Als medestichter was hij nauw verbonden met de organisatie van de IJzerbedevaart waar hij meermaals als spreker optrad.

In 1922 had hij een meningsverschil met Frans Van Cauwelaert. Hij vond dat de krant op Vlaams gebied te minimalistisch was en te zeer de Katholieke Vlaamse Kamergroep volgde. Hij verliet de krant en werd hoofdredacteur van De Tijd, de spreekbuis van het Algemeen Christelijk Vakverbond. Hetzelfde jaar stichtte hij het satirische weekblad Pallieter. In 1925 werd De Tijd overgenomen door Het Volk en werd hij afgedankt met een jaar betaalde vakantie. Hij maakte er gebruik van om zijn doctorale dissertatie af te werken.

In 1926 werd hij atheneumleraar in Malmedy en onderwees er Nederlands en Engels. Hij stichtte er ook een Davidsfondsafdeling. Zijn verblijf aldaar inspireerde hem voor zijn roman uit 1935 Hans van Malmedy. In 1933 verhuisde hij naar het atheneum van Mechelen waar hij leraar bleef tot in 1941. Hij werd in Mechelen voorzitter van de VOS-afdeling en van de Katholieke Vlaamsche Landsbond. Van 1935 tot 1940 behoorde hij ook tot de redactie van het cultureel maandblad Volk. Hij schreef ook bijdragen voor de Sportwereld van Karel Van Wijnendaele (onder de schuilnaam Citroen) en leverde literaire kronieken aan De Standaard.

De Tweede Wereldoorlog[bewerken]

Na de Duitse inval in 1940 werd hij lid van het VNV (Vlaams Nationaal Verbond) en van de DeVlag. In augustus 1940 ondertekende hij de oproep van VNV-leider Staf de Clercq tot een brede Vlaamse volksbeweging en in oktober van datzelfde jaar werd hij lid van de Vlaamse Cultuurraad waar hij, samen met Jef Van de Wiele de leiding van nam. Hij richtte mee de 'Werkgemeenschap voor volksche Cultuur, Volk en Kunst' op en was actief in de 'Federatie van Vlaamsche Kunstenaars'. Hij had ook korte tijd de leiding van het culturele blad 'Westland'.

In mei 1941 werd de Pillecyn benoemd tot directeur-generaal voor het middelbaar onderwijs, wat hij tot aan de Bevrijding zou blijven. In 1942 overleed zijn echtgenote Elvire Van Duyse, met wie hij op 23 april 1919 in het huwelijk was getreden. In 1944 hertrouwde hij met de lerares Suzie De Cavel die hij in het Mechelse atheneum had leren kennen.

Na 1944[bewerken]

In september 1944 werd hij afgezet als ambtenaar en belandde hij in de cel op beschuldiging van collaboratie. Op 17 maart 1947 verscheen hij voor de Krijgsraad in Brussel, die hem een rijke culturele bedrijvigheid tijdens de bezetting ten laste legde en hem daags nadien veroordeelde tot tien jaar hechtenis. Eerst verbleef hij in het kamp van Lokeren, daarna in de gevangenissen van Dendermonde en Sint-Gillis. Deze periode liet een diepe indruk op hem na.

Na zijn vrijlating in juli 1949 vestigde De Pillecyn zich in Gent. Van 1957 tot 1960 was hij lid van het IJzerbedevaartcomité. Hij bleef als auteur zeer productief en was onder meer een van de eerste steunpilaren van de boekengilde De Clauwaert

In 1962 overleed hij en werd net als andere grote namen uit de Vlaamse culturele wereld begraven op het Campo Santo in Sint-Amandsberg.

Literaire werken[bewerken]

Reeds op de gemeenteschool toonde de Pillecyn literaire capaciteiten. Hij kwam op het idee een roman te schrijven maar zijn eerste stap in de literatuur bleef toen beperkt tot één bladzijde. Ontmoedigd door de kritiek van zijn oudste broer liet hij alle hoop varen. Voorlopig toch.

Zijn eerste echt literaire succes boekte hij in 1931 met Blauwbaard.

Voor zijn roman uit 1935 Hans van Malmedy kreeg hij een jaar later de prijs voor letterkunde van de Provincie Antwerpen.

In 1942 ontving hij de prijs voor letterkunde van de Vlaamse Provincies voor zijn roman De Soldaat Johan. In diezelfde periode schreef hij de novelle Monsieur Hawarden waarvan later een film werd gemaakt door Harry Kümel.

In 1946, toen nog in het barakkenkamp in Lokeren, schreef hij De boodschap, een oproep voor meer rechtvaardigheid. Later, in 1949 in de gevangenis van Sint-Gillis, schreef hij zijn meesterwerk Mensen achter de dijk

Pas in 1951 verscheen een nieuw werk, Rochus, gevolgd door Vaandrig Antoon Serjacobs. Later verschenen nog Het boek van de Man Job en Twistgesprek tussen Demer en Schelde.

Bibliografie[bewerken]

  • Poëzie
Onder den hiel (1920) (samen met Jozef Simons)
  • Toneel
Margaretha Van Eyck (1914) - Dona Mirabella (1952)
  • Biografie
Pastor Denys (1927) - Monseigneur Bermijn de Paulus van Ortosland (1929) - Pater de Deken (1929) - Renaat De Rudder (1931)
  • Essay
Hugo Verriest (1926) - Stijn Streuvels en zijn werk (1932) - Het boek van St.-Niklaas (1935) - Stijn Streuvels (1959)
  • Novellen
De rit (1927) - Monsieur Hawarden (1935) - De aanwezigheid (1937) - Schaduwen (1937) - De boodschap (1946) - Rochus (1951) - Het boek van de man Job (1956) - Elisabeth (1961)
  • Romans
Pieter Fardé, de roman van een minderbroeder (1926) - Blauwbaard (1931) - Hans van Malmédy (1935) - De soldaat Johan (1939) - Jan Tervaert (1947) - Mensen achter de dijk (1949) - De veerman en de jonkvrouw (1950) - Vaandrig Antoon Serjacobs (1951) - Aanvaard het leven (1956) - Face au mur (1979)
  • Brochures en bijdragen
Het proces van den veiligheidsdienst (1920) - Amnestie (?) - De dief (1930) - Gedecoreerd met de ster van Bethlehem (1935) - Heldenhulde in Vlaanderen (1938) - Het hart met zeven zwaarden (?) - Aan Schelde en Durme, het soete land van Waas (1939) - Twistgesprek tussen Demer en Schelde (1956) (samen met Ernest Claes) - Hugo Verriest (1959) - Kiespijn der ziel: onuitgegeven journalistiek (1981)


Het monument[bewerken]

Om de nagedachtenis van deze grote Hamse schrijver te eren, werd een Filip de Pillecyn-monument opgericht aan de monding van de Durme. Het monument bestaat uit een drietal personages uit de romans van de Pillecyn: de pestlijder Rochus in liggende houding met een hond die zijn wonden likt en boven hem de statige soldaat Johan die richting Hamme kijkt; langs de waterkant Leda en de veerman uit De Veerman en de Jonkvrouw. Al deze figuren zijn verbonden door een sierlijke nevel die uit het water opstijgt.

Literatuur[bewerken]

  • D. VANACKER, Philippus Florentius De Pillecyn, in: Nationaal Biografisch Woordenboek, Deel XIII, 1990.
  • Lambert BUNING en Karen VAN HOORICK, Filip de Pillecyn, in: Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging, Tielt, 2003, blz. 2477-79.

Externe links[bewerken]