De scepter van Ottokar

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
De scepter van Ottokar
Aventures-de-Tintin.png
Originele titel Le Sceptre d'Ottokar (album), Tintin en Syldavie (krantenstrip)
Stripreeks De avonturen van Kuifje
Volgnummer 8
Scenario Hergé
Tekeningen Hergé
Edgar P. Jacobs (album in kleur)
Inkleuring Edgar P. Jacobs
Type Hardcover/softcover
Pagina's 62 (album, vierkleurendruk)
Eerste druk 1939 (album)
Uitgever Casterman
ISBN 90-303-2517-8
Portaal  Portaalicoon   Strip

De scepter van Ottokar (Franse titel: Le Sceptre d'Ottokar, oorspronkelijk Tintin en Syldavie) is het achtste verhaal uit de reeks Kuifje-strips van de Belgische tekenaar Hergé (1907-1983).

Het verhaal verscheen oorspronkelijk van 4 augustus 1938 tot 10 augustus 1939 in Le Petit Vingtième, de jeugdbijlage van het Belgische dagblad Le Vingtième Siècle. Het originele album in zwart-wit dateert uit 1939 en verscheen bij uitgeverij Casterman. De eerste ingekleurde versie dateert van eind jaren veertig. De eerste versie telde 106 platen, de ingekleurde 62. Het album heeft in de Franstalige versie vijf keer een andere tekening als kaft gehad.

Bekende personages die geïntroduceerd worden[bewerken]

Verhaal[bewerken]

Leeswaarschuwing: Onderstaande tekst bevat details over de inhoud en/of de afloop van het verhaal.

Kuifje vindt in het park de aktetas van een zekere professor Halambiek en brengt die terug naar de eigenaar. Halambiek blijkt een kettingrokende zegelkundige die onder meer zegels heeft uit Syldavië. De professor bereidt een studiereis voor naar dat land om de zegels aldaar te bestuderen. Kuifje komt er bij toeval achter dat Halambieks benedenburen niet deugen. Die hadden Kuifje bij de professor al afgeluisterd en met een in een zakhorloge verborgen fototoestel stiekem een foto van hem gemaakt. Vervolgens hoort Kuifje per toeval enkele mensen geheimzinnig over hem praten. Hij volgt een van hen naar een Syldavisch restaurant en hoort daar iemand over Halambiek praten, maar wordt opgemerkt door de ober, die degenen die over Halambiek praten voor Kuifje waarschuwt. Kuifje eet een hapje in het restaurant en onderaan op de rekening staat een opmerkelijk Syldavisch spreekwoord: Wie zich bemoeit met andermans zaken, kan in een lelijk parket geraken. Vervolgens wordt Kuifje door een hem onbekende man gevolgd naar zijn appartement. Vlak nadat die bij hem heeft aangebeld, verliest de onbekende zijn bewustzijn. Vermoedelijk is hij bewusteloos geslagen. Wanneer de man is bijgekomen, blijkt hij zijn geheugen kwijt te zijn. Even later wordt er bij Kuifje thuis een steen door het raam geworpen met daaraan een waarschuwend briefje: Voor het laatst: bemoei u met uw eigen zaken! Wanneer Kuifje zich niets van dit alles aantrekt, wordt er een mislukte bomaanslag op hem gepleegd, er wordt getracht hem neer te schieten en hem bij een achtervolging op een motorfiets om het leven te laten komen.

Twee torens van het Kropowkasteel in De scepter van Ottokar zijn gebaseerd op die van het kasteel Olavinlinna in Finland.

Kuifje besluit daarop in te gaan op het verzoek van de professor om met hem mee te gaan als secretaris. Vlak voor het vertrek wordt Kuifje door de professor opgebeld. Ineens hoort hij geheimzinnig hulpgeroep door de telefoon, zo te horen is het de professor die in nood verkeert. Kuifje rent in allerijl naar het huis van Halambiek, die echter gewoon zijn koffers aan het pakken is en aangeeft van niets te weten. Kuifje begrijpt er niets van.

In het vliegtuig op weg naar Syldavië ontdekt Kuifje dat er zaken niet kloppen: de eerder zo bijziende en kettingrokende Halambiek rookt ineens niet meer en kan zonder bril vanuit het vliegtuig schapen in een weiland diep beneden onderscheiden. Kuifje vermoedt dat deze persoon een bedrieger is die zich voor Halambiek uitgeeft en dat de echte Halambiek tijdens het afgekapte telefoongesprek werd overmeesterd. Wanneer ze geland zijn, probeert Kuifje de vermeende valse baard van de bedrieger af te trekken, maar de baard blijkt toch echt te zijn. Kuifje begrijpt er niets meer van.

Vanuit Praag worden ze met een privévliegtuig verder vervoerd. Boven Syldavië opent de piloot, die in het vijandelijke complot zit, plotseling een vloerluik, waardoor Kuifje uit het vliegtuig valt. Kuifje overleeft deze nieuwe moordaanslag doordat hij in een hooiwagen belandt, terwijl zijn hond Bobbie in Kuifjes parachute blijft hangen.

Kuifje heeft eerder in het vliegtuig een brochure met een samenvatting van de Syldavische geschiedenis gelezen, waarin onder andere de historische annexatie van Syldavië door het buurland Bordurië wordt beschreven. Ook wordt vermeld dat de huidige koning Muskar XII zou moeten aftreden als hij op Sint-Vladimirsdag niet over de scepter van de vroegere koning Ottokar IV beschikt. Kuifje meent nu dat de studiereis van professor Halambiek een voorwendsel is om binnen te dringen in de schatkamers en de scepter te stelen en zodoende de koning te dwingen om af te treden. Kuifje vertrouwt deze kwestie toe aan de eerste politiecommandant die hij ontmoet. Dit blijkt een verrader die Kuifje door zijn samenzweerders gevangen wil laten nemen. Hij wordt op een boerenkar richting de hoofdstad van Syldavië gezet, met de bedoeling hem onderweg te overmeesteren, maar Kuifje weet een lift te krijgen van een auto met daarin de operazangeres Bianca Castafiore en ontkomt op die wijze geheel per toeval aan de ontvoering. Met veel moeite ontsnapt Kuifje en slaagt erin de hoofdstad Klow te bereiken, waar kolonel Boris, de verraderlijke adjudant van Muskar XII van wie Kuifje eerst zogenaamd toestemming heeft gekregen tot een onderhoud met de koning, hem tijdens een optreden van Castafiore laat arresteren omdat hij een anarchist zou zijn. Kuifje weet te ontkomen en komt per toeval alsnog in contact met de Syldavische koning, die in gezelschap is van Boris. Kuifje legt uit hoe het zit. De koning besluit Kuifjes relaas nader te onderzoeken en begeeft zich met Kuifje naar de schatkamer waar zich de scepter bevindt. Daar treffen ze Halambiek, de hoffotograaf Czarlitz en de wachters bewusteloos aan. De scepter is verdwenen. Czarlitz en Halambiek worden in hechtenis genomen, maar ontsnappen.

Detail van de Britse koninklijke Gouden Koets. Op dit voertuig is de koets van koning Muskar XII in het album De scepter van Ottokar gebaseerd.

De detectives Jansen en Janssen komen nu de zaak helpen onderzoeken. Zij concluderen dat de aanwezigen verdoofd werden doordat bij het fotograferen iets anders dan magnesiumpoeder gebruikt werd, waarna de dief de scepter naar buiten wierp. Het laatste lijkt onmogelijk vanwege de tralies, maar Kuifje ontdekt dat er een springveer in het fototoestel verborgen zit. Czarlitz en Halambiek konden de scepter hiermee afschieten, waarna ze door een klap van dezelfde springveer bewusteloos zijn geraakt. In het bos waar de scepter terechtgekomen is, volgt hierna een confrontatie met drie Bordurische spionnen, die op zoek zijn naar de scepter en die inderdaad vinden. Kuifje en zelfs Bobbie krijgen de scepter even in bezit, maar uiteindelijk ontsnapt een van de samenzweerders met de scepter naar de Syldavisch-Bordurische grens. Kuifje achtervolgt hem, alwaar hij de man net op tijd overmeestert. In diens zakken ontdekt Kuifje instructies over de voorbereidingen voor een Bordurische invasie. Gedreven door stevige trek glipt Kuifje de grens over om bij een huis om eten te vragen. Het blijkt een grenspost te zijn, wat hem dwingt om de bergen in te vluchten, terwijl de Borduriërs hem op de hielen zitten. Tijdens zijn vlucht stuit Kuifje op een militair vliegveld en hij steelt een van de gevechtsvliegtuigen die klaar staan voor de inval. Omdat dit een Bordurisch vliegtuig is, wordt hij door de Syldaviërs neergehaald. Kuifje weet samen met Bobbie net op tijd uit het brandende vliegtuig te ontsnappen, waarna hij te voet zijn weg vervolgt richting Klow.

Intussen is de spanning in Syldavië opgelopen. Geruchten over de diefstal van de scepter nemen toe, terwijl de samenzweerders geweld tegen plaatselijke Borduriërs uitlokken om de invasie te rechtvaardigen. Net wanneer de koning besluit dat hij moet aftreden om een einde te maken aan de onrust, arriveren Kuifje en Bobbie met de scepter. De samenzweerders worden gearresteerd en de Syldavische monarchie is gered, waarvoor Kuifje geridderd wordt.

Nu valt alles uiteindelijk op zijn plaats. De vreemdeling die voor Kuifjes deur werd aangevallen en daarna zijn geheugen kwijt was een Syldavische agent die Kuifje had moeten waarschuwen voor het complot waar hij via professor Halambiek in verzeild dreigde te raken. Uiteindelijk wordt ook het vraagstuk van de niet rokende en brilloze Halambiek opgelost: Nestor, de echte professor, was vlak voor zijn reis naar Syldavië ontvoerd en vervangen door zijn tweelingbroer Alfred, die net als Nestor een baard heeft. Het was dus waar wat Kuifje in het vliegtuig vermoedde.

Leeswaarschuwing: Eindigt hier.

Achtergronden[bewerken]

Inspiratiebronnen[bewerken]

Het Koninklijk Paleis van Brussel, waarop het Koninklijk Paleis van Syldavië is gebaseerd

Het idee voor het verhaal had Hergé van een vriend, zo vertelde hij in een serie interviews aan de journalist Numa Sadoul. In 1982 zei Hergé tegen hem:

"Ik ben bijgestaan, eerder vriendschappelijk dan beroepsmatig (.....) ik had niet een echt scenario gekregen, wel ideeën, uitstekende ideeën (....) en tamelijk gedetailleerd en daar kon ik op voortborduren.[1]"

Benoît Peeters, een van Hergés biografen, meent dat met die vriend zo goed als zeker Philippe Gérard bedoeld wordt, een goede vriend van Hergé en die al langer waarschuwende woorden had uitgesproken over een groot aanstaand conflict.[1] Een andere mogelijke aanwijzing is dat Hergé in 1939 in zijn notitieboekje vermeldde: "scenarios: en collaboration: Philippe - Jamin" (scenario in samenwerking met Philippe en Jamin).[1][2] Met Philippe doelde hij wellicht op Philippe Gérard en met Jamin natuurlijk op Paul Jamin, eveneens een van zijn beste vrienden.

Het zakhorloge met ingebouwd fototoestel was gebaseerd op een uitvinding van de Expo Watch Company,[3] die tussen 1905 en 1939 in New York in productie was. Hergé putte verdere inspiratie uit onder andere de films The Prisoner of Zenda, waarvan al drie versies bestonden.[4] Ook het boek Technique du coup d'Etat uit 1931 van Curzio Malaparte werd gebruikt als bron.[5] In 1978 en 1982 gaf Hergé in brieven aan lezers aan dat hij ter voorbereiding op het verhaal rondgereisd had in Albanië, Servië, Montenegro en Hongarije.[6] De koets waarin koning Muskar XII rijdt, is ontleend aan een foto van de Britse koninklijke Gouden Koets die in november 1931 stond afgedrukt in het Franse tijdschrift Le Crapouillot.[7][8] Van Hergé is bekend dat hij dit tijdschrift las.[7] Het koninklijk paleis vertoont gelijkenissen met dat van Brussel.[9] De afbeelding van de Slag bij Zileheroum is geïnspireerd op een vijftiende-eeuwse Mongoolse miniatuur.[10] De afbeelding van een skelet van de Diplodocus giganticus is mogelijk afgekeken van een foto uit het weekblad Le Patriote Illustré uit 1938, waar een gelijkend skelet is weergegeven uit het Museum für Naturkunde in Berlijn.[11] Het Kropowkasteel is deels geïnspireerd op het kasteel Olavinlinna in Finland.[12][noot 1]

Koning Muskar XII van Syldavië en zijn gemalin vertonen volgens Hergés biograaf Philippe Goddin gelijkenissen met koning Zog I van Albanië en zijn vrouw koningin Géraldine, maar Muskars profiel heeft volgens hem ook de trekken van Ronald Colman in de speelfilm The prisoner of Zenda,[13] waarin Colman in 1937 de koningsrol vervuld. Tintinofiel Yves Horeau daarentegen ziet geen zichtbare overeenkomsten met de Albanese koning. Volgens hem is Muskar een verpersoonlijking van koning Leopold III van België.[14] Ook Benoît Peeters gelooft dat de Syldavische vorst geïnspireerd is op zijn Belgische evenknie.

Volgens Hergé is Kuifjes doel niet het redden van de monarchie, maar het bestrijden van onrecht.

Actualiteit[bewerken]

Het verhaal was op het moment dat het werd gemaakt erg actueel. In maart 1938 was Oostenrijk onderdeel van Duitsland geworden en Sudetenland werd in september dat jaar met militair machtsvertoon door nazi-Duitsland geannexeerd. Korte tijd later werden kleine delen van Tsjechoslowakije bij Polen en Hongarije gevoegd en in april 1939 werd Albanië met geweld door Italië ingelijfd. In heel Europa heerste de gedachte dat er ieder moment een nieuwe oorlog kon uitbreken. Tegenover Sadoul gaf Hergé aan dat hij bij het maken van het verhaal aan Duitsland had gedacht, maar dat het eigenlijk op elk totalitair regime betrekking kon hebben. Naar zijn zeggen was de naam Müsstler, de dictator in het verhaal, een samentrekking van Mussolini en Hitler. Het verhaal past daarmee in de traditie van politieke thematiek, wat ook al het geval was in de eerdere Kuifje-verhalen De Blauwe Lotus en Het gebroken oor.

Om het actuele aspect van het verhaal zo goed mogelijk uit te buiten, wilde Hergé dat het zo snel mogelijk in albumvorm werd uitgegeven. In een brief van 19 juni 1939 aan zijn uitgever Charles Lesne schreef hij daarover:

"Als je het verhaal een beetje hebt gevolgd, weet je dat alles op de actualiteit is gebaseerd. Syldavië is Albanië. Er wordt een annexatie met inachtneming van de formaliteiten voorbereid. Als we willen profiteren van het voordeel van dit laatste nieuws dan is het nu of nooit.[15]"

Vermenging Balkanelementen[bewerken]

Net als Syldavië is Albanië een klein land dat aan zee ligt. Syldavië is in het Kuifje-verhaal echter niet tot alleen dit land terug te brengen, eerder is het een mengeling van elementen uit meerdere Balkanlanden. Zo doet de Stalen Garde denken aan de Roemeense IJzeren Garde, die indertijd de Roemeense koning Carol II wilde afzetten. Hergé zelf gaf ook aan dat een en ander niet tot een bepaald land herleid kon worden, waarmee de verhaallijn een universeel karakter kreeg.[15]

Ook voor humor was er plaats. Op het wapen van Syldavië is een zwarte pelikaan afgebeeld, een vogel die zijn broedplaats in de Balkan heeft. Bij de scouting, waar Hergé een fervent aanhanger van was geweest, stond een zwarte pelikaan voor 'niet goed wijs'.[2]

Tekeningen[bewerken]

De originele tekeningen werden aan het begin van de Tweede Wereldoorlog ter bewaring naar de kantoren van het tijdschrift Cœurs Vaillants in Parijs gebracht. In het verloop van de oorlog werden vergeefs pogingen ondernomen ze terug naar Brussel te brengen. Kort na de oorlog werd ontdekt dat ze weg waren. Ze bleken onvindbaar, wat een fikse tegenvaller was aangezien de originele tekeningen nodig waren geweest voor het drukken van de eerste kleurenversie. De tekeningen werden opnieuw gemaakt door ze over te trekken met behulp van een lichtbank.[16][17] Pas na het overlijden van Hergé kwam Casterman erachter dat een medewerker van Cœurs Vaillants de originele exemplaren tijdens de Tweede Wereldoorlog ontvreemd had om ze uiteindelijk voor veel geld te verkopen.[18]

Fotomontage van een schaalmodel van een Potez 62. Een dergelijk vliegtuig werd door Hergé gebruikt in De scepter van Ottokar.

Bij de uitgave van de driekleurendruk eind jaren veertig was dit voor Hergé en zijn medewerker op dat moment, Edgar P. Jacobs, aanleiding om de achtergronden en kostuums – die leken op die van de Yeomen Warders – nu meer in de stijl van de Balkan weer te geven.[19] Jacobs nam dit voor zijn rekening en verrichtte ook het inkleurwerk. Tevens herschreef Jacobs de muzieknoten bij de zang van Bianca Castafiore.[20] Zowel de scepter als de heraldiek werden op advies van Jacobs ontdaan van alle grappig bedoelde kenmerken. Hetzelfde gebeurde met de schatbewakers.[21]

In het verhaal komen vliegtuigen voor die in het echt ook bestaan; zoals de Potez 62 en de Savoia-Marchetti S.M.73.[3] In het zwart-witalbum kwamen ook nog Heinkels voor. Tijdens de Tweede Wereldoorlog verlangde de Duitse censors in Berlijn dat die in een volgende uitgave verwijderd werden. Hergé liet daarop de merknaam verwijderen.[22] Sinds de uitgave van eind jaren veertig is het toestel veranderd in een Messerschmitt van het type Bf-109, ook bekend als de Me-109.[21][23] Een van de in het verhaal afgebeelde auto's is een Opel Olympia (p. 13-14),[24] Hergé had er daar zelf een van in bezit.[25] Een andere auto is een Packard.[3]

In Hergés archief werd een foto aangetroffen van de Bosnische plaats Mostar. Een van de afgebeelde minaretten en de kleur van de huizen doen denken aan de grote tekening op pagina 25 van de kleurenversies van het album.[26]

Op bladzijde 59 van de kleurendrukken staat Hergé met een aantal goede bekenden van hem in een balzaal afgebeeld. Zelf staat hij rechts met bruin haar en een lach op zijn gezicht.[27] Verder afgebeeld zijn z'n echtgenote Germaine Kierckens (de vrouw in het paars, direct links van hem),[27] zijn broer Paul (direct links van Germaine),[27] Edgar P. Jacobs (de figuur in het harnas, rechts),[27] de schilder Marcel Stobbaerts (met brede zwarte haarscheiding, links vooraan),[27] Edouard Cnaepelinckx (de man met de witte haren, links),[27] Jacques Van Melkebeke (rechts van Cnaepelinkckx met bril)[27] en diens echtgenote Ginette.[20][28] Op pagina 39 staat Hergé in een groen gala-uniform naast Edgar P. Jacobs en kijken ze zwijgzaam toe hoe Kuifje door de paleiswacht wordt afgevoerd.

Op bladzijde 30 zijn op de eerste muurschildering rechts van de deur vijf personages afgebeeld. Elf pagina's verderop zijn het er zes. Een andere fout is in de tekst terug te vinden: op bladzijde zeven staat dat Syldavië in de elfde eeuw door Bordurië veroverd werd, maar op pagina 21 is te lezen dat dit in 1195 plaatsvond.

In de interviews die hij in 1971 had met Sadoul vertelde Hergé dat hij aan Stalin had gedacht toen hij een van de stripfiguren een snor gaf. Om herkenning te voorkomen gaf hij hem SS-onderscheidingstekens.[29]

Betekenis namen[bewerken]

Professor Halambiek heet in de oudste Nederlandstalige versies professor Spiritus. De familienaam van de ambassadeur Yegor Stassanow verwijst naar het Belgische zuivelbedrijf Stassano en die van de gebroeders Halambiek naar alambiek, een destilleertoestel. Ottokar van koning Ottokar IV staat voor autobus, maar het is ook een in het echt bestaande naam, zoals die van enkele koningen van Bohemen. De plaatsnaam Zileheroum - ook geschreven als Zilehroum - van de Slag bij Zilehr(e)roum staat voor 'zielenroem'. In de toeristenbrochure over Syldavië komt een afbeelding voor van de plaats Niedzdrow met de begeleidende tekst "vue de Niedsdrow", wat staat voor "gezicht met niets erop".[30]

Syldavisch[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Syldavisch voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
De geheim agenten in De scepter van Ottokar vluchten in een Opel Olympia. Hergé bezat zo'n auto.

In het verhaal komt de fictieve taal Syldavisch voor, waarvoor Hergé zich wat de woordenschat betreft baseerde op het Marols, het Nederlandse dialect zoals dat gesproken werd in de Brusselse wijk de Marollen. Hergé kende dit dialect van zijn oma van moederskant, die alleen het Marols meester was. Een voorbeeld Sylvadisch is: "Czesztot wrzykar nietz on waghabontz! ... zesztot bätczer yhzer kzömmetz noh dascz gendarmaskaïa?" ("Dat is zeker niet een vagebond! ... Is het beter als hij naar het politiebureau komt?"). In de Engelse vertaling werd het Syldavische woord gendarmaskaïa ("gendarmerie") veranderd in dat van politsia. Professoren linguïstiek en filologie van de Universiteit van Bordeaux die het Syldavisch van Hergé bestudeerd hadden, lieten hem in 1959 weten dat die aanpassing volgens hen een duidelijke verbetering was.[31] Ook op andere universiteiten leidde het Syldavisch tot academische verhandelingen.

Van sommige woorden wordt in het verhaal een uitleg over de betekenis gegeven. De naam van de hoofdstad Klow staat voor Heroverde Stad, van kloho voor verovering en ow voor stad. De naam Muskar is afgeleid van muskh, dat in het Syldavisch voor dapperheid staat en van kar dat voor koning staat.

Herkomst wapenspreuk[bewerken]

De wapenspreuk van koning Ottokar IV: Eih bennek, eih blavek is, letterlijk, Marols voor: "Hier ben ik, hier blijf ik". Het zijn dezelfde woorden als in de fameuze zin die de Franse opperbevelhebber Patrice de Mac-Mahon op 8 september 1855 uitsprak in de Krimoorlog na zijn verovering van de redoute Malachov in de legendarische Slag bij Malachov: "J'y suis, j'y reste!"[32][33] Dezelfde zin komt ook terug in de uit 1839 daterende opera Le Lac des fées van Daniel Auber op libretto van Eugène Scribe en Mélesville.[34]

Herziening tekst[bewerken]

Bij de hertekening van het album voor de eerste kleurenuitgave, eind jaren veertig, werd hier en daar ook de tekst aangepast. In de zwart-witversie zong Castafiore in de auto met Kuifje erin: "Het is een koningsdochter die men in het voorbijgaan groet..." en in de kleurendruk: "Ben jij het Marguerite?" In de oorspronkelijke versie denkt Kuifje, Castafiore aanhorend en kijkend naar de afdruk Securit op de ramen: "Gelukkig". In de herziene versie werd dat: "Gelukkig zijn de ramen sterk genoeg!..."[20]

In de laatste Nederlandstalige uitgaven wordt de in het Syldavisch geschreven koninklijke wapenspreuk Eih bennek, eih blavek vertaald als: "Hij die kaatst, kan de bal verwachten". In een eerdere Nederlandse vertaling was dat nog: "Hij die kwaad zaait, zal kwaad oogsten." De spreuk zelf was toen: "Eik bennik, eik blavek".

In de Franstalige uitgave is De scepter van Otttokar het eerste album waarin de twee stuntelende detectives de namen Dupond en Dupont kregen. Daarvoor droegen ze de namen X33 en X33 BIS. In de Nederlandse albums kregen ze in eerste instantie de namen Jansen en Jansens, later die van Jansen en Janssen. In de oudere Nederlandstalige kleurenversie worden ze voorgesteld als leden van de gerechtelijke politie en verderop in het verhaal als detectives. Na een nieuwe vertaling werd dat recherche, respectievelijk gediplomeerde detectives. Ook is er een versie zonder het 'gediplomeerde'.

Professor Halambiek heeft in de Nederlandse versie een zegel in privébezit van de heilige Lodewijk, ofwel van de Franse koning Lodewijk IX. In de Engelstalige versie is dat een zegel van Eduard de Belijder.

De terugvlucht van Kuifje, Jansen en Janssen gaat in de Nederlandstalige uitgave via Marseille. In de Engelstalige editie daarentegen wordt naar Southampton gevlogen.

Publicaties[bewerken]

Het verhaal verscheen voor het eerst van 4 augustus 1938 tot 10 augustus 1939 op donderdagen in de jeugdbijlage Le Petit Vingtième van het Franstalige en Belgische dagblad Le Vingtième Siècle.[35] De titel was bij aanvang nog Tintin en Syldavie (Tintin in Syldavië),[noot 3] gedurende het verloop van het verhaal werd dat Les nouvelles aventures de Tintin en Syldavie (De nieuwe avonturen van Tintin in Syldavië). De strip verscheen telkens met twee bladzijden van elk drie stroken. De strip verscheen in de jaren 1939-1940 wekelijks in Cœurs Vaillants, met als titel Tintin et Milou en Syldavie.[36] Het album kwam voor het eerst uit in november 1939, in hetzelfde jaar dat het Balkanland Albanië door Italië veroverd werd en twee maanden na de militaire inval van Duitsland en de Sovjet-Unie in Polen en de oorlogsverklaringen van Engeland en Frankrijk. De plot was dus uitermate actueel. De uitgave was in zwart-wit, maar met vier buitentekstpagina's in kleur.[36] De Franstalige titel werd Le sceptre d'Ottokar. In deze meest oorspronkelijke albumvorm telde het complete verhaal 106 pagina's.[36]

Kuifje en de vermeende professor Halambiek vliegen via Frankfurt naar Praag in een Savoia-Marchetti S.M.73.

Het album in driekleurendruk kwam eind jaren veertig uit en voor de eerste keer gelijktijdig in zowel het Frans als het Nederlands.[noot 4] De Nederlandse versie was in de spelling-Marchant. De vertaling was van Paul Davay, een pseudoniem voor François Van Der Drift.[37] Sindsdien zouden alle Kuifje-albums op dezelfde dag in beide landstalen gaan verschijnen.[38] Een zwart-witversie van de driekleurendruk werd voorgepubliceerd in het Belgische dagblad 't Vrije Volksblad.[36] Het werd met de plaatsing in 1951 in het Britse stripblad Eagle de eerste Kuifje-strip die in het Verenigd Koninkrijk gepubliceerd werd. Kuifje en Bobbie behielden in deze publicatie hun originele Franse namen Tintin en Milou. De scepter van Ottokar behoorde in 1958 tot de eerste twee Kuifje-albums die - gelijktijdig - in het Verenigd Koninkrijk in het Engels werden uitgebracht. De andere was De krab met de gulden scharen. Van beide albums werden in eerste instantie 60.000 exemplaren gedrukt.[39] Het was in de eerste helft van de jaren zestig ook het eerste Kuifje-album dat in het Hebreeuws werd uitgebracht.[40] In de jaren tachtig verscheen een nieuwe Nederlandse vertaling. In 1980 verscheen de originele Franstalige versie in deel vier van de serie Archives Hergé. De originele zwart-witversie met Nederlandse vertaling kwam in 1991 uit. Het album heeft in de Franstalige versie vijf keer een andere tekening als kaft gehad. De laatste aanpassing was in 1964.

Hergé wilde het album aanvankelijk de titel De scepter van Ottokar IV geven. Zijn uitgeverij Casterman voelde daar echter niets voor, die vond de titel te moeilijk om door kinderen vloeiend uitgesproken te worden, slecht te onthouden en niet commercieel genoeg. Er kwam een compromis: het verhaal zou De scepter van Ottokar gaan heten, dus zonder de IV.[15] Op verzoek van Hergé kreeg de titel unciaalachtige letters. De wapenschilden en scepter had Hergé het liefst in goudkleur willen afdrukken, maar dan zou alleen voor deze kleinigheid een vijfde steunkleur moeten worden toegevoegd en dat vond Casterman te duur worden. De uitgever stelde daarop voor om de steunkleur geel te schrappen en te vervangen door die van goud. Kuifjes haren, die altijd vlasblond waren geweest, zouden dan bruin geverfd gaan worden. Dat laatste zag Hergé niet zitten en uiteindelijk werd besloten om het idee van de kleur goud te laten varen en gebruik te maken van verschillende tinten geel.[41]

Bewerkingen[bewerken]

De scepter van Ottokar behoorde tot de negen Kuifje-albums die Hergé op 9 april 1948 naar Walt Disney stuurde met de vraag of Disney interesse had om er tekenfilms van te maken. Twee maanden later kreeg hij de albums terug, het voorstel was afgewezen.[42]

In 1957 werd De scepter van Ottokar bewerkt voor de Belgische televisie door Belvision, de animatiestudio van Le Lombard, dat ook weekblad Kuifje uitgaf. De zwart-witanimatiefilm werd gemaakt door de personages uit te knippen en de ledematen te voorzien van gewrichten. Door de armen en bewegen beeld per beeld te bewegen, ontstond er op een vrij amateuristische wijze animatie. De commentaarstem van de film was van Jean Nohain, destijds een bekend Frans animator.[43] De tekeningen waren van de hand van Hergés assistent Bob De Moor, die ook de supervisie had.[44]

Vlak na het overlijden van Hergé vonden er besprekingen plaats tussen de Amerikaanse regisseur-producer Steven Spielberg en Hergés weduwe Fanny Vlamynck over een Kuifje-speelfilm. Roman Polanski zou de regie gaan voeren. Spielberg zou zich beperken tot het producerschap. Polanski gaf er de voorkeur aan om een film te maken over De scepter van Ottokar, maar de onderhandelingen liepen uiteindelijk op niets uit.[45]

In de jaren negentig van de twintigste eeuw was er voor het eerst op de televisie de animatieserie De avonturen van Kuifje te zien, gebaseerd op de stripreeks waar dit album bijhoort. Ook verschenen er twee afleveringen die elk 25 minuten lang waren, gebaseerd op het album De scepter van Ottokar.

Veilingen[bewerken]

In 1998 verkocht de Nederlandse stripverzamelaar Hans Matla een dubbele, originele plaat uit De scepter van Ottokar voor € 57.000.[46] Het Parijse veilinghuis Artcurial verkocht in 2010 een dubbele plaat voor € 307.785.[47] Op 14 december 2014 verkocht het veilinghuis Millon in Brussel een originele tekening van 22 bij 25 centimeter die gebruikt was voor de omslag van Le Petit Vingtième, nr. 29 van 20 juli 1939, voor € 539.880.[46][48] Een andere, dubbele plaat uit dit verhaal werd in 2015 door het Parijse filiaal van veilinghuis Sotheby's verkocht voor € 1.563.000.[49][50] In 2016 verkocht de Franse zanger Renaud via het veilinghuis Artcurial ook een dubbele plaat, van 39,5 bij 60 centimeter, uit dit album uit 1939, wat € 1.046.300 opbracht.[51][52]

Externe links[bewerken]