Naar inhoud springen

Klasse van droge heiden

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Dit is een oude versie van deze pagina, bewerkt door Apdency (overleg | bijdragen) op 4 nov 2018 om 19:46.
Deze versie kan sterk verschillen van de huidige versie van deze pagina.
Klasse der droge heiden
Droge heide, Lüneburger Heide
Droge heide, Lüneburger Heide
Syntaxonomische indeling
Klasse
Calluno-Ulicetea
Braun-Blanq. & Tüxen ex. Klika & Hadač, 1944
Afbeeldingen op Wikimedia Commons Wikimedia Commons

De klasse der droge heiden (Calluno-Ulicetea) is een klasse van plantengemeenschappen die typisch is voor droge, voedselarme en zure zandgronden, gekenmerkt door de dominantie van soorten van de heidefamilie (Ericaceae). De voornaamste vertegenwoordiger in Nederland is de associatie van struikhei en stekelbrem.

Naamgeving, etymologie en codering

De naam Calluno-Ulicetea is afgeleid van de wetenschappelijke namen van twee kensoorten binnen deze klasse, de algemeen voorkomende struikhei (Calluna vulgaris) en de vooral in Nederland en België veel minder algemene gaspeldoorn (Ulex europaeus).

De klasse is nauw verbonden met het Europese habitat-type Atlantische vastgelegde ontkalkte duinen.

Kenmerken

Algemeen

De klasse der droge heiden omvat plantengemeenschappen met hei-achtige dwergstruiken, waarin de heidefamilie de hoofdrol speelt. In natuurlijke vorm komen deze gemeenschappen enkel voor in kustgebieden, waar de voortdurende zeewind de verdere evolutie naar bos tegengaat. In het binnenland, op pleistocene zandgronden, worden ze aangetroffen in half-natuurlijke heidelandschappen, die in het verleden een functie hebben gehad in de bos- en landbouw.

Ze komen voor op bodems bestaande uit zand, al dan niet met wat leem, heel zeldzaam uit verdroogd hoogveen. De grondwaterspiegel is gedurende het grootste deel van het jaar lager dan de wortelzone, de vegetatie wordt dus nauwelijks beïnvloed door het grondwater. De bodem is zeer zuur (bezit een lage pH). In deze omstandigheden wordt dood plantenmateriaal niet verteerd, met als gevolg een voedselarme bodem. Heideplanten zijn gespecialiseerd in het overleven van dergelijke omstandigheden, doordat ze met bepaalde schimmels een symbiose aangaan, die mycorrhiza wordt genoemd. De schimmels kunnen zeer efficiënt stikstof opnemen uit moeilijk afbreekbare plantenresten.

Ontstaan

De originele of climaxvegetatie op zandige bodems is loofbos. Sinds het Neolithicum, maar vooral in de middeleeuwen heeft de mens echter voortdurend stukken bos gekapt of verbrand, zodat het land gedurende enige tijd als akkergrond of weidegrond gebruikt kon worden. Maar zonder zware bemesting neemt struikhei op den duur de overhand. Door podzolisering - oppervlakkige uitloging en diepere inspoeling van voedingsstoffen - zal de grond steeds meer verzuren. Struikhei draagt hieraan bij door de humuszuren die uit het strooisel vrijkomen.

Desondanks zal heide, die met rust gelaten wordt, opnieuw evolueren naar een bos, weliswaar armer aan soorten dan het oorspronkelijke loofbos. De voortdurende activiteiten van de mens heeft dit tegengegaan.

Buiten de winterperiode werd de heide begraasd met schapen, die vooral de jonge scheuten weg aten en de groei beperkten. Maaien gebeurde jaarlijks, om een wintervoorraad aan te leggen. Beide ingrepen hadden slechts kortstondig effect. Verder werd er jaarlijks een deel van de heide geplagd, waarna de vegetatie er ongeveer tien jaar over deed om zich te herstellen.

De enige natuurlijke heidegemeenschappen zijn droge heiden in kalkarme duinen (duinheiden), waar door de zeewind voortdurende zandverstuivingen plaatsvinden, die de verdere successie van de vegetatie tegengaan. Hier vormt de droge heide dus de climaxvegetatie.

Structuur

Deze klasse wordt gekenmerkt door de volledige afwezigheid van een boomlaag. De struiklaag is vertegenwoordigd door dwergstruiken van de heidefamilie, zoals de struikhei en de kraaihei, en van de vlinderbloemigen, zoals het geslachten heidebrem (Genista), brem (Cytisus) en gaspeldoorn (Ulex). De kruidlaag levert geen kensoorten, is zeer soortenarm en bestaat praktisch uitsluitend uit grassen. Deze soortenarmoede is te wijten aan de specifieke eigenschappen van de bodem, maar ook aan de structuur van de vegetatie. Bij struikhei zorgen de dichte struikjes afgewisseld met kale, open plekken voor te grote temperatuurschommelingen aan het oppervlak. Anderzijds zijn kraaiheivegetaties meestal zo dicht, dat andere planten nauwelijks kansen krijgen. Afhankelijk van de leeftijd van de heidestruiken kan er een sterk ontwikkelde moslaag met talrijke soorten voornamelijk bladmossen en lichenen. Bij pas geplagde zandgrond is de bedekking met struikhei nog vrij gering en de kale zandbodem wordt gekoloniseerd door diverse korstmossen van de geslachten Cladina en Cladonia. Naarmate de bedekking toeneemt verdwijnt de moslaag geleidelijk. Na 10 tot 20 jaar begint de struikhei te degenereren, de struiken vallen open, waardoor licht verder doordringt en er nieuwe vestigingsmogelijkheden voor mossen zoals het kussentjesmos ontstaan.

Onderverdeling

De klasse der droge heiden heeft als vertegenwoordigers in België en Nederland:

Soortensamenstelling

Deze klasse heeft voor België en Nederland als belangrijkste (ken)soorten:

Boomlaag

Geen soorten.

Struikhei (rechts) en gaspeldoorn (links).
Kraaiheide.

Struiklaag

Kensoort Diff.soort Abundantie Nederlandse naam Wetenschappelijke naam Opmerking
kK D Struikhei Calluna vulgaris op pleistocene zanden
kK D Kraaihei Empetrum nigrum in droge duinheiden,
niet in België
kK O Gaspeldoorn Ulex europaeus niet in Nederland
Brem Cytisus scoparius niet in Nederland
Kruipbrem Genista pilosa niet in Nederland
Stekelbrem Genista anglica niet in Nederland
Pijpenstrootje.

Kruidlaag

Kensoort Diff.soort Abundantie Nederlandse naam Wetenschappelijke naam Opmerking
D/A Pijpenstrootje Molinia caerula
A/F Fijn schapengras Festuca ovina subsp. tenuifolia
Heide-klauwtjesmos.
Gewoon franjemos.

Moslaag

Kensoort Diff.soort Abundantie Nederlandse naam Wetenschappelijke naam Opmerking
kK A Heideklauwtjesmos Hypnum jutlandicum
kK O Rode heidelucifer Cladonia floerkeana
kK O/Z Gewoon franjemos Ptilidium ciliare
kK O/Z Gekroesd gaffeltandmos Dicranum spurium
dK Gewoon gaffeltandmos Dicranum scoparium
dK Bronmos Pleurozium schreben

Verspreiding en voorkomen

De verspreiding van de klasse der droge heiden is voornamelijk beperkt tot de Atlantische provincie: de kuststook van West-Europa, Groot-Brittannië en Ierland. Daarbuiten wordt ze ook nog aangetroffen in de Montane provincie, in de gebergtes in Zuid- en Centraal-Europa, Scandinavië en Groot-Brittannië, en in de Circumboreale provincie.

Belangrijk milieufactoren zijn een gematigd klimaat met hoge luchtvochtigheid gedurende het grootste gedeelte van het jaar, niet te warme zomers (beneden de 22 °C) en milde winters.

Bedreiging en bescherming

Vegetaties van de klasse der droge heiden zijn meestal ontstaan ten gevolge van langdurige ingrepen van de mens. Zodra die activiteiten ophouden, begint de heide spontaan te verbossen. Daarenboven is de heide zeer gevoelig voor een toename van de voedselrijkdom, waar vooral de grassen zoals pijpenstrootje van profiteren en dominant worden.

Twee oorzaken liggen aan de basis van deze toenemende vergrassing:

  • toevoer van nutriënten (overbemesting) uit de lucht door luchtverontreiniging en zure neerslag: naar schatting wordt er door verontreinigde lucht vier- tot achtmaal meer nutriënten afgezet dan door onbezoedelde lucht. Vooral heidegebieden die omringd worden door landbouw- en industriegebieden lijken hieronder te lijden. Overbemesting heeft aanvankelijk als effect dat de struikhei sneller gaat groeien, waardoor echter meer bladstrooisel vrijkomt, wat de ontwikkeling van nieuwe heiplantjes verhindert;
  • toenemende plagen van het heidehaantje: deze keversoort vreet de blaadjes van de struikhei aan, waardoor deze geleidelijk afsterven en een dikke strooisellaag vormen die ideaal zijn voor de ontwikkeling en overwintering van de kever. De keverplagen zijn cyclisch en treden rond de vijf tot tien jaar op. Er zijn aanwijzingen dat door de toegenomen bemesting ook de keverplagen frequenter en heviger worden;

De belangrijkste doelstelling van het heidebeheer is het tegengaan van de natuurlijke successie, die in Noordwest-Europa (met enkele uitzonderingen) onvermijdelijk tot bos leidt.

Afhankelijk van de omstandigheden en de gestelde doelen, zijn verschillende beheersmaatregelen mogelijk

  • maaien en/of klepelen: om een homogene heide te verkrijgen, of om een heidehaantje-plaag tegen te gaan. Het strooisel moet steeds verwijderd worden. Maaien kan manueel, of met aan de zachte bodem aangepaste machines.
  • extensieve begrazing met schapen en/of geiten: zorgt voor een hogere diversiteit en een betere ontwikkeling van de heide. Begrazing kan met een herder of binnen een omheining. Begrazing met geiten heeft het voordeel dat deze ook de oudere boompjes en dennen begrazen.
  • branden: verjongt de heide, en is een zeer goedkope maatregel. Het tijdstip is echter zeer belangrijk en kan, indien onoordeelkundig toegepast, de vergrassing doen toenemen. Is ook niet op elk terrein mogelijk of aanbevolen.
  • plaggen: kan een volledig vergraste of verwaarloosde droge heide hergenereren, maar is zeer duur en/of arbeidsintensief. Kan, indien onoordeelkundig toegepast, leiden tot het verdwijnen van het microreliëf of het volledig verdwijnen van de bodem en tot zandverstuiving. Plaggen kan manueel, maar is dan zeer zwaar, of machinaal, met aangepaste machines. Het afvoeren van de plaggen kan een probleem geven als deze verontreinigd zijn.

Zie ook

Vegetatiekunde van A tot Z