Polis (stad)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Polies in Europa)
Ga naar: navigatie, zoeken

Een polis, meervoud poleis, (Oudgrieks: πόλις, pólis (oorspr.: burcht); mv.: πόλεις, póleis) is een term, door de Grieken gebruikt voor zowel een socio-politiek gegeven, een socio-geografisch gegeven, als voor een burcht (de oorspronkelijke betekenis). Deze drie kunnen ook worden weergegeven door de Oud-Griekse termen кοινωνία, koinônía ("burgergemeenschap"), ἄστυ, ástu (" stad") en ἀкρόπολις, akrópolis ("burcht").

Hoewel de term soms wordt vertaald door "stadstaat", kan men zich hierdoor een verkeerd beeld vormen van het fenomeen doordat deze term vooral wordt geassocieerd met de Italiaanse stadstaten zoals Venetië of Genua. Het is daarom beter om de term onvertaald te laten om verwarring te voorkomen.[1]

Deze staatsvorm zou ontstaan door de stabielere situatie in het oude Griekenland na de troebelen rond 1000 v.Chr. Door de betrekkelijke vrede die heerste, de onderlinge handel en bevolkingstoename werd het noodzakelijk om een beter georganiseerde staatsvorm te ontwikkelen dan de toenmalige op familiebanden gebaseerde maatschappij.

Ontstaan[bewerken]

De eerste poleis ontstonden aan de Klein-Aziatische kust waar de Griekse "kolonisten" (800-500 v.Chr.) zich rond een stedelijke kern gingen concentreren om zich beter te kunnen verdedigen tegen eventuele aanvallen van autochtonen. Dit is te verklaren uit de geografische verscheidenheid van de Klein-Aziatische kust en Hellas, dat door bergruggen en inhammen in kleine, natuurlijke landschappen was opgesplitst.

Apoikia en synoikismos[bewerken]

Door deze geografische verscheidenheid groeiden verschillende dicht bijeen gelegen nederzettingen aaneen tot één stedelijk centrum. Deze kolonies noemde men apoikiai.[2]

Soms ontstond een polis ook door een welbewuste aaneensluiting van nederzettingen tot een politieke eenheid, een synoikismos[3] genaamd.

In de hellenistische periode (323–30 v.Chr.) stichtten de hellenistische basileis in hun rijken verscheidene poleis die ze vernoemden naar henzelf of familieleden. Op deze manier werd de hellenisering van het rijk in de hand gewerkt.

Kenmerken van een polis[bewerken]

Een polis was weinig uitgestrekt, waarbij het grootste deel werd ingenomen door het platteland en haar dorpen (χώρα, chôra, gebied). De stedelijke kern (ἄστυ, ástu, stad) ontwikkelde zich rond een makkelijk te verdedigen punt, zoals de Akropolis van Athene.

Een tetradrachme uit Katane (Sicilië, ca. 435-425 v.Chr.) met een wagenmenner in een quadriga en een Nikè die een krans boven de paarden houdt (linkerkant) en een gelauwerd hoofd van Apollo en het opschrift: ΚΑΤΑΝΑΙΩΝ ("van de Kataniërs") (rechterkant).

De polis was een exclusieve en autonome gemeenschap gevormd door haar burgers (кοινωνία των πολιτων, koinônía tôn politôn, gemeenschap van burgers), waarbij de klemtoon lag op burgers en niet-burgers. Zo kende men in Sparta de homoioi (= gelijken), die volwaardige Spartaanse burgers waren, de perioiken (= omwonenden), die vrije niet-burgers waren en tenslotte de heloten (= slaven); de onvrije niet-burgers. De homoioi en perioiken vormden tezamen "de staat van de Lacedaimoniërs".

Dat de burgers de polis vormden, wordt aangetoond op de munten die niet de plaatsnaam, maar de naam van de burgers (bv. "(staat van de) Lacedaimoniërs") vermelden (zie afbeelding). Zowel de cultus van de polis-goden als de mythen rond de legendarische stichter van de polis en de culten en spelen ter ere van deze, moesten de cohesie binnen de gemeenschap versterken. Daarnaast waren de wetten (Oud-Grieks: νόμοι, nómoi) een belangrijk bindmiddel om geschillen binnen de gemeenschap te beslechten (zie ook Oud-Grieks recht). Het bewaren en versterken van deze cohesie was een voortdurende taak van de polis en de vele culten en spelen zijn hier dan ook een uiting van.

Een polis vormde een onlosmakelijk geheel van de stad (astu) en haar territorium (chora), die de burgerlijke ruimte vormde. Deze burgerlijke ruimte kan ingedeeld worden in een urbane (agora, akropolis; vgl. forum, Capitolium) en een rurale (gecultiveerde en braakliggende gronden), waarbinnen heiligdommen lagen in de astu, de chora en op de grenzen van de polis.

Elke polis streefde naar twee zaken: onafhankelijkheid (ἐλευθερία, eleuthería) van andere poleis en soevereiniteit (αὐτόνομία, autónomía) erkend door andere poleis.[4] Dit streven uitte zich in de verschillende streefdoelen van een polis:

  1. Een polis streefde ernaar zijn eigen politeia (πολιτεία, politeía, staatsregeling) te kiezen zonder inmenging van andere mogendheden. Een polis kon een monarchale,[5] aristocratische, oligarchische, plutarchische[6] of democratische regeringsvorm hebben.
  2. Een polis streefde naar autarkeia,[7] hoewel men daarin in het onvruchtbare Griekenland slechts zelden volledig in slaagde. Vaak moest de polis een deel van haar voedselvoorziening elders halen.
  3. Een polis streefde naar het recht om zichzelf recht te geven en dit ook te zelf te doen gelden. Dit toont zich in de vele juryrechtbanken die in vele poleis voorkomen.
    Munt uit Metapontion (Lucanië, ca. 530-510 v.Chr.) met de polis haar voornaamste bron van rijkdom: gerst.
  4. Een polis streefde ernaar om haar eigen munten te slaan, indien ze over goud of zilver kon beschikken. Een munt diende onder meer voor de naambekendheid van de polis door haar beschermgod, het symbool van haar hoofdactiviteit en/of haar naam (bv. "van de Kataniërs"; zie de afbeelding hierboven) af te beelden.
  5. Een polis streefde ernaar de integriteit van het territorium te bewaren. Ze duldde dan ook geen permanente vertegenwoordiger van een andere macht op haar bodem, noch liet ze zich een garnizoen opdringen.

Hoewel niet elke poleis erin slaagde al deze streefdoelen te bereiken, bleven ze ernaar streven. Het moet ook opgemerkt worden dat het territorium van een polis ontnomen kon worden, maar zolang de gemeenschap van burgers bleef bestaan, kon deze terugkeren om zich terug op haar oude territorium te vestigen. Ook wanneer een polis haar autonomia verloor of een vreemde macht op haar territorium moest dulden bleef ze streven om deze autonomia te herwinnen (zie Dertig Tirannen).

Hoewel het moeilijk is exacte cijfers te geven voor de omvang van het territorium en het inwoneraantal van een gemiddelde polis, schat een recente studie de omvang tussen vijftig en honderd km² en het inwoneraantal tussen 2500 tot 4500 voor een gemiddelde polis.[8] Men moet er echter rekening met houden dat atypische poleis als Athene - dat heel Attika bestreek - of Sparta - dat meerdere streken in de Peloponnesos beheerste - hogere cijfers gaven. De kleinschaligheid van de gemiddelde polis had zowel voor- als nadelen: zo bleef de staat overzichtelijk door haar kleinschaligheid, maar waren er ook meer interne twisten.[9]

Sociale indelingen in de polis[bewerken]

In de verschillende poleis bestond een sociale geleding die ten dele was gebaseerd op het onderscheid tussen burgers en niet-burgers, maar ook op dat tussen vrijen en onvrijen. In sommige poleis bestonden er speciale sociale groepen, die enkel in die poleis voorkwamen. We kunnen deze voor de Griekse poleis ruwweg opsplitsen in een Ionisch en een Dorische sociale indeling.

Ionische sociale indelingen[bewerken]

De Ionische sociale indelingen kennen drie grote groepen: politai (burgers), metoikoi (medebewoners) en slaven. Vrouwen en kinderen tellen niet mee in deze sociale indeling.

Politai[bewerken]

Politai (Oudgrieks: πολῖται, polĩtai (enk. πολίτης, polítês), burgers) waren de vrije onafhankelijke mannelijke inwoners van de polis. Aristoteles geeft een engere definitie van polites:

Aanhalingsteken openen πολίτης δ' ἁπλῶς οὐδενὶ τῶν ἄλλων ὁρίζεται μᾶλλον ἢ τῷ μετέχειν κρίσεως καὶ ἀρχῆς.
Een burger is niet anders te definiëren dan als iemand die deelneemt aan de rechtspraak en in het bestuur.
Aanhalingsteken sluiten

Niet elke vrije onafhankelijke mannelijke inwoner van de polis kon deelnemen aan de rechtspraak en het bestuur. Het kwam vaak voor - zoals in oligarchieën - dat slechts een klein aantal van hen politieke rechten bezaten. Desalniettemin bezaten deze toch alle andere rechten van een burger, afgezien van politieke.

Metoikoi[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie metoiken voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Metoikoi of metoiken (Oudgrieks: μετοίκοι, metoíkoi, medebewoners) waren in verschillende poleis, zoals Athene, residerende vreemdelingen die een eigen status hadden verworven en tot op zekere hoogte in de stedelijke gemeenschap ingeburgerd waren. Toch hadden ze als metoik bijvoorbeeld niet het recht om een huis te bezitten (bv. Aristoteles' Akademeia) of zelf voor de rechtbank te spreken (bv. Lysias), waarvoor ze zich moesten laten bijstaan door een prostates (Oud-Grieks: προστάτης, prostátês, plaatsvervanger (volburger)). Ze moesten echter wel dienen in het leger of op de trières, verblijfstaks (Oud-Grieks: μετοίκιον, metoíkion) betalen en net zoals andere vreemdelingen een belasting (Oudgrieks: ξενικά, xeniká) om handel te mogen drijven op de agora. Hij werd ingeschreven door zijn prostates in de deme waar hij verbleef. Omdat bevrijde slaven ook als metoiken beschouwd werden, waren hun prostatai hun vroegere meesters.

Slaven[bewerken]

Een oude slavenvrouw (een voedster) houdt een boorling vast (terracottabeeldje, afkomstig uit Tanagra (?), gemaakt in Attica (?), ca. 325–300 v.Chr., Louvre).
1rightarrow blue.svg Zie Slavernij in de oudheid voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Slaven waren zeer gewoon in een polis en namen veel van de taken van de burgers over. Ze maakten geen deel uit van de polis, maar zorgden er echter wel voor dat de polis goed functioneerde. Slaven waren vaak persoonlijk eigendom van een burger, maar soms huurde de polis ook slaven in om staatseigendom uit te baten zoals mijnen. Daarnaast waren er ook poleis die staatslavernij kenden (cf. infra).

Hoewel men zou vermoeden dat de Griekse poleis, wiens landbouwgrond meestal toch arm was, zich zouden toeleggen op het verbeteren van de landbouwtechnieken, bleef vernieuwing uit omdat de goedkope arbeid van de slaven een verbetering van de landbouwtechnieken afremde. Als het wat moeizamer ging, kon men immers nog wat extra slaven inzetten.

Dorische sociale indelingen[bewerken]

De Dorische sociale indelingen kunnen in vier groepen opgedeeld worden: homoioi (gelijken, d.i. de (vol)burgers), hypomeiones (minderen, d.i. de burgers die hun burgerlijke voorrechten verloren zijn), perioikoi (omwonenden) en helotes (staatsslaven, bestond ook buiten Sparta onder andere namen). Hier telden vrouwen en kinderen eveneens niet mee in de sociale indeling, hoewel ze in sommige Dorische poleis - onder meer in Sparta - actief deelnamen aan het sociale leven.

Homoioi[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie homoioi voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Homoioi (Oud-Grieks: ὅμοιοι, gelijken) waren de sociale en politieke elite van de Spartaanse samenleving. Zij waren echter niet de enige Spartaanse burgers: ook de perioiken en de hypomeiones (verarmde homoioi met een minder sociaal statuut) maakten deel uit van de "staat van de Lakedaïmoniërs" die de polis Sparta was. De voorwaarden om homoioi te zijn waren zoon te zijn van homoioi, een Spartaanse opvoeding te hebben genoten, ouder dan 30 jaar zijn en deelname aan een syssitia, gezamenlijke mannenbanketten die men zelf aan moest meebetalen.

Ook op het (Dorische) Kreta kende men dergelijk gezamenlijke mannenbanketten. Deze kwamen in grote mate overeen met die in Sparta. Kenmerkend was het gezamenlijke aspect van deze maaltijden, die de verbondenheid tussen de volwaardige burgers moest versterken. Bovendien werden tijdens deze syssitiai gesprekken gevoerd over politiek, iets wat in de meeste Dorische poleis niet gebeurd in de volksvergaderingen. Aldus vingen de syssitiai dit gemis op.

Hypomeiones[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie hypomeiones voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Hypomeiones (Oud-Grieks: ὑπομείονες, hypomeíones, minderen) waren in het antieke Sparta van de (laat-)klassieke periode (4e eeuw v.Chr. en later) de "mindere" Spartaanse homoioi, die verarmd waren en daardoor, bijvoorbeeld ook na de verkoop van de klaros (Oud-Grieks: κλῆρος, klêros, kleros), het "erfgoed", niet meer aan de gezamenlijke mannenbanketten, de syssitia, konden deelnemen.

Perioikoi[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie perioiken voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Perioikoi of perioiken (Oud-Grieks: περίοικοι, períoikoi, omwonenden) waren inwoners in verschillende poleis die geen politieke rechten bezaten, maar wel bepaalde plichten (onder andere militaire). We treffen perioiken aan in onder meer Argolis, Elis, Thessalië, maar vooral in Sparta. In Sparta vormden ze samen met de homoioi en de hypomeiones de politikon Lakedaimoniôn ("de polis van de Lakedaïmoniërs"). Zij waren het ook die aan handel, nijverheid en scheepvaart deden in de polis, beroepen die voor de homoioi verboden waren.

Heloten en consorten[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie heloten voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Heloten (Oud-Grieks: Εἵλωτες, Heílôtes) waren staatslaven in Sparta die ter beschikking gesteld werden aan de homoioi om hun stuk staatsgrond (Oud-Grieks: κλῆρος, klêros, kleros) te bewerken, terwijl deze op veldtocht waren. Enkel de staat zelf kon heloten vrijlaten. Deze vorm van staatslavernij lijkt typisch geweest te zijn voor sommige (vaak Dorische) poleis, want ook elders zijn dergelijke slaven geattesteerd: penestes (Πενέστης', Penéstês, Thessalië), klarotes, mnoites, amphamiotes en oikeis (Gortyn).

Vreemdelingen in de poleis[bewerken]

Niet iedere burger bleef in zijn eigen polis, velen trokken door Griekenland van polis naar polis. Sommigen zouden zich zelfs voor korte of langere tijd vestigen in deze polis. Oorspronkelijk kende men in de vroegste tijden enkel de religieuze plicht van de xenia (gastvriendschap) tussen bevriende oikoi ("huizen"; enk.: oikos). Hierbij was het de xenos (gastvriend) die de vreemdeling ontving in zijn eigen polis, zorgde voor diens onderdak en hem voorzag in andere levensmiddelen.

Omdat niet iedere reiziger kon genieten van deze xenia sloten poleis met burgers van andere poleis een soort overeenkomst: de proxenia. De proxenos was dan degene die ervoor zorgde dat de burgers van de polis waarvan hij proxenos was zonder problemen konden verblijven in zijn eigen polis.

Vrouwen in de poleis[bewerken]

Een gezeten vrouw past haar armband aan terwijl haar jonge slaaf een mand opent (grafstèle met de naam Glykylla, ca. 430–410 v.Chr., Thebe (?), nu in British Museum.)

De positie van vrouwen in poleis verschilde van polis tot polis. In sommige poleis genoten ze een aanzienlijke vrijheid (onder andere te Sparta), terwijl in andere ze hun vrijheid zagen ingeperkt (onder andere te Athene), hoewel in de doorsnee polis de vrouw haar vrijheid noch serieus vrijgelaten noch serieus ingeperkt zagen. Over het algemeen had de vrouw zoveel vrijheid als de samenleving haar toeliet.

Het was de taak van de vrouw om de oikos (« huishouden ») te beheren en dus het toezicht te houden over de slaven.

De politeia van de polis[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Politeia (Griekse oudheid) voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De politeia, wat zoveel betekent als staatsregeling, van een polis kenmerkte de hele samenleving. Het was dan ook belangrijk dat deze politeia goed functioneerde. Als een politeia niet goed meer functioneerde, werd deze politeia vaak vervangen door een nieuwe of grondig hervormd. Het kiezen van een (nieuwe) politeia voor de polis ging dan ook niet altijd even vreedzaam. Soms kwam het zelfs tot een heuse stasis (revolutie), die de politeia radicaal kon omgooien.

Ruïnes van het bouleuterion in Akrai.

De instellingen van een polis kunnen worden opgedeeld in drie groepen, met name:

Terwijl de volksvergadering samenkwam op de agora of het forum, vergaderden de raden in aparte gebouwen zoals het bouleuterion of de curia. Afhankelijk van de gekozen politeia (monarchie, aristocratie, oligarchie of democratie) bezat één van deze drie groepen (waarbij we koningen rekenen onder ambtenaren) het overwicht op de andere twee. Zo kreeg in het democratische Athene de ekklesia het overwicht en was er ook een interne verschuiving van de macht onder de raden, waarbij de boulè (ex-magistraten) de bevoegdheden van de areopaag (aristocraten) naar zich toetrok.

De voedselvoorziening van de polis[bewerken]

Een verzameling amphorae uit Klein-Azië.
1rightarrow blue.svg Zie Voeding in Hellas voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De voedselvoorziening van de polis vormde voor de meeste poleis een constante moeilijkheid, omdat in het onvruchtbare Griekenland slechts weinigen er volledig in slaagden om zelfvoorzienend te zijn. Vaak moest de polis een deel van haar voedselvoorziening elders halen. Men moest dus graan importeren uit vruchtbaardere streken van het Middellandse Zeegebied. Dit graan werd, net zoals olie en wijn die de belangrijkste exportproducten waren van Griekenland, in amforen bewaard. Door handel te drijven, slaagden de Griekse poleis erin het hoofd boven water te houden. Indien er echter een te grote bevolkingsaangroei was en de polis niet langer alle monden kon voeden, werd er vaak overgegaan tot kolonisatie.

De munten van de polis[bewerken]

Een zilveren Attische tetradrachme van na 449 v.Chr. met een gehelmde Athena (linkerkant), olijftak, uil en het opschrift: ΑΘΕ (rechterkant).

Het slaan van munten was voor een polis zeer belangrijk, omdat het een bevestiging was van haar autonomia en eleutheria (vrijheid). Bovendien was het uitstekende propaganda voor de polis, omdat de munten - zoals eerder al is aangehaald - de naam van de polis afbeeldt, samen met het symbool van hoofdactiviteit en/of haar beschermgod.

Hoewel munten van de verschillende poleis oorspronkelijk van elkaar verschilden in gewicht, zouden er stilaan twee standaarden ontstaan, namelijk de Attische en de Aeginetische standaard. Dat het belang van het zelf munten van geld, blijkt uit het feit dat het decreet van Klearchos (449/448 of 422/421 v.Chr.) nogal hard aankwam bij de leden van de eerste Attische-Delische Zeebond. Het verbood hen om eigen zilveren munten te slaan en verplichtte hen om hun munten naar Athene te brengen om ze om te smelten tot Attische munten met het opschrift Athenaion ("van de Atheners"), welke voortaan de enige zilveren munten waren die gebruikt mochten worden door de leden van de bond. Daarnaast werd hen ook de Attische gewichten en maten opgelegd. Dit was een ernstige inbreuk op de autonomia van de leden en de bond zou dan ook niet lang meer stand houden.

De verdediging van de polis[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Oud-Griekse leger voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De verdediging van de polis was meestal in handen van haar burgers, maar kon ook uitbesteed worden. Zoals gezegd, was het voor de polis belangrijk om de integriteit van haar grondgebied te bewaren. Toch kon het gebeuren dat men grondgebied prijsgaf aan de vijand, voor een strategische terugtrekking op de akropolis.

Hoplieten[bewerken]

Graf-naiskos van een jong Atheens soldaat, Aristonautes, zoon van Archenautes, van de deme Halai, in volle panoplia (ca. 350–325 v.Chr.).
1rightarrow blue.svg Zie hopliet voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
hopliet

Een belangrijk recht van een burger van de polis was het recht om de polis te verdedigen als hopliet. Enkel polites mochten als hopliet in phalanx ten strijde trekken tegen de vijand. Een panoplia (Oud'grieks: πανοπλία, panoplía) was duur en kon dus enkel door de gegoede burgers aangeschaft worden. Slechts zelden werd een deel van de panoplia door de polis zelf voorzien, zoals een aantal schilden die door de polis aangekocht waren. Een panoplia kostte ongeveer 3 mina of 300 drachmes.

Door een evolutie in bepaalde poleis verminderde de band met de polis, waardoor sommige burgers niet langer bereid waren zelf hun leven te wagen voor hun polis. Ze betaalden liever een bijdrage om huurlingen mee te betalen dan zelf op het slagveld strijd te leveren.

Peltasten[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Peltast voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
peltast

De peltast (Oudgrieks: πελταστής, pelastês; mv. πελτασται, peltastai) was de licht infanterist bij uitstek. Van Thracische oorsprong, werden uiteindelijk ook niet-Thracische peltasten ingezet door de Atheense veldheer Iphikrates bij de slag bij Lechaeum. Ze waren ook zeer populair als huurlingen.

De burgers die een uitrusting als hopliet of peltast niet konden bekostigen werden slingeraars, andere lichte infanterie of bemanden de trières.

Griekse Poleis[bewerken]

Er waren een groot aantal poleis in Griekenland. De bekendste poleis zijn Athene, Sparta, Korinthe en Milete. Later zou ook Rhodos een belangrijke polis worden. Door het Copenhagen Polis Centre zijn er in totaal 1035 Griekse poleis, die in de loop van de geschiedenis hebben bestaan - zij het niet allemaal tegelijkertijd -, geregistreerd.[10]

Fenicische poleis[bewerken]

De Fenicische poleis waren in Fenicië zelf meestal monarchaal van bestuur en gericht op handel. De Fenicische kolonies gingen echter - net zoals de Griekse - experimenteren en de Fenicische kolonie Carthago kende dan ook geen monarchie, maar een oligarchische republiek geleid door suffeten.

Italische poleis[bewerken]

De Italische poleis, waar de Etruskische en Latijnse naast de Griekse kolonies in Zuid-Italië en op Sicilië de voornaamste rol in speelden, konden zich in tegenstelling tot hun Griekse soortgenoten wel beter ontwikkelen op gebied van zelfvoorziening. Dit kwam doordat het vlakkere Italië beter geschikt was voor landbouw. Hierdoor groeide de bevolking ook sneller en begonnen onder andere de Romeinen aan gebiedsuitbreiding.

De Romeinse visie op de polis was meer gefocust op de gedachte van een staat en staatsinrichting die de gemeenschap oversteeg, terwijl de Griekse poleis meer focusten op de gemeenschap die de polis voor hen was. Hierdoor was de staatsinrichting van de Romeinen ook minder onderhevig aan verandering dan die in de Griekse poleis, omdat zij haar staatsinrichting als iets essentieel voor de polis zag.

Andere staatsvormen[bewerken]

Ethnos en Koinon (Bondsstaat) (Aetolië, Akarnanië, Phokis, Boeotië, Arkadië, Achaea, Elis).

Noten[bewerken]

  1. Vgl. F. Naerebout, Griekse Democratie. Democratische politiek in het klassieke Athene, Amsterdam, 2005, pp. 21-22.
  2. mv.: ἀποικίαι, apoikíai < ἀπο, apo (weg van) + oἰκoς, oikos (huis; gemeenschap).
  3. Oud-Grieks: συνoικισμός, synoikismós < συν, syn (met; samen) + oἰκoς, oikos (huis; gemeenschap).
  4. In het moderne onderzoek wordt steeds meer in vraag gesteld of het streven naar onafhankelijkheid een wezenlijk kenmerk was van een polis. Zie: M.H. Hansen, The "Autonomous City-State". Ancient Fact or Modern Fiction?, in M.H. Hansen - K. Raaflaub (edd.), Studies in the Ancient Greek Polis, Stuttgart, 1995, pp. 21-43.
  5. Ook een tirannie is een vorm van (illegale) monarchie.
  6. "regering van de rijken" < plutos: "geld" + archein: "heersen".
  7. Oud-Grieks: αὐτός, autós (zelf, eigen) + ἀrkeω, arkeô (ik ben toereikend) > zelfvoorziening.
  8. F. Naerebout, Griekse Democratie. Democratische politiek in het klassieke Athene, Amsterdam, 2005, p. 22. Vgl. M.H. Hansen - F. Naerebout, Stad en staat. De antiek-Griekse poleis en andere stadstaatculturen, Amsterdam, 2006, pp. 89-105.
  9. R. Duthoy, De Griekse polis. Een beknopte schets van haar wezenskenmerken, in Didactica Classica Gandensia 23 (1983), p. 268.
  10. M.H. Hansen - F. Naerebout, Stad en staat. De antiek-Griekse poleis en andere stadstaatculturen, Amsterdam, 2006, p. 90.

Zie ook[bewerken]

Referenties en verder lezen[bewerken]

Externe link[bewerken]