Ephraim Daniel Pichot

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Ephraim Daniel Pichot
Pichot, in 1909 geschilderd door Henri Goovaerts naar een oudere tekening (portrettengalerij Stadhuis Maastricht)
Geboren Paramaribo, 21 januari 1753
Overleden Maastricht, 27 februari 1847
Partij regeringsgezind[1]
Religie protestants (lid Waalse kerk)
Functies
1815-1844 gemeenteraadslid van Maastricht[2]
1815-1821 mede-burgemeester van Maastricht
1822-1835 schepen van Maastricht[2]
1815-1816 Provinciale Statenlid Noord-Brabant
1816-1820 Provinciale Statenlid Limburg
Website
Portaal  Portaalicoon   Politiek

Ephraim Daniel Pichot (Paramaribo, 21 januari 1753 - Maastricht, 27 februari 1847) was een Nederlands militair, politicus en bestuurder. Hij was onder andere rechter, schepen en mede-burgemeester van Maastricht en lid van Provinciale Staten van Limburg.

Levensloop[bewerken | brontekst bewerken]

Ephraim Daniel Pichot was een telg uit het van oorsprong Franse hugenotengeslacht Pichot, waarvan leden eind zeventiende eeuw via Amsterdam in Suriname terechtkwamen. Hij was de zoon van Jan Willem Pichot (1730-1802) en Anna Maria van der Beets (1725-1758). Waarschijnlijk had hij drie jongere zussen, die echter jong stierven. Zijn moeder overleed toen hij nog geen vijf jaar oud was. De familie Pichot bezat in Suriname diverse plantages (o.a. 'Lust en Rust') en waren slavenhouders. De beruchte plantagehoudster Susanna du Plessis (1739-1795) was een halfzuster van zijn vader.[3]

Pichot vertrok omstreeks 1770 uit Suriname om in Nederland een militaire loopbaan te volgen. In 1774 was hij in Den Bosch gedetacheerd. Eén of twee jaar later verhuisde hij naar Maastricht, mogelijk vanwege zijn militaire verplichtingen, of vanwege het feit dat zijn vrouw uit deze omgeving afkomstig was. Hij bracht het uiteindelijk tot kapitein der cavalerie. Naar verluidt was hij in Maastricht tevens actief als ondernemer, hoewel niet duidelijk is op welk terrein. In mei 1815 stelde hij in elk geval 40 tot 50 werknemers uit zijn "atelier" ter beschikking om het Fort Willem I versneld te kunnen afbouwen.[4] Zoals veel Maastrichtenaren uit de hogere burgerij was hij lid van de vrijmetselarij.[5] Waarschijnlijk was hij tevens actief binnen de Waalse gemeente.

Bij de komst van de Fransen in 1794 vluchtte Pichot voor het oorlogsgeweld, mogelijk naar Amsterdam, maar kort na de inname van Maastricht keerde hij terug. Daarbij zou de advocaat Roemers naar eigen zeggen een belangrijke rol hebben gespeeld.[6] Over Pichots (politieke) activiteiten in de Franse Tijd (1794-1814) is verder niets bekend.

Na het vertrek van de Fransen werd hij in 1815 tot mede-burgemeester van Maastricht benoemd, samen met André Charles Membrede, Godart van Slijpe en Théodore Joseph de Billehé de Valensart. Membrede was voorzitter van het college van burgemeesters, ofwel 'eerste burgemeester'.[7] In 1819 werd hij opnieuw gekozen, nu in een college van drie burgemeesters, met Van Slijpe en Jean François Hennequin. Die laatste viel in 1821 af vanwege de 'schutterijkwestie', toen de koning hoogstpersoonlijk ingreep en de raad op non-actief stelde. Vanaf 1822 kon Pichot zijn taak voortzetten (tot 1830), nu als schepen van Maastricht, wat feitelijk hetzelfde was, met een andere titel.[8]

Naast deze gemeentelijke bestuursfunctie was Pichot in 1815 ook tot rechter benoemd, samen met Van Slijpe (wiens dochter in 1814 met een van zijn zonen was getrouwd).[9] Daarnaast was hij lid van Provinciale Staten, eerst in Noord-Brabant (van 19 september 1814 tot ergens in 1815), daarna in het verenigde Limburg (18 maart 1816 tot 1 juli 1820).[10] Dat hij in 1820 niet herverkozen werd, had mogelijk te maken met zijn oranjegezindheid, een overtuiging die dat moment minder goed lag in de Maastrichtse en Limburgse politiek.[11]

Het is niet bekend waar Pichot woonde. De oudste twee kinderen waren in 's-Hertogenbosch geboren; de anderen in Maastricht, op de jongste zoon na. Deze werd in Bunde geboren en ingeschreven in het doopregister van de Hervormde Gemeente te Meerssen, destijds als simultaankerk het kerkgebouw delend met de rooms-katholieke parochie van Meerssen.[3] Mogelijk bezat hij in Bunde een buitenhuis. Pichot overleed op 94-jarige leeftijd te Maastricht.

Nageslacht[bewerken | brontekst bewerken]

Ephraim Daniel Pichot trad op 25 april 1774 te Valkenburg in het huwelijk met Sara Louisa Marie Hesselberg. De oudste twee kinderen, een tweeling, werden op 13 november van dat jaar geboren. Het echtpaar Pichot-Hesselberg kreeg uiteindelijk elf kinderen.[3]

  1. Johan Willem Pichot (1774-?)
  2. Jeanne Louise Pichot (1774-1835), gehuwd met Corneille Heereman (1761-1830), 5 kinderen
  3. Quirijn George Pichot (1776-1834), administrateur plantages en lid van het Hof van Politie in Suriname, gehuwd met Louise Henriette Spiering
  4. Frederic August Pichot (1777-1837), controleur waarborg voor gouden en zilveren werken, gehuwd met jkvr. Johanna Cornelia Hubertina Hesselt van Dinter, 1776-1843, 5 kinderen
  5. Daniel Louis Pichot (1779-1856), distillateur, militair, commissaris van politie te Schiedam, gehuwd met Henrietta Lucretia Pichot (1782-1834), 6 kinderen
  6. Sigismunda Jeanne Catharina Pichot (1780-1875), gehuwd met Samuel Paulus Pichot Lespinasse (1772-1835), 6 kinderen
  7. Carel Quirijn Pichot (1782-1802), overleden in Paramaribo
  8. Frederik Cornelis Marie Pichot (1784-1845), belastingontvanger, burgemeester van Amby, gehuwd met Cornelia Eleonora van Slijpe (1784-1840), dochter van de Maastrichtse burgemeester Godart van Slijpe, 5 kinderen
  9. Sophie Dorothé Pichot (1785-1865), gehuwd met de Fransman Louis-Joseph Moraux (1770-1823), belastingontvanger, lid conseil de préfecture, voorzitter vrijmetselaarsloge 'La Constance', 3 kinderen
  10. Marie Henriette Alexandrine Pichot (1787-1863)
  11. Salomon Reinier Marius Pichot du Plessis (1789-1840), rechter te Maastricht, burgemeester van Cadier en Keer, bouwheer Huis Blankenberg, gehuwd met Sara Alexandrine Collard (ca. 1789-1831), 8 kinderen
Plantages 'Nijd en Spijt' en 'Alkmaar' aan de Commewijnerivier in Suriname, ca. 1860

De vijfde zoon, Frederik Cornelis Marie Pichot, zorgde er door zijn huwelijk met jkvr. Cornelia Eleonora van Slijpe voor dat het adellijk geslacht Van Slijpe voortgezet werd als Pichot van Slijpe, dat echter in 1969 uitstierf. De jongste zoon, Salomon Reinier Marius Pichot du Plessis, kreeg het tweede deel van zijn naam toegewezen op verzoek van zijn peettante, de eerdergenoemde Susanna du Plessis, die voor de doopplechtigheid uit Suriname was overgekomen. Het verzoek werd enige tijd later toegewezen door de rechter, Jan Willem Pichot, de grootvader van de dopeling! Bij haar dood zes jaar later liet zij onder andere de koffie- en cacaoplantage 'Nijd en Spijt' (met 500 akkers en 109 slaven) en het Huis Du Plessis in Paramaribo na aan haar minderjarige erfgenamen, waaronder Salomon. Zijn aandeel in de erfenis werd na zijn dood verdeeld onder zijn zes nog levende kinderen.[3][12]

Nalatenschap[bewerken | brontekst bewerken]

  • Pichots portret werd in 1909 door Henri Goovaerts (1865-1912) geschilderd naar een oudere tekening in het bezit van dhr. M. Pichot du Plessis. Het in opdracht van het Maastrichtse gemeentebestuur vervaardigde olieverfschilderij bevindt zich in de burgemeestersportrettengalerij in het Stadhuis van Maastricht.[13][14] Waar het origineel is gebleven, is niet bekend.
  • Enkele grafstenen van de families Pichot en Van Slijpe rondom de Sint-Walburgakerk in Amby zijn onderdeel van een rijksmonument.[15]
  • In de buurt Wittevrouwenveld in Maastricht-Oost is sinds 1947 een straat naar hem genoemd, de Schepen Pichotstraat.[2]

Trivia[bewerken | brontekst bewerken]

  • In september 1817 ontstond in de Groote Sociëteit op het Vrijthof een ruzie tussen Pichot en graaf Van Dam, de commandant der vesting. Pichot ondervroeg Van Dam over de militaire zaken van de stad, wat die laatste onbetamelijk vond. Van Dam had een zweepje bij zich en sloeg Pichot daarmee op de benen, uitroepend: "Je vous pulveriserai, vous croyez être des Bourguemaîtres d'Amsterdam. Je me fous des Bourguemaîtres!"[16]
  • Toen Pichot en zijn vriend Van Engelshoven in 1833 tijdens een jachtpartij een herberg bezochten in de omgeving van Beek, ontstond een schermutseling met de plaatselijke veldwachter Wijnen, die hun wapenvergunning wilde controleren. In het daarop volgende gevecht liep Wijnen flinke klappen op.[17]

Bronnen, noten en referenties[bewerken | brontekst bewerken]

Voorganger:
Christiaan Coenegracht
Mede-burgemeester van Maastricht
1815-1821
Opvolger:
Godart van Slijpe (deels met hem)