De sigaren van de farao

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
De sigaren van de farao
Orig. titel Les Cigares du pharaon
Stripreeks De avonturen van Kuifje
Volgnummer 4
Scenario Hergé
Tekeningen Hergé
Eerste druk 1934
Portaal  Portaalicoon   Strip

De sigaren van de farao (oorspronkelijke, Franstalige titel: Les Cigares du pharaon) is het vierde album uit de reeks Kuifje-strips van de Belgische tekenaar Hergé. Het verhaal maakt deel uit van een tweeluik waarin Kuifje door het Midden-Oosten, Zuid-Azië en China reist en daarbij de strijd aanbindt met een in opium handelende criminele bende, die in dit hele gebied actief blijkt te zijn en bovendien beschikt over een gekmakend vergif (radjaïdjah) als wapen. Het volgende verhaal in de serie, De Blauwe Lotus, sluit rechtstreeks aan op dit verhaal, inclusief een deel van de verhaallijn.

Er bestaan twee hoofdversies van het verhaal. Het originele in zwart-wit uit 1934 en de vernieuwde, ingekleurde uit 1955. Het album kent drie verschillende tekeningen als kaft. De eerste Nederlandse vertaling dateert uit 1955. In 1983 verscheen een nieuwe Nederlandse vertaling. De originele zwart-witversie met Nederlandse vertaling verscheen in 1990.

Personages die in dit album geïntroduceerd worden[bewerken]

Verhaal[bewerken]

Leeswaarschuwing: Onderstaande tekst bevat details over de inhoud en/of de afloop van het verhaal.

Het verhaal begint in de Rode Zee op het dek van het schip De Epomeo, waarmee Kuifje en zijn hond Bobbie bezig zijn aan een zeereis richting Shanghai. Aan boord ontmoet Kuifje een wat verstrooide man, ene professor Siclone, een egyptoloog die op zoek is naar het graf van farao Kih-Oshk en Kuifje uitnodigt hem te vergezellen. Professor Siclone heeft hierover een belangrijk papyrusdocument in zijn bezit, waarvan hij even dacht dat het overboord was gewaaid. De professor en Kuifje hebben terloops een korte aanvaring met de onvriendelijke Roberto Rastapopoulos.

Een onbekende, die onzichtbaar blijft, wil niet dat Kuifje en professor Siclone de graftombe ontdekken en zorgt ervoor dat Kuifje op de hielen wordt gezeten door twee detectives, Jansen en Janssen. Kuifje wordt door hen opgepakt voor vermeende heroïnesmokkel, maar ontsnapt en komt alsnog aan in Port Said, waar hij Siclone weer ontmoet. Samen trekken ze de woestijn in en Siclone ontdekt de tombe in gezelschap van Kuifje en Bobbie. Enkele ogenblikken later blijkt Siclone verdwenen te zijn. De deur van de tombe opent zich vanzelf en Kuifje en Bobbie betreden de tombe, waar ze ontdekken dat alle op mysterieuze wijze verdwenen geleerden die de tombe ooit betreden hebben gemummificeerd zijn en dat hij, Siclone en Bobbie de volgende doelwitten zijn; er staan enkele nog lege sarcofagen met hun namen erop. Kuifje beseft dat hij in gevaar is en moet ontsnappen. Even later vindt hij grote kisten met sigaren met het teken van farao Kih-Oshk. Kort daarna vallen Kuifje en Bobbie bewusteloos door binnenkomende rook.

Kuifje, Siclone en Bobbie worden door de organisatie in evenveel sarcofagen ondergebracht op het schip van Allan Thompson, een Britse drugssmokkelaar. Wanneer Thompson ontdekt wordt door de kustwacht gooit hij de sarcofagen overboord, onwetend dat zich daarin Kuifje, Bobbie en Siclone bevinden. Het drietal komt in een zware stom terecht en Kuifje en Bobbie raken de professor kwijt. Ze dreigen even later verzwolgen te worden door een grote golf. Op een volgend plaatje worden ze wakker op een andere boot. De bemanning blijkt hen gered te hebben van de verdrinkingsdood. Aan boord is ook de koopman Oliveira da Figueira, door wie Kuifje zich van alles laat aansmeren. Even later worden Kuifje en Bobbie netjes aan land gezet.

Kuifje ontmoet in de woestijn de sjeik Patrash Pasha en verstoort even later per ongeluk een filmscène bij de filmproducent Rastapopoulos. De twee herkennen elkaar en besluiten elkaar hun verontschuldigingen aan te bieden. Dan keert Kuifje terug naar de boot waarop hij gered werd en ontdekt per toeval dat die gebruikt wordt voor wapensmokkel. De bemanning neemt hem en Bobbie gevangen. Ondertussen wordt ook deze boot gezien door de kustwacht en er ontspint zich een vuurgevecht. De detectives Jansen en Janssen komen aan boord en houden Kuifje voor de tweede keer aan. Kuifje ontsnapt, wordt opnieuw opgepakt en weet weer te vluchten. Kuifje besluit op zoek te gaan naar de verdwenen professor en krijgt van Rastapopoulos spullen mee voor een veilige tocht. Tijdens het voortzetten van zijn tocht wordt Kuifje beschoten waarbij zijn veldfles wordt geraakt. Ook komt hij Jansen en Janssen weer tegen, maar opnieuw weet hij hen achter zich te houden.

Uiteindelijk komt Kuifje na allerlei omzwervingen, waarbij hij en Bobbie bijna van de dorst omkomen, aan bij een stad waar net een burgeroorlog is uitgebroken. Kuifje wordt vanuit het niets opgeroepen om hier in het leger te dienen. Wanneer hij in de la van een officier een doos sigaren vindt, blijken dit dezelfde te zijn als die in de graftombe. Dan wordt Kuifje betrapt en wegens spionage ter dood veroordeeld. Hij weet te ontsnappen uit zijn cel, maar wordt opnieuw opgepakt, geëxecuteerd en begraven. De kogels blijken echter losse flodders te zijn en zijn graf is hol; via een kachelpijp kan hij ademhalen en hij wordt uitgegraven. Zijn redders blijken Jansen en Janssen te zijn, die een en ander geregeld hadden om Kuifjes executie te voorkomen om hem daarna te kunnen arresteren.

Kuifje vlucht door een vliegtuig van de Arabieren te stelen en vliegt naar Brits-Indië waar hij een noodlanding moet maken. In het oerwoud ontmoet hij professor Siclone weer, die krankzinnig blijkt te zijn geworden. Kuifje brengt Siclone naar een hulppost, vanwaar de professor naar een inrichting gebracht zal worden. Tijdens Kuifjes verblijf in de hulppost duikt Siclone weer op en hij probeert Kuifje te vermoorden. Kuifje ontkomt en verneemt dat de professor handelde in opdracht van een fakir, die Kuifje wil laten doden door "de man die schrijft". Aangezien er een schrijver aanwezig is in de hulppost, besluit Kuifje deze man te ondervragen. Onder dwang vertelt hij dat er een bende is van drugssmokkelaars die Kuifje uit de weg wil ruimen. Hij is bereid Kuifje te vertellen wie de grote baas is. Hij wordt voordat hij verder iets kan zeggen in zijn nek getroffen door een gifpijltje en vertelt dat het pijltje gevuld is met een gif dat gek maakt – Siclone is ook al het slachtoffer hiervan geworden – en wordt daarna eveneens krankzinnig.

Als Kuifje de volgende dag de professor en de schrijver naar de inrichting brengt, blijkt hij zonder het te weten een brief bij zich te hebben waarin staat dat hijzelf degene is die gek is, maar dit constant ontkent. Dit is uiteraard het werk van de bende geweest. Kuifje wordt opgesloten en krijgt een dwangbuis om, terwijl de professor en de schrijver vrijuit gaan. Kuifje ontsnapt en vlucht. Hij stapt op een voorbijrijdende trein, maar moet Bobbie achterlaten. Deze bijt een heilige koe en wordt voor straf ter dood gebracht. Vlak voordat hij met een mes wordt neergestoken, wordt hij gered door Jansen en Janssen, die hopen dat ze met hem Kuifje vinden. Deze is gearresteerd door de politie en wordt in een ambulance teruggebracht naar de krankzinnigeninrichting. Onderweg heeft de ziekenauto een ongeluk en Kuifje wordt uit de ambulance geslingerd. Kuifje ontmoet een maharadja en diens zoon. Hij redt hen van een tijger en wordt als dankbetuiging door de vorst als gast in zijn paleis uitgenodigd. De maharadja weet dat de bende opium smokkelt en is hier fel tegen, waardoor ook hij een doelwit van de bende is geworden.

Diezelfde nacht probeert de fakir de maharadja met een gifpijl te raken, maar Kuifje voorkomt dat door een pop in diens bed te leggen die de pijl opvangt. Via een geheime gang in een uitgeholde boom ontdekt Kuifje de schuilplaats van de bende. Hij vermomt zich onherkenbaar als een van de bendeleden na een van hen te hebben overmeesterd, maar de voorman wordt tijdens de vergadering telefonisch voor Kuifje gewaarschuwd. Deze vraagt elk lid een voor een in een andere ruimte om het wachtwoord, om op die manier de spion te achterhalen. Kuifje wordt als eerste ondervraagd, overmeestert de voorman en weet alle anderen een voor een te overrompelen. Het blijkt om de bende van Kih-Oshk te gaan, die het graf van de gelijknamige farao als opslagplaats gebruikt. Tot de andere bendeleden behoren het echtpaar Snowball bij wie Kuifje op bezoek is geweest, de raadsheer van de maharadja en de kolonel door wie Kuifje ter dood werd veroordeeld. Dan betreden ook de maharadjah en Jansen en Janssen de geheime ruimte. De detectives zijn niet langer uit op Kuifjes arrestatie. De Egyptische politie heeft hun verteld dat hij aan de goede kant staat. Alleen de fakir ontkomt en niet lang daarna ontvoert hij samen met de geheimzinnige bendeleider de zoon van de maharadja. Kuifje raakt hen op het spoor en achtervolgt hen. Kuifje weet de fakir te overmeesteren, maar de geheimzinnige baas stort in een ravijn in een poging Kuifje onder een rots te verpletteren. Zijn lichaam wordt niet gevonden, maar iedereen neemt aan dat hij dood is.

Nu de bende dankzij Kuifje is opgerold, mag Kuifje nog enige tijd in het paleis van de maharadja verblijven als dank. De man-die-schrijft (die zijn verstand blijkbaar nog net niet helemaal kwijt is) probeert tevergeefs te verhinderen dat Kuifje de sigaren nader onderzoekt, en Kuifje ontdekt dan pas dat in de sigaren met het merk van de farao opium verborgen zit. De man-die-schrijft en Siclone worden in een ziekenauto naar een psychiatrische inrichting gebracht.

Achtergronden[bewerken]

De sigaren van de farao speelt zich vooral af in het indertijd Britse mandaatgebied Egypte en Brits-Indië, waar Kuifje betrokken raakt bij een mysterieuze zaak met sigaren van het merk Flor Fina, waarin opium zit. Opiumhandel is een vaker terugkerend thema in de Kuifjestrips. De Britten hebben een nogal negatieve plaats in het verhaal: zij zijn betrokken bij de smokkel.

De tweede gemummificeerde egyptoloog van rechts op de omslag heet E.P. Jacobini, een verwijzing naar Edgar P. Jacobs, de auteur van Blake en Mortimer en een goede vriend van Hergé. Jacobs hielp Hergé met het tekenen van achtergronden en de inkleuring van een tiental Kuifjeverhalen, waaronder dit verhaal. Een van de anderen heet Lord Carnaval, waarmee verwezen wordt naar Lord Carnarvon, de financier van de opgravingen die in 1922 leidden tot de vondst van het graf van Toetanchamon.[1] De mummies refereren aan de vermeende vloek van de farao. Dat doet ook het deel in het verhaal, waarbij Kuifje en Bobbie in de Egyptische tempel hallucineren dat ze ontvoerd worden door Egyptenaren uit de oudheid.

In het oorspronkelijke album duurde Kuifjes ontdekking van de bende van Kih-Oskh langer en kwam hij tijdens zijn tocht door de onderaardse gangen ook cobra's en krokodillen tegen. Uiteindelijk werden die beelden te angstaanjagend geacht voor kinderen en in latere versies geschrapt.

Onduidelijkheden[bewerken]

Pierre Assouline, een van de biografen van Hergé, heeft opgemerkt dat de verhaallijn vrijwel geen logica bevat.

Enkele voorbeelden zijn:

  • Kuifje, Bobbie en Siclone zijn niet zoals de andere ongelukkige geleerden die de graftombe van Kih-Osk betraden gemummificeerd, maar ontvoerd. Gedurende het verhaal blijkt nergens waarom de opiumbende speciaal voor hen een uitzondering maakt.
  • Kuifje ontsnapt uit een krankzinnigengesticht, door vanuit een boom op een op de grond slapende man te springen en zijn dikke buik als springplank te gebruiken om over een hoge muur te geraken. Zijn hond Bobbie blijft achter, maar bevindt zich twee plaatjes verder weer bij Kuifje. Dit werd in de herdruk rechtgezet doordat Kuifje Bobbie de opdracht geeft om door het hek naar buiten te lopen.
  • Kuifje stijgt met een gestolen vliegtuig op uit Saoedi-Arabië en moet, zo lijkt het, vrij snel een noodlanding maken, maar bevindt zich dan ineens boven Brits-Indië. Nadat hij met het vliegtuig verongelukt, heeft hij geen schrammetje opgelopen.
  • Kuifje wordt dwars door het dak van een ambulance gelanceerd en komt op de grond terecht, om vervolgens ongeschonden zijn weg te vervolgen.
  • Kuifje wordt geëxecuteerd door een vuurpeloton, maar de kogels zijn losse flodders. Desondanks wordt een en ander niet opgemerkt.
  • Wanneer Kuifje door de tombe loopt, ziet hij de paraplu en jas van Siclone aan beelden opgehangen, terwijl diens hoed nog buiten ligt. Hoe dit zo kan wordt nergens verklaard. Later blijkt Siclone al zijn spullen op de een of andere manier weer terug te hebben.

Aan het eind van het volgende verhaal, De Blauwe Lotus, blijkt de doodgewaande bendeleider Rastapopoulos te zijn, die in De sigaren van de farao nog een van Kuifjes vrienden is. Onduidelijk is of Hergé deze plot ook tijdens het schrijven van De sigaren voor de farao al exact zo voor ogen had. Hoe Rastapopoulos de val van de rots eigenlijk heeft kunnen overleven (bovendien nog zonder enig lichamelijk letsel), wordt ook nergens in een van de beide verhalen duidelijk.

Jaren later zei Hergé in een interview: "... ik liet mij verleiden tot gepuzzel, dat ik bijna nooit kon oplossen."[2]

Publicatie[bewerken]

De zwart-witversie werd in 1934 in het Frans gepubliceerd. In de kleurenversie werd een aantal zaken aan het verhaal veranderd:

  • De schipper Thompson, die eigenlijk pas jaren later in De krab met de gulden scharen debuteerde, werd toegevoegd als de smokkelaar die ook de sarcofagen in zee dumpt. Dit werd gedaan om zijn band met Rastapopoulos te verduidelijken.
  • In de oorspronkelijke versie toont sjeik Patrash Pasha Kuifje trots een exemplaar van het album Kuifje in Amerika. In de kleurenversie uit 1955 is dit vervangen door een ander album uit de serie, de kleurenversie van Kuifje in Afrika, dat bij een latere druk vervangen werd door Raket naar de maan, dat uit 1953 dateert en dus ruim ná De sigaren van de farao uitkwam. Hergé deed dit op verzoek van zijn uitgever om reclame te maken voor de Britse markt, waar Raket naar de maan net verschenen was.

Het is het eerste Kuifje-album met een harde kaft dat werd uitgegeven onder auspiciën van uitgeverij Casterman. Met Charles Lesne van dit Belgische bedrijf was Hergé overeengekomen dat hij voor elk verkocht exemplaar drie Belgische frank kreeg. Vanaf 10.000 verkochte exemplaren ontving hij twee frank per album.[3]